id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.584 Rolnummer: A. 89327/VII-20410 Zaak: Arrest 162584 - - 21/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-29 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 04:29 Fiche Arrest nr 162.584 van 21 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.584 van 21 september 2006 in de zaak A. 89.327/VII-20.
- In zake : de v.z.w. GERZOVIL, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE MEY, kantoor houdende te VILVOORDE, Heldenplein 18 tegen : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VAN DIEVOET, kantoor houdende te BRUSSEL, Boomstraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. GERZOVIL op 1 februari 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, Openbare Instelling van Sociale Zekerheid met zetel te 1000 Brussel aan de Waterloolaan 76, genomen bij schrijven van 7.12.1999, waarbij een weigering tot kwijtschelding van bijdrage- opslagen en intresten, door het beheerscomité van de R.S.Z. door appellant werd betekend"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-20.410-1/11 Gelet op de beschikking van 8 mei 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 15 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MARIVOET die, loco advocaat J. DE MEY, verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE KETELAERE die, loco advocaat M. VAN DIEVOET, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feiten Overwegende dat de feiten als volgt kunnen worden samen- gevat : 1.
- De verzoekende partij is actief op het terrein van de geriatrische zorg. Voor het tweede en het derde kwartaal van 1998 bleef zij in gebreke om de R.S.Z.-bijdragen tijdig te betalen, hetgeen zij wijt aan achterstallige schuldvorderingen t.o.v. diverse overheden. 1.
- Met een brief van 27 december 1998 protesteert de verzoekende partij bij de R.S.Z. tegen de volgens haar onterechte aanrekening van bijdrageopslagen en intresten betreffende het tweede kwartaal 1998 en stelt zij dat ook de mogelijke aanrekening van deze bijdragen voor het derde kwartaal 1998 zullen worden betwist. Volgens de verzoekende partij gebeurde de betaling van de bijdragen niet tijdig om twee redenen : er was een stopzetting van de betalingen op aanwijzen van de R.S.Z., conform een brief van 29 april 1998, en de verzoekende partij was ook niet echt in staat de bijdragen tijdig te betalen, gelet op de grote bedragen die de "hogere overheid" haar nog schuldig was en actueel nog steeds is. Deze verschuldigde bedragen overtroffen de R.S.Z.- bijdragen. De verzoekende partij stelt voor om de achterstallige bijdragen voor het tweede en het derde kwartaal van 1998 af te betalen in de loop van 1999 naar rata van vaste maandelijkse schijven van 250.000 Bfr. en dit gedurende VII-20.410-2/11 12 maanden. Zij kondigt aan eventueel aangerekende intresten en bijdrageopslagen formeel te zullen betwisten. Volgens haar is er immers "overduidelijk sprake van overmacht t.g.v. ontoegeeflijk en herhaaldelijk falen van de hogere overheid (zowel de Vlaamse gemeenschap als het R.I.Z.I.V.)". Volgens de verzoekende partij waren deze fouten van de overheid totaal onafhankelijk van haar wil en ook redelijkerwijze niet te voorzien. 1.
- Met een brief van 7 juni 1999 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat de ingeroepen vorderingen op mutualiteiten niet in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 55, §3, 1/, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 aangezien het geen overheidsinstellingen betreft. De door de verzoekende partij ingeroepen redenen worden ook niet beschouwd als overmacht. 1.
