id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.676 Rolnummer: A. 128645/XIV-12342 Zaak: Arrest 162676 - - 25/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-10 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 04:51 Fiche Arrest nr 162.676 van 25 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.676 van 25 september 2006 in de zaak A. 128.645/XIV-12.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. GROUWELS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Lacomblélaan 59-61, bus 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 17 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 augustus 2002 waarbij de beslissing tot regularisatie van 30 juli 2002 wordt ingetrokken en waarbij hij wordt uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 138.925 van 5 januari 2005 waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-12.342-1/12 Gelet op de beschikking van 5 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. SOUDANT die, loco Advocaat M. GROUWELS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Pakistaanse nationaliteit, heeft op 26 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 1/ en 2, 4/. 1.
- Het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor Regularisatie heeft op 4 mei 2001 een gunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker en de aanvraag voor beslissing aan de Minister van Binnenlandse Zaken overgemaakt. 1.
- De Minister van Binnenlandse Zaken heeft op 30 juli 2002 het gunstig advies van het onderzoekssecretariaat gevolgd en aan verzoeker de regularisatie verleend. 1.
- Op 12 augustus 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing van 30 juli 2002 ingetrokken en verzoeker uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Deze beslissing bevat de volgende overwegingen: XIV-12.342-2/12 “(...) Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, inzonderheid de artikelen 5 en 14; Gelet op het artikel 8 van het Europese Verdrag ter Vrijwaring van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden; Gelet op de aanvraag tot regularisatie ingediend op 26 januari 2000 door de zich noemende XXX, geboren te Rwawacakot in 1961 van Pakistaanse nationaliteit; Overwegende dat voor deze aanvraag de criteria 1 en 4 werden aangevoerd; Overwegende dat betrokkene zich vluchteling verklaarde op 10.08.1995 en de Vaste Beroepscommissie hem op 11.10.1999 definitief de hoedanigheid van vluchteling weigerde, beslissing hem betekend op 19.11.
- Overwegende dat betrokkene, volgens een verslag van de Veiligheid van de Staat, lid is van de fundamentalistische islamitische groepering Khatme Nubuwat, waarvan het speerpunt van de ideologie van deze internationaal sterk uitgebouwde groepering de strijd is tegen de Ahmmadiyya-sekte die Mohammed niet als laatste profeet erkend; Overwegende dat deze organisatie in Pakistaan als radicaal en gewelddadig geboekstaafd staat; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid; BESLIST: 1) de beslissing tot regularisatie van 30.07.2002 van de zich noemende XXX, geboren in 1961 te Rawacakot van Pakistaanse nationaliteit, is ingetrokken; 2) XXX, geboren in 1961 te Rawacakot van Pakistaanse nationaliteit is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk.”. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
- Op 19 september 2002 ontvangt verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing. 2.Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “4.1 Eerste Middel: Inbreuk op de arts. 20 en 64 van de Wet van 15 december 1980, de arts. 5 en 12§4 van de wet van 22 december 1999 en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en het recht op verdediging en art. 6 EVRM Eerste onderdeel: Inbreuk op de arts. 20 en 64 van de Wet van 15 december 1980 en de arts. 5 en 12§4 van de wet van 22 december 1999
- Op 30 juli 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing om het verblijf van verzoeker te regulariseren op basis van de wet van 22 december 1999 tot regularisering van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen. De Minister gaf verzoeker dan ook de machtiging om, conform artikel 13 van de wet van 15 december 1980, voor onbeperkte tijd in het grondgebied te verblijven. Deze beslissing werd per post overgemaakt aan verzoeker en is dan ook definitief.
