← België

Arrest 162670 - - 25/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.670 Rolnummer: A. 170120/XIV-24719 Zaak: Arrest 162670 - - 25/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-10 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 04:51 Fiche Arrest nr 162.670 van 25 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.670 van 25 september 2006 in de zaak A. 170.120/XIV-24.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VAN DEN EECKHOUT, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 340 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 10 februari 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 november 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 februari 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; XIV-24.719-1/5 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VAN DEN EECKHOUT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Schending van het algemeen beginsel van de rechten van verdediging en het behoorlijk bestuur en overtreding van een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en overtreding van artikel 14 § 1 van de wet van 12 januari 1973, artikel 52, §1, lid 7 en artikel 57/11, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet van 29 juni 1991 Doordat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen in haar beslissing heeft gesteld dat het beroep onontvankelijk is daar het verzoekschrift laattijdig zou zijn neergelegd; Terwijl, overeenkomstig de bepalingen van artikel 57/11, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 stelt dat het bij de Vaste beroepscommissie voor vluchtelingen moet worden ingediend binnen 15 dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht; Overwegende dat verzoeker bij schrijven van 6 oktober 2005 werd medegedeeld dat zijn beroep zou worden behandeld op de zitting van 18 november 2005 om 10 uur 30; Dat zijn raadsman samen met verzoeker zelf ter zitting aanwezig waren waar de rechter mede deelde dat het verzoekschrift laattijdig zou zijn neergelegd. Dat het verzoekschrift op 11 april 2005 werd neergelegd op de griffie van de Vaste Beroepscommissie; Dat de begeleidende brief bij de beslissing van de Vaste Beroepscommissie de beslissing aan de datum van 23 maart 2005 droeg; Dat hoewel op de poststempel op de enveloppe van de brief met de beslissing van de Vaste Beroepscommissie 24 maart 2005 staat, dit evenwel niet de datum is waarop de brief werd gepresenteerd door de postbode aan verzoeker; Dat de postbode, zonder te verifiëren of verzoeker thuis was op dat moment, op 24 maart een bericht van aanbieding in de brievenbus werd gedropt; Dat dergelijke manier van optreden door een postbode geen geïsoleerd geval is maar dat vermoedelijk gelet op de tijdsdruk die actueel op de postbode weegt, het in de praktijk steeds vaker voor komt dat hij ingeval hij een aangetekende zending moet bezorgen aan een persoon die in een appartementsgebouw woont of in een woning waar verschillende personen verblijven, in het bijzonder vreemdelingen die geen afzonderlijke bel hebben, onmiddellijk en dus zonder na te gaan of de geadresseerde aanwezig is, een bericht van aanbieding in de bus achterlaat; Dat verzoeker daags nadien met het bericht van aanbieding zich aanbood op het postkantoor te Charleroi en op die manier kennis kon nemen van de beslissing van het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatslozen; Dat dit scenario zich in casu heeft voorgedaan, hetgeen logischerwijze impliceert dat het voor verzoeker absoluut onmogelijk was kennis te nemen van de beslissing op de dag dat de postbode zich heeft aangeboden, zijnde 24 maart 2005; Dat hij zich slechts ten vroegste de volgende dag, zijnde 25 maart 2005 naar het postkantoor mocht en kon begeven, - op de dag van het achterlaten van een bericht van XIV-24.719-2/5 aanbieding is het de geadresseerde niet toegelaten de brief op het postkantoor achter te laten -, hetgeen hij ook onmiddellijk heeft gedaan, om al daar voor het eerst kennis te nemen van de beslissing van het Commissariaat-Generaal; Dat bijgevolg de laatste dag van de beroepstermijn maandag 11 april 2005 bedroeg en niet dinsdag 8 april 2005 zoals verkeerdelijk in de beslissing van de Vaste Beroepscommissie werd gesteld; Overwegende echter dat de ratio achter de regeling in artikel 57/11 Vreemdelingenwet namelijk is dat de termijn begint te lopen vanaf het moment van de kennisgeving, zijnde het moment waarop de geadresseerde de mogelijkheid heeft gehad kennis te nemen van de beslissing; Dat in casu aan verzoeker slechts op 25 maart 2005 de mogelijkheid werd geboden kennis te nemen van de beslissing daar de postbode zonder enig aanbellen het bericht van aanbieding in de brievenbus heeft gedropt en op die manier er voor gezorgd heeft dat verzoeker in de onmogelijkheid was om op diezelfde dag nog kennis te nemen van de beslissing; Overwegende dat enerzijds de rechtspraak van de Raad van State stelt dat de duur van de beroepstermijn niet mag wisselen naargelang de ijver waarmee de betrokkenen de aangetekende zending op het postkantoor gaan afhalen; Dat anderzijds het Arbitragehof in haar vonnis dd. 17 december 2003 170/2003 (AR. 2566) stelt dat het redelijk verantwoord is dat de wetgever, om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelswijze van de partijen; Overwegende dat de motiveringsplicht inhoudt dat de administratieve beslissing zowel formeel als materieel correct gemotiveerd dient te worden en dat dit ondermeer inhoudt dat in de motivering geen tegenstrijdigheden aanwezig mogen zijn; Dat evenwel de bestreden beslissing om bovenvermelde redenen niet voldoet aan deze motiveringsplicht; Dat, ingevolge deze tegenstrijdigheden in de motivering, de bestreden beslissing niet voldoet aan de hierboven vermelde bepaling van de motiveringswet;”; 1.
  4. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat het cassatiemiddel voorts uitdrukkelijk is afgeleid uit de schending van “het algemeen beginsel van (...) het behoorlijk bestuur”; dat beginselen van behoorlijk “bestuur”, zoals uit de benaming ervan alleen reeds blijkt, gericht zijn tot het “bestuur”; dat het middel niet aangeeft hoe de bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is en de zaak volledig opnieuw beoordeelt, dit beginsel kan hebben geschonden; dat artikel 52, § 1, 7/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) toelaat een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling onontvankelijk te verklaren wanneer ze kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; dat verzoeker er ten onrechte van uitgaat dat zijn aanvraag met toepassing van deze bepaling kennelijk ongegrond werd verklaard; dat zijn aanvraag door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ontvankelijk werd verklaard; dat de thans bestreden beslissing, die weliswaar tot de onontvankelijkheid van het beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen besluit, desalniettemin werd genomen tijdens het XIV-24.719-3/5 onderzoek naar de gegrondheid van deze aanvraag; dat verzoeker tevergeefs aanvoert dat hij de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 25 maart 2005 ter post is gaan afhalen; dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 57/11, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet immers niet geschiedt op het ogenblik dat men van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen effectief kennis neemt, doch wel -zoals de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de bestreden beslissing terecht opmerkt- op het ogenblik dat de zending met die beslissing op de gekozen woonplaats wordt aangeboden, wat bij afwezigheid gepaard gaat met het achterlaten in de brievenbus van een bericht van aanbieding; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook terecht kon vaststellen “dat gelet op de aanbieding op 24 maart 2005 (dies a quo) de laatste dag van de beroepstermijn dinsdag (lees: vrijdag) 8 april 2005 (dies ad quem) is” en “het op 11 april 2005 ingediende beroep laattijdig is”; dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk, niet gegrond is;
  5. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-24.719-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig september tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-24.719-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.670 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.