- De verzoekende partij reageert hierop met een brief van 10 juli
- Zij wijst er op dat de mutualiteiten enkel een doorgeefluik van de overheid zijn. Zij doet voorts gelden dat zij de zienswijze van de verwerende partij inzake de overmacht niet kan volgen, en dat het voor haar kleine instelling onmogelijk was om te betalen. Zij betoogt : "Betreft : Uw brief dd. 07/06/1999-ontvangen 10/6/99 met ref. B147/1.648.374-34/AVA/8 Geachte Heer, Ik heb kennis genomen van bovenvermelde brief, doch ik stel me steeds meer en meer vragen. In de eerste alinea van Uw schrijven behandelt U artikel 55, § 3, 1/. Wij betwisten Uw interpretatie van dit artikel formeel en verwijzen U hiervoor naar ons schrijven dd. 23/12/98 waarvan nogmaals kopij in bijlage. Daaruit blijkt overduidelijk dat er zeker op zijn minst een discrepantie bestaat tussen enerzijds een beslissing van uw beheerscomité en anderzijds een richtlijn van de bevoegde minister. Uiteindelijk beslist men dan toch om 50 % vermindering toe te staan. Het feit immers dat men zich blijft verschuilen achter de mutualiteiten is m.i. niet korrekt. Instellingen kunnen immers hun forfaits anders niet innen. De mutualiteiten zijn dus in rechte enkel een doorgeefluik van de overheid. Ik maak er U verder attent op dat deze toegestane vermindering betrekking heeft op verschuldige R.S.Z.-bijdragen in 1995 en 1996, en dat deze pas verrekend werden in juni 1999 ! In de derde alinea bespreekt U artikel 55, §1, lid 3 van K.B. dd. 28.11.
- De door ons ingeroepen redenen hebben hier betrekking op onze R.S.Z-bijdragen van het tweede en derde kwartaal 1998, en heeft bijgevolg niets te maken met Uw brief met kennisgeving dd. 29.4.
- Het inroepen van manifeste overmacht betreft dus een ander dossier !! Men kan echter reeds doen opmerken dat er ook in dit dossier minstens 50% van de bijdrage-opslagen moeten worden kwijtgescholden, aangezien dit dossier voor de betrokken overheden nog schrijnender is. VII-20.410-3/11 Gelet echter op de duidelijk bewezen overmacht, door falen van de hogere overheden kunnen we echter geen genoegen nemen met de mogelijke kwijtschelding van 50% en beroepen we ons dus in dit dossier op bewust artikel 55, § 1 lid
- In de vierde alinea beschrijft U de rechtspraak betreffende het begrip overmacht en besluit Uw administratie dat onze instelling hieraan niet voldoet, waardoor U beslist om dit dossier niet voor te leggen aan het beheerscomité. Ik kan hier hoegenaamd niet mee instemmen, omdat het inroepen van overmacht met de nodige financiële gevolgen hier onbetwistbaar is. Ik zal U dan ook nogmaals een overzicht geven van de duidelijke financiële gevolgen van het herhaaldelijk falen van diverse overheden voor onze instelling, waardoor het voor onze kleine instelling onmogelijk was om onze bijdragen tijdig te betalen.
- Ik verwijs vooreerst naar bijlage 1 van onze brief dd 27/12/98, meer bepaald naar de fouten vanwege het RIZIV. Deze fouten zijn onbetwistbaar en bevestigd door een nota bene verstekvonnis van de Arbeidsrechtbank (cfr. bijlage brief dd. 27/12/98). Door deze fout was onze instelling niet in de mogelijkheid om de facturatie naar de mutualiteiten te verzenden op 1/10/
- Dit bracht met zich mee dat er op 1/10/97 een werkelijk tegoed van 2.118.668 BEF niet kon worden gefactureerd. Dit kon pas totaal geregulariseerd worden na uitspraak door de Arbeidsrechtbank op 23/10/1998, zijnde reeds in het vierde kwartaal 1998 !!! (bewijsstukken in addendum van brief dd. 27/12/98). Aangezien het totaal verschuldigd factuurbedrag niet kon worden opgevraagd konden bijgevolg ook niet de 50% voorschotten worden opgevraagd voor het daaropvolgend kwartaal, in dit geval dus ca. 1.050.000 BEF. Het totaal tekort door deze ene fout vanwege een hogere overheid, in casu het RIZIV kostte ons dus eind l997 tot bijna einde 1998 een tekort op onze rekening courant van meer dan 3 miljoen BEF !!! Ook nu nog heeft dit financiële gevolgen op onze rekening courant door de ingewikkelde tarificatie met o.m. de betaling van voorschotten. De schuld die het RIZIV (dus toch een overheidsinstelling) hier draagt is onmiskenbaar en gerechtelijk bevestigd. Deze fout vanwege het RIZlV is ons volledig vreemd, en redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk en financieel onoverkomelijk. De financiële gevolgen zijn duidelijk bewezen waardoor het ons onmogelijk was om onze verplichtingen na te komen binnen de wettelijk gestelde termijn. Men kan ons geen enkele fout toekennen in de foutieve berekening van onze forfaits door het RIZIV, waardoor volledige facturatie naar mutualiteiten niet eens mogelijk was! In casu is het dus hier meer dan duidelijk dat de onbetwistbare fouten door een overheidsdienst, met name het RIZIV, het de V.Z.W. GERZOVIL volstrekt onmogelijk maakte(n) om de verschuldigde bijdragen tijdig te betalen. Alle elementen van overmacht bepaald door de wetgever zijn hier dus voorhanden.
