van het Koninklijk Besluit van 28/11/1969 dat volledige ontheffing (100%) van de aangerekende bijdrageopslagen voorziet, aangezien mutualiteiten geen overheidsin- stelling zouden zijn zoals bedoeld bij dit artikel en waarbij aldus het verzoek van verzoekster tot volledige (100%) ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen op basis van de vorderingen van verzoekster op de mutualiteiten wordt geweigerd"; (A. 88.152) Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoekende partij op 31 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid "ter kennis gebracht van verzoekster bij schrijven dd. 31/1/2000 - in hoofdorde slechts tegen het gedeelte waarin wordt gesteld dat VII-19.923-1/13 'Gelet op de overige redenen wordt bovendien op basis van art. 55, paragraaf 2 van hetzelfde Koninklijk besluit gedeeltelijke ontheffing (50%) verleend van de aangerekende bijdrageopslagen' gevolgd door een opsomming a) en b). De vordering tot nietigverklaring wordt gesteld tegen dit gedeelte van de beslissing en een vernietiging van dit gedeelte heeft geen weerslag op het eerste gedeelte van de beslissing'. - in ondergeschikte orde, indien een gedeeltelijke vernietiging zou afgewezen worden, vordert verzoekster de vernietiging van de bestreden beslissing"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikkingen van 26 september 2005, die de neerlegging van het verslag en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij in de zaak A. 88.152 en het verzoek tot voortzetting in de zaak A. 90.646; Gelet op de beschikkingen van 8 mei 2006, waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 15 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN GULCK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE KETELAERE, die, loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-19.923-2/13 1. Rechtspleging Overwegende dat het, in het kader van een goede rechtsbedeling, past de voormelde zaken samen te voegen; 2. Feitelijke gegevens Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. In de loop van januari 1999 richt de verzoekende partij volgend schrijven tot de verwerende partij : "Hierbij vragen wij 100% ontheffing van de destijds opgelopen sancties vanaf 1990 tot nu. De betaling gebeurde laattijdig wegens te laat ontvangen van RIZIV-verpleegvergoeding via de mutualiteiten en wanbetaling van het OCMW Antwerpen en van sommige klanten. Bijgevoegd laat ik U geworden het attest B 304 toegestuurd aan de mutualiteiten, waarvan reeds ondertekend door de mutualiteiten : 301000, 401000, 501000, 750000, van zodra wij de andere attesten ontvangen zullen wij ze U laten geworden". 2.2. Met een brief van 16 februari 1999 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee : "In toepassing van
van het Koninklijk besluit van 28 november 1969 kan een dergelijke kwijtschelding slechts overwogen worden indien voorafgaandelijk alle verschuldigde socialezekerheidsbijdragen aangezuiverd werden. Uw rekening vertoont evenwel op 3.2.1999 nog een debetsaldo aan bijdragen van 16.720 fr. betreffende het derde kwartaal
, § 3 van het Koninklijk besluit van 28.11.1969 dat volledige ontheffing (100%) van de aangerekende bijdrageopsla- gen voorziet, aangezien zij geen overheidsinstelling zijn zoals bedoeld bij dit artikel. Teneinde te kunnen nagaan of deze vorderingen in aanmerking kunnen komen voor toepassing van
, § 2 betreffende het Koninklijk besluit tot gedeeltelijke ontheffing (50%) van de bijdrageopslagen (...), volstaat een opgave van de verschuldigde bedragen, gesitueerd in de tijd. Voor wat betreft uw verzoek om kwijtschelding van de aangerekende intresten delen wij u mede dat de Rijksdienst geen vermindering van de intresten toestaat aangezien de verhouding van de intresten berekend op de socialezeker- heidsbijdragen en de intresten aangerekend door de banksector zodanig is, dat ingaan op dergelijk verzoek zou neerkomen op het aanmoedigen van de niet- betaling van de socialezekerheidsbijdragen. Uitzondering wordt gemaakt in het geval van overmacht, en in het geval van toepassing van
, § 3, 1/ van het Koninklijk besluit van 28.11.1969 (d.w.z. zo de werkgever, op het ogenblik dat de socialezekerheidsbijdragen eisbaar werden, een vaste en eisbare schuldvordering bezat op een overheidsinstelling zoals bedoeld in dit artikel en hiervan het bewijs werd geleverd), mits de werkgever bewijst dat hij zijn socialezekerheidsbijdragen betaald heeft binnen de maand volgend op de betaling van de schuldvordering door de betrokken overheidsdienst(en). In dit laatste geval betreft het slechts een gedeeltelijke ontheffing (20%) van de aangerekende intresten. Het tijdig doorstorten dient bewezen te worden aan de hand van kopieën van bank en/of postrekeninguittreksels. Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State". 2.
, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt daarentegen slechts ten belope van 50 % ontheffing verleend van de aangerekende bijdrageopslagen wegens laattijdige betaling ten gevolge van schuldvorderingen op verscheidene mutualiteiten, dit "gelet op de overige redenen";
van 28 november
, § 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, en derhalve, wat dit aspect van de zaak betreft, een bevestiging inhoudt van de in de zaak 88.152 bestreden beslissing; dat wat dit gedeelte betreft, laatstgenoemde beslissing dus wel nog een voorwerp heeft; dat de verzoekende partij belang heeft bij de vernietiging ervan; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 3.2. Zaak A. 90.646 Overwegende dat de vordering onontvankelijk is omdat de bestreden beslissing, in de mate dat ze griefhoudend is en bestreden wordt, zoals hierboven gesteld, een loutere bevestiging inhoudt van de in de zaak A. 88.152 bestreden beslissing in zoverre ze volledige ontheffing van bijdrageopslagen uitsluit omwille van het standpunt dat vorderingen op mutualiteiten niet in aanmerking kunnen genomen worden voor de toepassing van
, § 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969;
, l/ van het Koninklijk Besluit van 28/11/1969 tot uitvoering van de Wet van 27/6/1969 tot herziening van de besluitwet van 28/12/1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders stelt : '§ 3. De vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen met 50% kan door de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid (inmiddels sociale zekerheid) op 100% worden gebracht : 1/. wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of VII-19.923-7/13 provinciale instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd hij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967'; Dat hieruit blijkt dat
, 1/ van het eerder genoemde Koninklijk Besluit een verschillende behandeling voorbehoudt tussen enerzijds een instelling van openbaar nut voorzien in de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut zoals onder meer de Hulpkas voor Ziekte-en Invaliditeitsverzekering en anderzijds de mutualiteiten; Dat het principe van gelijkheid geschonden wordt wanneer het bewezen is dat er geen redelijk proportioneel verband bestaat tussen de gebruikte middelen en het vooropgestelde doel; Dat in casu het doel van de reglementering in het voornoemde Koninklijk Besluit erin bestaat de bestraffing te voorkomen van werkgevers die ten laste van de openbare sector vaste en eisbare schuldvorderingen hebben; Dat, hoewel de mutualiteiten particuliere instellingen zijn, ze toch erkend zijn om opdrachten van een openbare dienst te vervullen, Dat de mutualiteiten en de Hulpkas voor ziekte-en invaliditeitsverzekering in het kader van artikel 62 van de wet van 9/8/1963 op de instelling en organisatie van verplichte ziekte-en invaliditeitsverzekering een gelijke dienst voorzien en men de vrije keuze heeft om zich bij een mutualiteit dan wel bij de voornoemde Hulpkas in te schrijven; Dat, voor zover
l/ van voornoemd Koninklijk Besluit zonder objectieve reden de mutualiteiten van haar toepassingsgebied uitsluit,
28/11/1969 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt; Dat de beslissing die, zich steunende op deze reglementering, aan verzoekster de vermindering met 100% van het bedrag van de bijdrageopslagen die van haar werden gevorderd heeft geweigerd dan ook onwettig is; Dat verzoekster tevens overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet Uw Raad vraagt om de toepassing van voornoemd
, 1/ te weigeren; Dat dit eerste middel dan ook kennelijk gegrond is; Kennelijke gegrondheid van de vordering: toepassing van artikel 94 van het Besluit van 23/8/1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State Aangezien betreffende dit eerste middel Uw Raad (afdeling Administratie, Derde Kamer) in een identieke situatie reeds een arrest heeft geveld dd. 19/2/1997 tussen de partijen VZW Croix jaune et blanche du Hainaut tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid; arrest nr. 64.602; Dat verzoekster dan ook van oordeel is, aangezien de omstandigheden, de tegenpartij en de juridische problematiek in casu identiek zijn aan deze in het reeds tussen gekomen arrest, dat haar vordering kennelijk gegrond is, zodat zij de toepassing van artikel 94 van het voornoemde Besluit vordert"; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar memorie van antwoord repliceert : "De verzoekende partij beweert dat de bestreden beslissing steunt op een onwettige rechtsgrond.