- Het overmaken van deze beslissing aan verzoeker maakt een einde aan de procedure die werd ingesteld door de wet van 22 december
- XIV-12.342-3/12 Dit betekent dat, indien de Minister zou menen dat verzoeker inderdaad een gevaar zou uitmaken voor de openbare orde (quod non), de procedure dient gevolgd te worden die wordt voorzien door de wet van 15 december 1980 en meer bepaald in art. 20 van deze wet. Dit artikel voorziet de mogelijkheid voor de Minister om de vreemdeling, die niet gevestigd is in het Rijk, terug te wijzen wanneer deze de openbare orde of de veiligheid van het land heeft geschaad of de aan zijn verblijf gestelde voorwaarden zoals die door de wet zijn vastgesteld, niet heeft nageleefd. Dit terugwijzingsbesluit mag enkel gegrond zijn op het persoonlijk gedrag van de vreemdeling en er mag hem geen verwijt worden gemaakt van het rechtmatig gebruik dat hij heeft gemaakt van de vrijheid van meningsuiting of van deze van vreedzame vergadering of van vereniging.
- Belangrijk wat betreft het recht van verdediging is dat de wet van 15 december 1980 voorziet in haar artikel 64 dat de vreemdeling, binnen de 8 werkdagen, een verzoek tot herziening kan indienen tegen deze beslissing. Dit verzoek tot herziening verplicht de Minister om het advies in te winnen van de Commissie van Advies voor vreemdelingen (art. 66) en houdt tevens de garantie in voor de vreemdeling dat er, tijdens het onderzoek van het verzoek, geen maatregel tot verwijdering tegen hem wordt genomen.
- In casu is het duidelijk dat de Minister geen beslissing tot uitwijzing heeft genomen, maar enkel een beslissing tot uitsluiting van het voordeel van de wet van 22 december 1999 op een moment dat dit wettelijk gezien niet meer mogelijk was. Het besluit tot intrekking van de regularisatie van 30 juli 2002 is niet genomen conform de wet van 22 december 1999, aangezien deze wet de mogelijkheid tot intrekking niet heeft ingebouwd. De wet van 22 december 1999 voorziet enkel een mogelijkheid tot uitsluiting, wat enkel kan zolang er nog geen definitieve beslissing genomen is. Dit wordt ook duidelijk gemaakt in de voorbereidende werken van deze wet: "Art. 5: dit artikel biedt aan de Minister de mogelijkheid om op elk ogenblik in de procedure een aanvrager uit te sluiten van het voordeel van deze wet indien hij een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid". (Artikelsgewijze bespreking, doc 20 0234/001) Tweede onderdeel: miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en het recht op verdediging en art. 6 EVRM en art. 12§4 van de wet van 22 december 1999
- Indien de Raad van State zou menen dat de Minister conform de mogelijkheden van art. 5 van de wet van 22 december 1999 besloten heeft om de beslissing tot regularisatie van 30 juli 2002 in te trekken (quod non), dan nog blijft gelden dat de Minister verzoeker op geen enkel moment de mogelijkheid geboden heeft zijn standpunt kenbaar te maken omtrent het gemeende gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Nochtans voorziet art. 12§4 van de wet van 22 december 1999 in de verplichting voor de Minister om, indien hij geen rekening wenst te houden met het positieve advies van het onderzoekssecretariaat, een kamer van de Commissie voor Regularisatie te vatten. Het vatten van een Kamer van de Commissie voor Regularisatie ontneemt de Minister geenszins van de bevoegdheid tot appreciatie waarover hij beschikt in het kader van materies die de staatsveiligheid en de openbare orde aanbelangen. In casu werd er geen Kamer gevat.
- Daarnaast zijn ook het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en het recht op verdediging en art. 6 EVRM van toepassing. Uit deze bepalingen volgt dat verzoeker minstens de kans had moeten krijgen zijn standpunt kenbaar te maken of minstens een volwaardig beroep in te stellen.
