id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.708 Rolnummer: A. 171190/IX-5280 Zaak: Arrest 162708 - - 25/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 04:51 Fiche Arrest nr 162.708 van 25 september 2006 - Beslissing : Bevolen bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.708 van 25 september 2006 in de zaak A. 171.190/IX-
- In zake : Bart SEYS, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart SEYS op 20 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de Koninklijke Besluiten van 6 december 2005, nr 5742, nr 5743, nr 5744, nr 5745, nr 5746, nr 5747, nr 5748 en nr 5749, bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 18 januari 2006, waarbij de daaromtrent met verzoeker concurrerende kapitein- commandanten werden benoemd in de categorie van de beroepsofficieren op 26 december 2005 in de graad van majoor”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 22 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5280-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoeker maakt deel uit van het korps van de logistiek van de landmacht en is bekleed met de graad van kapitein-commandant. 1.
- Met een nota van 13 december 2004 wordt aan alle militaire autoriteiten van de defensie meegedeeld dat de bevorderingscomités, belast met het onderzoek van de kandidaturen voor de graad van (onder meer) majoor zullen doorgaan in de loop van het vierde trimester
- De lijsten van de officieren wier kandidatuur aan het bevorderingscomité zal voorgelegd worden, in volgorde van anciënniteit in de graad opgesteld, zijn daarbij gevoegd. Uit de lijst van de kandidaten-majoors van het korps van de logistiek blijkt dat er 44 kandidaten zijn, dat verzoeker als eerste op die lijst voorkomt (dus de hoogste anciënniteit in graad heeft), dat hij op 1 april 2014 op pensioen zal gaan, en dat hij (als enige kandidaat) reeds voor de vijfde maal op de lijst is ingeschreven. Luidens artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren, wordt elke kandidaat, zolang hij blijft voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden, op vijf opeenvolgende lijsten ingeschreven. Het betreft derhalve verzoekers laatste kans om tot majoor te worden benoemd. 1.
- Op 27 januari 2005 verleent de eerste overheid van verzoeker een gunstig advies over zijn kandidatuur voor benoeming in de graad van majoor. Zowel op de criteria met betrekking tot de wijze van dienen als wat betreft de geschiktheid IX-5280-2/14 om de functies van de hogere graad uit te oefenen krijgt hij een (gemotiveerde) vermelding “zeer goed”. De tweede overheid sluit zich volledig bij die beoordeling en de commentaar aan. 1.
- Op 20 oktober 2005 onderzoekt het “korpsencomité Landmacht Logistiek” de kandidaturen van de 44 kandidaten. Uit het desbetreffend proces-verbaal, dat is samengesteld uit de notulen van de zitting en een aantal bijlagen, blijkt wat volgt: 1.4.
- De voordracht van de kandidaten door de officier belast met de voordracht van de kandidaturen (hierna: de OBVK) gebeurt op basis van de voorstellingsfiches die tijdens de consultatie ter beschikking van de leden waren. 1.4.
- De OBVK stelt aan de leden van het comité de criteria en de gewichten voor waarop zijn voorstel tot klassement van de kandidaten is gebaseerd. 1.4.2.
- Blijkens de bijlage D wordt er een score op 1000 punten toegekend, verdeeld als volgt: - domein “kennis” (200 punten); in dat hoofddomein worden het criteria “vorming” (100 punten) en “beroepservaring” (100 punten) in aanmerking genomen; - domein “vaardigheden” (300 punten); in dat hoofddomein worden de criteria “karakteriële vaardigheden” (100 punten), “fysieke vaardigheden” (100 punten) en “professionele vaardigheden” (100 punten) in aanmerking genomen; - domein “houding” (500 punten); in dat hoofddomein worden de criteria “persoonlijke inzet” (100 punten), “groepsgedrag” (100 punten), “visie en analyse (100 punten), “werkorganisatie” (100 punten) en “resultaatsgerichtheid” (100 punten) in aanmerking genomen. Op grond van de door de kandidaten behaalde scores, worden zij onderverdeeld in waardegroepen, met name waardegroep A (minstens 730), B (minstens 710), C (minstens 690), D (minstens 650), E (minstens 600) en F (minder dan 600). IX-5280-3/14 1.4.2.