- In tweede instantie beging ook het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een overduidelijke fout bij de toekenning van onze R.V.T.- bedden. Alle elementen van deze fout vindt men omstandig terug in het schrijven dd. 27/12/
- Ook hier is de minimale financiële last op onze R.C. 878.920 BEF lopende voor een deel van dit bedrag vanaf 1/4/98 !! VII-20.410-4/11 De fout van de Overheid is ook hier duidelijk bewezen, door de inwilliging van ons bezwaarschrift ter zake. Onze instelling was blijkbaar bij de 8 instellingen waar er fouten werden gemaakt. De procedure voor het behandelen van deze bezwaarschriften liep oeverloos vertraging op weeral bij de hogere overheid. De ministerraad neemt hier openlijk de schuld op zich. Ook deze gebeurtenis was dan ook redelijkerwijze niet te voorzien. De financiële gevolgen kwamen bovenop de financiële gevolgen van de hierboven beschreven fout vanwege het RIZIV, waardoor onze instelling nogmaals werd belast. Hierdoor was het totaal onmogelijk om onze verplichtingen na te komen. Ook in dit dossier treft ons geen enkele schuld ! Overmacht is hier dus ook zeer duidelijk.
- Verder is er uiteindelijk nogmaals een fout vanwege het RIZIV, bij de berekening van onze forfaits ditmaal voor het derde kwartaal
- Ook hier is de schuld van de overheid onmiskenbaar, doch een uitspraak van de Arbeidsrechtbank is er na inleiding op 21/10/98 nog steeds niet. De initiële financiële implicatie bedraagt 1.186.524 BEF in onmiddellijke facturatie voor het derde kwartaal 1998, en afgerond ca. 600.000 BEF in voorschotten op het vierde kwartaal
- Dit weeral ten laste van onze R.C. Onze instelling is echter steeds van maximaal goede wil en komt haar verplichtingen na in zoverre dit redelijkerwijze en menselijk mogelijk is. De betalingen van het tweede en derde kwartaal 1998 werden dus niet uitgevoerd, doch men startte uit eigen initiatief met een afbetaling van deze uitstaande bijdragen, vanaf begin
- Het afbetalingplan werd U trouwens voorgelegd. Per 15/06/99 zullen aldus alle normaal verschuldigde bijdragen van het tweede kwartaal 1998 betaald zijn. Het tweede halfjaar zal besteed worden aan de terugbetaling van de uitstaande bijdragen voor het derde kwartaal
- Per 31/12/99 zullen aldus alle R.S.Z.-schulden vereffend zijn, met uitzondering van de m.i. onterechte geëiste intresten en bijdrage-opslagen. Deze worden immers formeel betwist. Dit ondanks het feit dat heden nog steeds niet alle bedragen zijn gerecupereerd tengevolge de fouten van de hogere overheden. Besluit : Al deze gegevens zijn afzonderlijk reeds m.i een duidelijk geval van overmacht. Indien men echter de 3 beschreven rechtstreekse fouten van de overheid op deze korte periode samenneemt, dan is dit zeker meer dan overmacht. De financiële implicaties zijn hierboven duidelijk omschreven en bewezen. Deze gebeurtenissen op zich en zeker gebundeld waren redelijkerwijze