- Het feit dat de overheid erkent dat het rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, het recht van verdediging en de bescherming van art 6 EVRM van toepassingen zijn in zaken die betrekking hebben op het recht op verblijf en een eventuele uitsluiting daarvan op basis XIV-12.342-4/12 van gevaar voor nationale veiligheid of openbare orde, blijkt uit de procedures die voorzien zijn in de arts. 20 en 64 van de wet van 15 december
- In deze gelijkaardige materies voorziet de wet wél in een beroepsmogelijkheid met schorsende werking en de verplichting tot inwinnen van advies en het horen van de betrokken vreemdeling.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Eerste middel "Inbreuk op artikelen 20 en 64 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 5 en 12 § 4 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, miskenning van het recht op verdediging en van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden." Eerste onderdeel: artikelen 20 en 64 van de wet van 15 december
- Verzoeker meent dat door de d.d. 30 juli 2002 conform artikel 13 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk gegeven machtiging, die aan verzoeker ter kennis kwam per post, de procedure in het kader van die wet beëindigd is en dat enkel nog toepassing kan gemaakt worden van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat verzoeker als gevolg van de beslissing van 30 juli 2002 nog niet in bezit werd gesteld van een verblijfsvergunning, met als gevolg dat die beslissing nog geen uitwerking heeft gekend. Het verblijf van verzoeker is nog even precair als het was ter gelegenheid van het verloop van de asielprocedure en van de regularisatieaanvraag. Artikel 20 voornoemd kan dienvolgens geen toepassing vinden en de minister heeft zijn bevoegdheid nog niet uitgeput. De aan de Minister van Binnenlandse Zaken gegeven bevoegdheid, zoals verwoord in artikel 5 van de regularisatiewet, heeft als doel de maatschappij te behoeden voor regularisaties die worden behandeld zonder dat alle gegevens van het administratief dossier en / of van de staatsveiligheid bekend zijn. Het gunstig advies van het onderzoekssecretariaat was het gevolg van de ‘mathematische’ toepassing van de regularisatiewet. De daaropvolgende ministeriële beslissing kan worden herleid tot een materiële misslag, veroorzaakt door de druk die weegt op de overheid om de regularisatieaanvragen in een record tempo af te handelen. De door de Minister van Binnenlandse Zaken bij toepassing van artikel 5 van de wet van 22 december 1999 gegeven beslissing is gekenmerkt door redelijkheid en is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen ter zake. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. Tweede onderdeel: Miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en het recht op verdediging en artikel 6 van het EVRM en artikel 12 § 4 van de wet van 4 december
- De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat het uitsluiten van het voordeel van de regularisatie bij toepassing van artikel 5, de toepassing van de regelgeving in het kader van artikel 2 uitsluit. De uitsluiting heeft immers tot gevolg dat de regularisatiewet niet van toepassing wordt op betrokkene. Het argument geput uit het ' recht op verdediging ' is evenmin ernstig: verzoeker wordt niet beschuldigd in het kader van een aanklacht doch wordt het voordeel ontzegd van een beslissing van het bestuur. Overwegende dat de rechten van verdediging in administratiefrechterlijke zaken enkel van toepassing zijn op tuchtzaken, doch niet op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de vreemdelingenwet; dat het middel in die mate onontvankelijk is. XIV-12.342-5/12 ( RVS 3.11.2003 inzake nr. 124.957) TVR 2004, p 270) Het eerste middel mist iedere grond.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert: “Eerste onderdeel Auditeur STERCK, hierin gevolgd door de Voorzitter bij de 14de Kamer van de Raad van State, verwijzend naar de theorie van de intrekking van administratieve aktes. Opdat de intrekking rechtsgeldig kan gebeuren moeten bepaalde voorwaarden vervuld zijn, namelijk
- De intrekking dient te gebeuren tijdens de termijn tot het instellen van een beroep in nietigverklaring bij de Raad van State