1/ van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zou het gelijkheidsbeginsel schenden en derhalve geweerd moet(en) worden middels een exceptie van illegaliteit. VII-19.923-8/13 Zij verwijst naar het arrest nr. 64.602 dd. 19 februari 1997 van Uw Raad.
van 28 november 1969 bepaalt het volgende : 'De vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen met 50 pct. kan door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 100 pct. worden gebracht : 1/ wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967'; Deze reglementaire bepaling creëert geenszins een ontoelaatbare ongelijkheid ten aanzien van de schuldeisers van een mutualiteit. Differentiatie kan perfect stroken met het gelijkheidsbeginsel. Aan het gelijkheidsbeginsel wordt voldaan wanneer voor het criterium van het onderscheid tussen verschillende categorieën een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm. Het gelijkheidsbeginsel is slechts geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel (Arbitragehof, 13 oktober 1989, nr. 23/89, B.S., 8 november 1989; zie ook : R.v.St., 25 april 1990, nr. 42.102, F.J.F., No. 90/118, 255; Cass., 5 oktober 1990, concl. Adv.-Gen. D’Hoore, RW., 1990-91, 328).
van 28 november 1969 verleent een volledige ontheffing van bijdrageopslagen aan bijdrageplichtigen met liquiditeitsproblemen ten gevolge van wanbetalingen van de overheid. Deze reglementering heeft tot doel een ongelijkheid tussen schuldeisers met opeisbare schuldvorderingen op de overheid en andere schuldeisers weg te werken. De eerste categorie van schuldeisers lijdt immers een nadeel ten aanzien van de tweede categorie wegens de georganiseerde achterstand in de betalingen van de overheid (Wet op de rijkscomptabiliteit), alsmede wegens de uitvoeringsimmuniteit van de overheid. Dit nadeel kan liquiditeitsproblemen met zich meebrengen waardoor een achterstand in de betaling van R.S.Z.-bijdragen kan ontstaan. Het zou kennelijk onbillijk zijn wanneer de verwerende partij dergelijke verschoonbare wanbetalingen zou sanctioneren met bijdrageopslagen. Zulks is niet discriminerend ten aanzien van andere schuldeisers met liquiditeitsproblemen vreemd aan eigen schuld of nalatigheid.
van 28 november 1969 voorziet immers in algehele ontheffing van bijdrageopslagen voor iedereen - zonder onderscheid - die dwingende billijkheidsredenen of dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang kan aantonen. Wanneer men het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, wordt voorzien in gedeeltelijke ontheffing van bijdrageopslagen (max. 50 %; art. 55 §2 K.B. 28 november 1969). De gewraakte doelstelling van
van 28 november 1969 is derhalve redelijk verantwoord en evenredig met de ingezette middelen. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan derhalve geen sprake zijn"; 4.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het volgende toevoegt : VII-19.923-9/13 "Aangezien verwerende partij als verantwoording voor het verschil in behandeling tussen de mutualiteiten en de instelling van openbaar nut aanwendt enerzijds de georganiseerde achterstand in de betalingen van de overheid en anderzijds de uitvoeringsimmuniteit van de overheid; Dat het argument inzake de uitvoeringsimmuniteit niet pertinent is vermits niet de onmogelijkheid om gedwongen uitvoering van zijn schuldvorderingen te bekomen nadeel berokkent aan de schuldeiser, maar wel de vertraging waarmee deze instellingen hun schulden betalen; Dat wat betreft de achterstand in de betalingen de achterstand van betalingen voor de Hulpkas en de mutualiteiten van dezelfde orde is; Dat art. 8 § 2 van de Nationale Conventie (W/91) de wijzen van recuperatie en de te respecteren termijnen eenvormig heeft gemaakt; Dat een schuldeiser van de mutualiteiten en een schuldeiser van een instelling van openbaar nut zoals beoogd bij art. 