absoluut niet te voorzien en menselijk zeker onoverkomelijk. In al deze gebeurtenissen treft onze V.Z.W. geen enkele schuld, wel integendeel wij hebben ons met alle vaak kostelijke juridische middelen moeten verweren tegen deze gevallen van overmacht, en ons gelijk bewezen. Het is voor mij dan ook zeer duidelijk dat de intresten en bijdrageopslagen moeten worden kwijtgescholden, conform de wet. Dit dossier is m.i. uitermate volledig en overweldigend bezwarend voor de hogere overheid M.i. moet dit voorgelegd worden aan Uw beheerscomité. Ik blijf ten allen tijde beschikbaar om ter plaatse desnoods de nodige toelichtingen te geven In het licht van de recente politieke gebeurtenissen waar o.a. pluimveekwekers hun waar niet meer kunnen verkopen, door toch fouten vanwege de overheid met aftreden van twee ministers tot gevolg, waar VII-20.410-5/11 Minister Van Rompuy ook aankondigt dat deze bedrijven ook uitstel krijgen van betaling van o.a. RSZ-bijdragen, is het niet meer dan eerlijk dat ook onze instelling slechts verkrijgt waar ze wettelijk recht op heeft ! De fouten vanwege de overheid zijn hier immers zeer omstandig bewezen. Wij zijn hoedanook vastberaden en overtuigd van ons gelijk, en zullen alle wettelijke middelen gebruiken om dit te bewijzen. Dit gaat ons echter bijkomend op kosten jagen, doch de uitkomst staat voor ons vast. Ik hoop dan ook stellig dat Uw diensten zullen inzien dat onze vereniging volstrekt ter goede trouw is, doch niet bestand tegen zoveel overmacht. Ik hoop dan ook dat U daaruit de nodige beslissingen bij Uw beheerscomité forceert". 1.
- Met een brief van 23 juni 1999 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij de ontvangst van haar schrijven mee en laat zij weten dat haar verzoek aan haar beheerscomité zal worden voorgelegd. 1.
- In een niet gedateerd advies ten behoeve van het beheerscomité van de R.S.Z. besluit de administratie dat overmacht niet kan worden weerhouden aangezien niet werd aangetoond dat de verzoekende partij zich in de totale onmogelijkheid bevond om de verschuldigde bijdragen tijdig te vereffenen. 1.
- Op 29 oktober 1999 vergadert het beheerscomité van de R.S.Z. over de kwestie. Het uittreksel van de notulen van de desbetreffende vergadering vermeldt o.m. : "Na beraadslaging beslist het beheerscomité dat de aangevoerde redenen, namelijk de moeilijkheden die verband houden met schuldvorderingen ten laste van ziekenfondsen niet het voorwerp uitmaken van overmacht die de gevraagde kwijtschelding rechtvaardigt. De verzoeker toont inderdaad niet aan dat hij zich in de volstrekte redelijkerwijs onoverkomelijke onmogelijkheid bevond om zijn verplichtingen binnen de wettelijke termijnen na te leven". 1.
- Met een brief van 24 november 1999 deelt de verzoekende partij aan de inningsdienst van de verwerende partij mee dat de achterstallige bijdragen m.b.t. het tweede en het derde kwartaal 1998 betaald zijn. 1.