- De administratieve handeling moet dermate onregelmatig zijn dat ze als onbestaande moet worden beschouwd of de handeling moet tot stand gekomen zijn door bedrieglijke manoeuvres. In casu is slechts de eerste van deze twee voorwaarden vervuld, namelijk de intrekking gebeurde tijdens de beroepstermijn (binnen de dertig dagen). De tweede voorwaarde, namelijk bedrog of voor de hand liggende onregelmatigheid, is niet aanwezig: een geheim verslag van de staatsveiligheid, dat niet wordt bijgevoegd, dat slechts één zin bevat en dat boven alles volledig wordt betwist (zie initieel verzoekschrift p. 7 nr. 2 en p. 8 vanaf nr. 4, p. 9 en p. 10) beantwoordt niet aan deze tweede voorwaarde. Bijgevolg is tegenpartij ten onrechte tot intrekking overgegaan van de beslissing tot regularisatie van verzoeker en het afleveren van een BIVR voor onbepaalde duur. Hooguit had toepassing moeten worden gemaakt van artikel 20 van de Vreemdelingenwet hetgeen verzoeker de mogelijkheid zou gegeven hebben om, overeenkomstig artikel 64 van de Vreemdelingenwet een verzoek in herziening op te starten. Tweede onderdeel Ten onrechte stelt tegenpartij dat artikel 5 van de Wet van 22.12.1999 omtrent de regularisatie voorrang zou hebben ten opzichte van artikel 12 § 4 van diezelfde wet. Volgens artikel 5 kan de Minister de vreemdeling van de toepassing van de regularisatiewet uitsluiten als de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde zou betekenen. In casu echter was het dossier van verzoeker reeds volledig door het secretariaat van de regularisatiecommissie onderzocht met een "prima facie" gunstig advies. Artikel 12 § 4 van de wet van 22.12.1999 voorziet in die situatie dat, als de Minister van een gunstig advies van het secretariaat van de regularisatiecommissie wenst af te wijken, hij de aanvraag aan een kamer van de regularisatiecommissie moet overmaken. Artikel 12 § 4 voorziet uitdrukkelijk dat er dan, "na een procedure op tegenspraak" een nieuw advies wordt uitgebracht. De aanvraag wordt vervolgens opnieuw overgemaakt aan de Minister die dan een definitieve beslissing neemt. De bestreden beslissing miskent met andere woorden de bepalingen van artikel 12 § 4 van de regularisatiewet van 22 december 1999, en het erin vervat tegensprekelijkheidsprincipe.”; 2.1.4.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel meent dat door de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 juli 2002 tot regularisatie de procedure in het kader van de wet van 22 december 1999 is beëindigd en dat, indien de Minister van oordeel is dat hij een gevaar uitmaakt voor de openbare orde, de procedure voorzien in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) dient gevolgd te worden; dat verzoeker er ten onrechte van uit gaat dat op de beslissing van 30 juli 2002 niet meer kan worden teruggekomen; dat een administratieve handeling die een recht doet ontstaan kan worden ingetrokken door de administratieve overheid, indien zij XIV-12.342-6/12 onregelmatig is, slechts gedurende de termijn voorzien voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, of, wanneer tegen die beslissing een ontvankelijk annulatieberoep werd ingediend tot aan de sluiting der debatten, tenzij een uitdrukkelijke wetsbepaling die intrekking mogelijk maakt of het gaat om een rechtshandeling die door een zo voor de hand liggende onregelmatigheid is aangetast dat ze voor onbestaande moet worden gehouden, of nog, wanneer die handeling is uitgelokt door bedrog; dat in voorliggend geval de Minister van Binnenlandse Zaken de regularisatie op 30 juli 2002 aan verzoeker verleend en deze terug heeft ingetrokken op 12 augustus 2002, met andere woorden binnen de termijn om een annulatieberoep in te dienen; dat niet blijkt dat er sprake zou zijn van bedrog of van een voor de hand liggende onregelmatigheid indien de beslissing binnen de beroepstermijn wordt ingetrokken, zoals door verzoeker verkeerdelijk wordt beweerd in de memorie van wederantwoord; dat, tengevolge van de intrekking van de beslissing van 30 juli 2002 de regularisatie geacht wordt nooit aan verzoeker te zijn verleend zodat de Minister van Binnenlandse Zaken verzoeker wel degelijk kon uitsluiten van de toepassing van voornoemde wet van 22 december 1999; dat verzoeker zich bijgevolg niet nuttig kan beroepen op de schending van de artikelen 20 en 64 van de Vreemdelingenwet; 2.1.4.
- Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker de schending aanvoert van artikel 12, § 4 van de wet van 22 december 1999 doordat de Minister hem op geen enkel ogenblik de mogelijkheid heeft geboden zijn standpunt kenbaar te maken omtrent het vermeend gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid terwijl deze bepaling nochtans in de verplichting voorziet; dat de verwerende partij terecht betoogt dat het uitsluiten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 de regelgeving in het kader van artikel 2, meer in het bijzonder het onderzoek van de regularisatiecriteria door het onderzoekssecretariaat en de kamers van de Commissie voor regularisatie, en bijgevolg dus ook de toepassing van artikel 12, § 4, uitsluit; dat de rechten van verdediging en artikel 6 van het E.V.R.M. bovendien niet van toepassing zijn in administratieve procedures, zoals de onderhavige; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “4.2 Tweede Middel: Inbreuk op de arts. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve beslissingen, van art. 5 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisering van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, van het algemeen rechtsbeginsel dat de overheid verplicht rekening te houden met alle pertinente elementen in een dossier, van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en het vermoeden van onschuld Eerste onderdeel: De beslissing van de Minister is niet afdoende gemotiveerd en derhalve bestaat er een inbreuk op de arts. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve beslissingen, van art. 5 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisering van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, van het algemeen rechtsbeginsel dat de overheid verplicht rekening te houden met alle pertinente elementen in een dossier, van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en het vermoeden van onschuld
- XIV-12.342-7/12 De bestreden beslissing bestaat voornamelijk uit een verwijzing naar een verslag van de Veiligheid van de Staat. Dergelijke motivering kan enkel voldoende zijn indien dit stuk ofwel bij de beslissing is gevoegd als bijlage ofwel opgenomen is in de beslissing (Rvst. Nr. 53.788, Rec. Arr.Rvst. 1995,179). In casu is het verslag van de Veiligheid van de Staat niet bijgevoegd als bijlage, maar wordt enkel zeer bondig het voorwerp van dit verslag overgenomen. Deze bondige samenvatting leidt in casu niet tot een afdoende motivering.
- Enerzijds blijkt uit de beslissing enkel dat verzoeker lid zou zijn van een groepering Khatme Nubuwat, dat deze organisatie strijdt tegen de beginselen van de Achmadiyya- sekte en dat deze groepering in Pakistan als radicaal en gewelddadig geboekstaafd staat. Anderzijds blijkt uit de bestreden beslissing niet waarop de Minister en de Veiligheid van de Staat zich steunen om te stellen dat verzoeker lid zou zijn van deze organisatie (verzoeker ontkent dit ten stelligste, zie infra) en in welke mate deze groepering in België (en dus niet enkel in Pakistan) een gevaar zou betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Uit de bestreden beslissing blijkt enkel dat de organisatie in Pakistan bekend staat als radicaal en gewelddadig. Er wordt niets vermeld over de activiteiten van deze organisatie in België.
- De Minister kan zich voor dit gebrek aan motivering niet beroepen op de uitzonderingen voorzien in art. 4 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen, nl. de uitwendige veiligheid van de staat en de openbare orde, aangezien hij hiernaar niet verwezen heeft in de bestreden beslissing zelf. Telkens een overheid afziet van de verplichting tot formele motivering, moet zij dit immers vermelden in deze beslissing (zie o.a. Rvst. Nr. 54.282, 4 juli 1995). In casu heeft de Minister niet vermeld waarom het verslag van de Veiligheid van de Staat niet in extenso werd bijgevoegd.