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut zoals de Hulpkas voor Ziekte-en Invaliditeitsverzekering beiden zonder onderscheid nadeel ondervinden dat liquiditeitsproblemen met zich kan meebrengen zodat er achterstand in de betaling van RSZ-bijdragen kan ontstaan; Aangezien vervolgens verwerende partij stelt dat art. 55 §3 1/ van voornoemd KB niet discriminerend zou zijn ten aanzien van andere schuldeisers met liquiditeitsproblemen vreemd aan eigen schuld of nalatigheid, daar art. 55 § 3 2/ van hetzelfde KB voorziet in algehele ontheffing van bijdrageopslagen voor iedereen die dwingende billijkheidsredenen of dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang kan aantonen; Dat hierin zeer zeker een discriminatie schuilt daar de andere schuldeisers met liquiditeitsproblemen verplicht zijn om hetzij dwingende billijkheidsreden hetzij dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang aan te tonen, waaromtrent het Beheerscomité van de verwerende partij met eenparigheid van stemmen een beslissing dient te nemen; Dat aldus aan deze 'andere schuldeisers' een verplichting wordt opgelegd die niet wordt opgelegd aan de schuldeisers die een vaste en eisbare schuldvordering bezitten ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij KB nr. 88 van 11/11/1967; Aangezien verwerende partij haar redenering voortzet door te wijzen op art. 55 §2 van voornoemd KB dat stelt dat wanneer men het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, voorzien wordt in gedeeltelijke ontheffing van bijdrageopslagen (50%); Dat dit argument van verwerende partij niet pertinent is vermits het dan slechts gaat om een gedeeltelijke ontheffing; Aangezien, voor zover
1/ van voornoemd Koninklijk Besluit zonder objectieve reden de mutualiteiten van haar toepassingsgebied uitsluit,
28/11/1969 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt; Dat de beslissing die, zich steunende op deze reglementering, aan verzoekende partij de vermindering met 100% van het bedrag van de bijdrageopslagen die van haar werden gevorderd heeft geweigerd en enkel een ontheffing van 50% verleent dan ook onwettig is; Dat verzoekende partij tevens overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet Uw Raad vraagt om de toepassing van voornoemd
Overwegende dat
, § 3, 1/, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders als volgt luidt : "§ 3. De vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen met 50 pct. kan door de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid op 100 pct. worden gebracht : 1/ wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967"; Overwegende dat de verzoekende partij van oordeel is dat deze bepaling strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten, doordat zij onrechtmatig een verschillend juridisch regime creëert tussen instellingen van openbaar nut, inzonderheid de Hulpkas voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering, en de mutualiteiten; Overwegende dat, zoals de Raad van State reeds in zijn arrest nr. 64.602, van 19 februari 1997, heeft geoordeeld, grondwettelijke regels inzake gelijkheid en niet-discriminatie niet uitsluiten dat categorieën van personen verschillend worden behandeld, voor zover die ongelijke behandeling berust op een objectief criterium en redelijk gerechtvaardigd wordt; dat of een zodanige rechtvaardiging bestaat, beoordeeld moet worden op grond van het oogmerk en de gevolgen van de gekritiseerde maatregel, alsmede van de aard van de in het geding zijnde beginselen; dat het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt wanneer is komen vast te staan dat er geen redelijke verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel; dat het doel van de gekritiseerde regeling in het onderhavige geval erin bestaat te voorkomen dat werkgevers, wier zekere en opeisbare schuldvorderingen ten laste zijn van de overheid, gestraft worden; dat de ziekenfondsen weliswaar privé-instellingen zijn, maar erkend zijn om een openbare dienst te verzekeren; dat de rechtvaardiging die de verwerende partij geeft voor de verschillende behandeling van schuldeisers met opeisbare schuldvorderingen op de overheid en andere schuldeisers uit het oogpunt van de gedwongen uitvoeringsimmuniteit die de openbare rechtspersonen genieten, niet relevant is; dat VII-19.923-11/13 het immers niet de onmogelijkheid om de gedwongen tenuitvoerlegging van haar schuldvorderingen te verkrijgen is die de verzoekende partij schade berokkent, maar wel de vertraging waarmee die instellingen hun schulden betalen ; dat
, § 3, 1/, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 artikel 10 van de Grondwet schendt in zoverre het zonder objectieve reden de ziekenfondsen buiten zijn werkingssfeer houdt; dat het eerste middel gegrond is;
, § 3, van het koninklijk besluit van 28 november1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en waarbij aldus het verzoek van de v.z.w. BORSBEEKHOF tot volledige (100%) ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen op basis van haar vorderingen op de mutualiteiten wordt afgewezen. VII-19.923-12/13 Artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.