- Met een brief van 7 december 1999 wordt de thans bestreden beslissing aan de verzoekende partij meegedeeld : VII-20.410-6/11 "Betreft : uw verzoek om volledige ontheffing van aangerekende bijdrageopslagen en intresten Geachte heer Voorzitter, Ingevolge uw verzoek deel ik u mede dat het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zaken de aanvraag tot volledige vrijstelling van de bijdrageopslagen en intresten tijdens zijn zitting van 29.10.1999 heeft onderzocht. Overeenkomstig de rechtsleer en rechtspraak terzake, verstaat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid onder overmacht het overkomen van een gebeurtenis die volledig vreemd is aan de persoon van de schuldenaar en onafhankelijk van zijn wil, redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk onoverkomelijk, en die het hem volstrekt onmogelijk maakt zijn verplichting binnen de opgelegde termijn na te komen; bovendien mag de schuldenaar zich geen enkele fout te verwijten hebben in de gebeurtenissen, die het overkomen van die vreemde oorzaak zijn voorafgegaan, hebben voorbereid of vergezeld. Het beheerscomité oordeelde dat, aangezien niet werd aangetoond dat de VZW ingevolge de aangevoerde feiten in de totale onmogelijkheid verkeerde om de verschuldigde bijdragen tijdig te vereffenen, op grond van huidig verzoekschrift de overmacht niet kan worden weerhouden. Er wordt dan ook geen toepassing gemaakt van de beschikkingen van artikel 55, § 1, lid 3 van het koninklijk besluit van 28 november 1969". 1.10 Als antwoord op de eerder vermelde brief van 24 november 1999 van de verzoekende partij deelt de verwerende partij in een schrijven van 1 maart 2000 mee dat aan de verzoekende partij op basis van artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, een gedeeltelijke ontheffing werd verleend van de aangerekende bijdrageopslagen voor het tweede kwartaal 1998, voor de eerste wijziging betreffende het tweede kwartaal 1998 en voor het derde kwartaal 1998;
- Ontvankelijkheid van het beroep Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting afstand doet van haar excepties met betrekking tot de onbevoegdheid van de Raad van State en met betrekking tot de procesbekwaamheid van de verzoekende partij; VII-20.410-7/11
- Gegrondheid van het beroep 3.
- Standpunten van de partijen 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift onder de hoofding "commentaar bij de stukken van het dossier", als enig middel, kort samengevat, stelt dat zij haar bijdragen voor het tweede en derde kwartaal niet tijdig kon betalen door het herhaaldelijk falen van verschillende overheidsdiensten en dat dit nooit door de verwerende partij is betwist, hetgeen blijkt uit stukken van het administratief dossier; dat zij er aan toevoegt dat de redenering van de verwerende partij fundamenteel fout is, nu het probleem niet zit in de vorderingen op de mutualiteiten, maar in de onmogelijkheid om facturen en dus vorderingen op te stellen tegenover mutualiteiten door diverse, duidelijk bewezen fouten van hogere overheden, dat het die overheden zijn die attesten ter beschikking moeten stellen, dat de vooropgestelde bedragen door een fout van het R.I.Z.I.V. veel te laag waren, waardoor geen correcte vorderingen voor de mutualiteiten konden worden opgemaakt, dat deze forfaitaire bedragen later door de arbeidsrechtbank werden gecorrigeerd, waarna pas de correcte vorderingen konden worden opgesteld, dat er in afwachting hiervan een belangrijke inkomstenderving van ettelijke miljoenen was en dat in twee andere dossiers van bewezen fouten van de hogere overheid, nl. van de Vlaamse gemeenschap en, nogmaals, van het R.I.Z.I.V., hetzelfde principe geldt; Overwegende dat de verzoekende partij verder betoogt dat de administratie fout is waar zij stelt dat verzoekende partij niet aantoont dat zij zich in de volstrekte redelijkerwijze onoverkomelijke onmogelijkheid bevond om haar verplichtingen binnen de wettelijke termijn na te leven, aangezien aldus duidelijk wordt omschreven dat de instelling door fouten van overheden geen correcte schuldvorderingen kon opmaken, dat financiële instellingen consequent weigeren om mogelijke fictieve vorderingen te prefinancieren, en meestal de vonnissen van de rechtbanken afwachten, terwijl de instelling ondertussen wel al haar