- Belangrijk toe te voegen is dat verzoeker ook achteraf niet de mogelijkheid heeft gekregen om het verslag van de Staatsveiligheid in te zien, zodat hij zich momenteel niet op afdoende wijze kan verdedigen. Tweede Onderdeel: de Minister heeft geen rekening gehouden met alle elementen in het dossier en derhalve bestaat er een inbreuk op de arts. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve beslissingen, van art. 5 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisering van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, van het algemeen rechtsbeginsel dat de overheid verplicht rekening te houden met alle pertinente elementen in een dossier, van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en het vermoeden van onschuld
- De Minister heeft geen rekening gehouden met alle elementen uit het dossier van verzoeker. Uit dit dossier blijkt immers dat verzoeker bijzonder goed geïntegreerd was en hij bijgevolg in aanmerking kwam voor regularisering op basis van zowel art. 1 (humanitaire omstandigheden) als 4 (langdurige asielprocedure) van de wet van 22 december
- De bestreden beslissing toont niet aan dat de Minister deze elementen in overweging heeft genomen.
- Zoals gezegd verblijft verzoeker in België sinds 1995 en heeft hij in die periode zijn leven uitgebouwd hier in België. Van zodra het wettelijk mogelijk was voor hem heeft verzoeker gewerkt en heeft hij allerlei cursussen gevolgd, om zich nog beter te kunnen aanpassen in de maatschappij. Deze cursussen waren zeer divers, en beslaan zowel de Nederlandse taal als professionele bijscholing. Bovendien heeft verzoeker verscheidene stukken neergelegd waaruit blijkt dat hij een zeer goede relatie heeft opgebouwd met Belgen of in België wettelijk verblijvende vreemdelingen. Verder doet verzoeker ook al het mogelijke om zich te kunnen vestigen als zelfstandige. XIV-12.342-8/12
- Daarnaast kan verzoeker verscheidene andere stukken neerleggen waaruit deze integratie blijkt. Deze stukken zijn belangrijk aangezien ze afkomstig zijn van zijn sociaal assistente en vroegere werkgevers, die zelfs na al die jaren bereid bleken nog steeds een goed woordje voor verzoeker te willen zeggen. Hoewel dit nieuwe stukken zijn, is er geen reden om daar nu geen rekening mee te houden. Hiervoor heeft verzoeker immers geen kans gehad om te kunnen antwoorden op het verwijt dat hem wordt gemaakt.
- Bovendien kan verzoeker andere stukken neerleggen waaruit blijkt dat de Minister ten onrechte geoordeeld heeft dat hij deel uitmaakt van de organisatie Khatme Nubuwat, of minstens dat zijn bezoek aan de Khatme Nubuwat moskee niet ipso facto betekent dat hij de ideeën van deze organisatie aanhangt. Verzoeker ontkent niet dat hij deze moskee bezoekt, wel dat hij de ideeën van deze groepering aanhangt. De reden dat hij deze moskee bezoekt is dat er Urdu, de taal van verzoeker, wordt gesproken. Zo bezoekt verzoeker ook andere Pakistaanse moskee, nl. het 'Centre Islamique Pakistan' te 1080 Brussel (zie stukken 16 en 17) waar Urdu eveneens de voertaal is (in tegenstelling tot de andere moskees waar Turks of Arabisch wordt gesproken). De heer Chaudhary Khalil, secretaris van de organisatie, bevestigt dat verzoeker nooit enige verantwoordelijkheid heeft opgenomen in het centrum, dat hij enkel naar de moskee komt om te bidden en nooit actief betrokken is geweest bij hun activiteiten. Hij verwijst bovendien uitdrukkelijk naar het feit dat vele andere Pakistani en Kahmiri specifiek naar deze moskee komen (zie stuk 16). Ook de heer Waseem Akhtar, voorzitter van het 'Centre Islamique Paksitan", bevestigt dat verzoeker een zeer goede reputatie heeft en dat hij geenszins betrokken is bij enige activiteiten die gericht zijn tegen een bepaalde religie of kaste.(zie stuk 17).