verplichtingen moet nakomen, dat de cash-flow van kleine instellingen onder druk komt bij een inkomstenderving van ettelijke miljoenen, dat kleine instellingen niet over de "financiële privé-ruimte" beschikken om zulke onverwachte, onterechte, niet te voorziene inkomstenderving op te vangen, wat ?het voldoende bewijs is dat de instelling onmogelijk al haar verplichtingen kon nakomen”; VII-20.410-8/11 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst opwerpt dat het middel niet duidelijk is uiteengezet; dat zij vervolgt dat de verzoekende partij haar eigen grieven citeert uit de motivering van het advies van haar administratie, doch dat de verwerende partij zich die argumentatie op geen enkel ogenblik heeft eigen gemaakt, dat de verzoekende partij dan wel mag aantonen dat de ziekenfondsen slechte betalers zijn, maar zulks nog niet betekent dat zij haar bijdragen aan de verwerende partij niet kan voldoen, dat de verzoekende partij kan worden geacht over voldoende liquide middelen te beschikken om haar wettelijke verplichtingen na te leven, dat slechte ervaringen uit het verleden een en ander voorzienbaar hebben gemaakt en dat er geen sprake is van overmacht; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat de argumentatie in haar verzoekschriften, welke werd overgenomen in de samenvatting voor het beheerscomité, gefundeerd was op een vonnis van de arbeidsrechtbank, op correcties en toegevingen van fouten door het R.I.Z.I.V., op duidelijk toegegeven fouten van de ministerraad en op de bevestiging van dit alles in de vakliteratuur, dat de verwerende partij, in een poging om de Raad van State te misleiden, haar houding tracht te motiveren door steeds te verwijzen naar schuldvorderingen ten laste van de ziekenfondsen, welk verweer niet ernstig is te noemen vermits het terzake niet gaat om schuldvorderingen lastens ziekenfondsen maar om de onmogelijkheid om deze schuldvorderingen, dit wil zeggen de facturen, op te stellen ten gevolge van herhaald, direct en duidelijk bewezen foutieve handelingen van diverse overheden die alles samen absoluut niet te voorzien waren en dat zulke onvoorzienigheden door een v.z.w. niet met liquide middelen kunnen worden opgevangen; dat zij als volgt besluit : "Overwegende dat als besluit het er dus op neerkomt dat de instelling van de verzoekende partij door fouten van hogere overheden in de totale onmogelijkheid was om correcte facturen op te stellen, zodat ook een mogelijke prefinanciering, privaat of via een financiële instelling totaal niet mogelijk was. Overwegende dat ingevolge deze onloochenbare en feitelijke gegevens de instelling van appellante onmogelijk haar RSZ verplichtingen tijdig kon nakomen. Overwegende dat terzake dan ook alle elementen van overmacht ontegensprekelijk aanwezig zijn"; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie niets wezenlijks toevoegt aan het debat; VII-20.410-9/11 3.
- Bespreking Overwegende dat artikel 55, §1, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, m.b.t. tot de Rijksdienst voor sociale zekerheid, ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalde wat volgt : "Hij mag afzien van de betaling van de burgerlijke sancties, bedoeld bij de voorgaande leden, wanneer de werkgever aantoont dat hij, wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de gestelde termijnen"; Overwegende dat de verwerende partij in de bestreden beslissing, in de lijn van de leer van o.m. ‘s Raads arrest inzake de v.z.w. Koninklijk instituut Spermalie, nr. 35.062, van 7 juni 1990, een correcte definitie geeft van het begrip “overmacht”; Overwegende dat de verzoekende partij met het betoog in haar verschillende procedurestukken niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat zij, tijdens de administratieve procedure, niet heeft aangetoond, aan de hand van haar concrete financiële situatie, dat het haar, door de aangehaalde feiten, volstrekt onmogelijk was haar verplichtingen jegens de verwerende partij tijdig na te komen; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-20.410-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig september tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.410-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.584 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.