- Uit de stukken 19-23 blijkt dat zowel vrienden en kennissen, als vroegere werkgevers als zijn sociaal assistente getuigen over de integriteit van verzoeker en dat zij nooit iets hebben gemerkt van enige fundamentalisme bij verzoeker.
- Verzoeker kan bovendien verscheidene namen opsommen van personen met een verantwoordelijkheidsfunctie binnen het 'Khatme Nubuwwat Center" die de Belgische nationaliteit hebben verkregen of een machtiging tot verblijf. Verzoeker somt bovendien met naam en toenaam andere bezoekers van deze moskee op, die eveneens geregulariseerd zijn op basis van de wet van 22 december 1999 (zie stuk 18). Uit stuk 15 blijkt tenslotte dat het 'Khatme Nubuwwat Center' destijds aan vele vreemdelingen attesten heeft gegeven die moeten aantonen dat zij regelmatig komen bidden in de moskee.
- Rekening houdende met al deze elementen kan enkel worden geoordeeld dat de interpretatie van de feiten zoals gedaan door de Minister, niet deze is die zou gedaan zijn door een redelijk denkend persoon.
- De inhoud van de begrippen 'openbare orde' en 'nationale veiligheid' werden niet bepaald door de wet, zodat de Minister over een mogelijkheid tot appreciatie beschikt. Dit betekent echter evenzeer dat de Minister zijn beslissing moet motiveren en duidelijk moet motiveren op welke feiten hij zich baseert. Deze feiten moeten voldoende precies zijn zodat de betrokken partij alsook de Raad van State ze kan beoordelen en er ook de ernst van kan nagaan (voor een gelijkaardige motivering, zie Rb.Brussel, 12e Kamer, 16 januari 2002 - stuk 27). In casu wordt er aan verzoeker geen enkel feit verweten, maar enkel een mogelijk 'lidmaatschap', dat bovendien niet bewezen wordt.
- Men kan dus besluiten dat de Minister in de bestreden beslissing enerzijds niet heeft gemotiveerd waarom juist verzoeker een gevaar zou uitmaken voor de openbare orde en de nationale veiligheid en anderzijds dat, rekening houdende met alle elementen in XIV-12.342-9/12 het dossier, een redelijk denkend persoon nooit zou kunnen oordelen dat verzoeker een gevaar zou uitmaken voor de openbare orde of de nationale veiligheid.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Tweede middel "Inbreuk op artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van artikel 5 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, van het algemeen rechtsbeginsel dat de overheid verplicht rekening te houden met alle pertinente elementen in een dossier, van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en het vermoeden van onschuld." Eerste onderdeel: Als gevolg van de verwijzing naar het verslag van de Veiligheid van de Staat diende dat te zijn gevoegd aan de bestreden beslissing, quod non. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat de bestreden beslissing de inhoud van het verslag overneemt, wat er toe leidt dat voldaan is aan de motiveringsverplichting. Tweede onderdeel: De Minister van Binnenlandse Zaken heeft geen rekening gehouden met alle elementen van het dossier. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat de toepassing van artikel 5 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk de uitsluiting tot gevolg heeft van de voordleen die kunnen worden geput uit artikel
- De door verzoeker aangehaalde elementen ter ondersteuning van de regularisatieaanvraag bij toepassing van artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk zijn niet ter zake na uitsluiting van het voordeel van die wet. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij repliceert: “
- OMTRENT HET TWEEDE MIDDEL Eerste en tweede onderdeel vermengd Ten onrechte wordt voorgehouden dat verzoeker zijn lidmaatschap van de radicale KHATMI NUBUWAT niet ontkent. Verzoeker ontkent dit met klem en reeds van in zijn initieel verzoekschrift (zie supra)! De ideeën van deze groepering staan trouwens haaks op de ideeën van de politieke partij waarvan verzoeker lid is, namelijk de United Kashmir Peoples National Party. Deze - seculiere - politieke partij heeft zelf verschillende AHMADIYYA leden in haar rangen, en verzet zich juist tegen een religieus geïnspireerde staat. (Zie de stukken die verzoeker neerlegde bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen in tempore non suspectu (27 augustus 1999) en de brief van 25 februari 2004 vanuit Zwitserland gericht o.m. aan auditeur HECTORS. De aantijgingen van de staatsveiligheid zijn in hoofde van verzoeker dan ook allerminst gegrond en louter gebaseerd op een verkeerd geïnterpreteerd en sporadisch moskeebezoek. (Verzoeker bezocht de geviseerde moskee in Antwerpen sporadisch zoals vele Pakistani, omdat er URDU werd gesproken, in tegenstelling tot de meeste andere moskees waar Arabisch of Turks wordt gesproken.) Het tweede middel eerste en tweede onderdeel dient dan ook ontvankelijk en gegrond te worden verklaard.”; 2.2.4.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel aanvoert dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd aangezien het voornamelijk verwijst naar XIV-12.342-10/12 een verslag van de Veiligheid van de Staat, dat niet is bijgevoegd; dat in de eerste bestreden beslissing wordt overwogen dat “betrokkene, volgens een verslag van de Veiligheid van de Staat, lid is van de fundamentalistische islamitische groepering Khatme Nubuwat, waarvan het speerpunt van de ideologie van deze internationaal sterk uitgebouwde groepering de strijd is tegen de Ahmmadiyya-sekte die Mohammed niet als laatste profeet erkend”, “dat deze organisatie in Pakistan als radicaal en gewelddadig geboekstaafd staat” en dat verzoeker dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid betekent; dat in de bestreden beslissing derhalve de redenen worden weergegeven waarom de Minister van oordeel is dat verzoeker een gevaar betekent voor de openbare orde; dat de inhoud van het verslag van de Veiligheid van de Staat wordt overgenomen zodat op deze wijze is voldaan aan de formele motiveringsplicht; dat de motieven afdoende, pertinent en draagkrachtig zijn; 2.2.4.
- Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker betoogt dat de Minister geen rekening heeft gehouden met alle elementen in het dossier zoals met het feit dat hij goed geïntegreerd was en bijgevolg in aanmerking kwam voor regularisatie op basis van artikel 2, 1/ en 2, 4/; dat uit artikel 5 van de Regularisatiewet en uit het geheel van de Regularisatiewet en de voorbereidende werkzaamheden, volgt dat de Minister op elk moment van de procedure kan beslissen om de aanvrager uit te sluiten wanneer deze een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat de Minister, bevoegd voor de openbare orde, over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt om na te gaan of het gevaar voor de openbare orde verantwoordt dat de aanvrager uitgesloten wordt van het voordeel van de toepassing van de wet; dat de Minister dus dient na te gaan of verzoeker een gevaar betekent voor de openbare orde en dit op een afdoende wijze dient te motiveren; dat uit de bepaling van het eerste onderdeel is gebleken dat de beslissing afdoende is gemotiveerd; dat de motiveringsplicht niet inhoudt dat de motieven van de motieven moet worden weergegeven; dat hij hierbij geen rekening dient te houden met andere elementen zoals verzoekers eventuele integratie; dat het de Raad van State niet toekomt de beoordeling omtrent het eventuele lidmaatschap van verzoeker van de groepering Khatme Nubuwat over te doen; dat verzoeker niet aantoont dat de Minister zijn wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid heeft overschreden wanneer hij oordeelt, op basis van een verslag van de Veiligheid van de Staat, dat verzoeker, als lid van een organisatie die geboekstaafd staat als radicaal en gewelddadig, een gevaar betekent voor de openbare orde; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- XIV-12.342-11/12 De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig september tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.342-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.676 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.