- Blijkens de bijlage E wordt verzoeker, met een totaalscore van 712,3 punten, als tweeëntwintigste gerangschikt, en behoort hij tot waardegroep B. Hij behaalt 68,3 punten voor “vorming”, 79,4 voor “beroepserva- ring”, 68,5 voor “karakteriële vaardigheden”, 69,4 voor “fysieke vaardigheden”, 72,4 voor “professionele vaardigheden”, 68,1 voor “persoonlijke inzet”, 70,3 voor “groepsgedrag”, 72 voor “visie en analyse”, 71,6 voor “werkorganisatie” en 72,4 voor “resultaatsgerichtheid”. 1.4.
- Het voorstel van klassement wordt voorgelegd aan het comité. Alle leden betuigen hun akkoord bij handopsteken. 1.4.
- De voorzitter van het comité deelt mee dat maximum 13 plaatsen mogen toegekend worden. De OBVK stelt de aanbeveling voor van de eerste 13 gerangschik- te kandidaten. Het comité stemt daarmee in en beveelt aan de minister volgende kandidaten aan voor de bevordering: A. Duytschaever, S. Ranwez, R. Buekenhout, J.-M. Verdebout, R. Couwenberg, F. Mouchaers, X. Burgevin, C. Vankeirsbilck, B. Vanclooster, G. De Decker, V. Muylkens, A. Pintelon en J. Weber (vermelding volgens hun graadanciënniteit, niet volgens hun puntentotaal van de beoordeling). 1.
- Op 20 oktober 2005 onderzoekt het “intermachtencomité” de kandidaturen van 190 kandidaten voor de bevordering tot de graad van majoor of korvetkapitein, welke niet aanbevolen waren door de comités van de korpsen. Uit het desbetreffend proces-verbaal, dat is samengesteld uit de notulen van de zitting en een aantal bijlagen, blijkt: - dat het intermachtencomité op dezelfde wijze is te werk gegaan als het korpsenco- mité Landmacht Logistiek, met dien verstande dat, om de intermachtenrangschik- king te bekomen, een methode wordt toegepast die een correctie aanbrengt op de behaalde punten, gebaseerd op het meetkundig principe van de “homothetie”; - dat, blijkens de rangschikkingstabel van de kandidaten (bijlage E), verzoeker met een totaalscore van 714,8 als vijfendertigste gerangschikt wordt; - dat de voorzitter van het comité meedeelt dat maximum 12 plaatsen mogen toegekend worden; IX-5280-4/14 - dat de OBVK de aanbeveling van de eerste 12 gerangschikte kandidaten voorstelt, aanbeveling die het comité goedkeurt; - dat comité aan de minister dienovereenkomstig de volgende kandidaten aanbeveelt voor bevordering: L. Lams; P. Vanbrabant; S. Laurent; M. Decolle; M. Sijsmans; A. Gomeze-Virseda; K. Vandepoele; T. Laermans; B. Buyse; K. Van Gyseghem; J. Vandermeersch; M. Damen. 1.
- Blijkens een 28 oktober 2005 gedateerde resultatenfiche is verzoeker in de sessie september 2005 geslaagd voor het wettelijk examen over de grondige kennis van de tweede landstaal. Met een brief van 8 november 2005 wordt dat examenresultaat door het Vast Secretariaat van de Taalexamens meegedeeld aan de algemene directie Human Resources. 1.
- Op 10 november 2005 neemt verzoeker kennis van een brief van 24 oktober 2005 van de secretaris van de bevorderingscomités, waarbij hem wordt meegedeeld dat het bevorderingscomité hem niet batig gerangschikt heeft en het dus niet mogelijk is geweest hem voor de hogere graad aan te bevelen, maar dat het uiteindelijk keuzerecht toekomt aan de Koning. Er wordt hem ook nog medegedeeld dat hij voor verdere informatie contact kan opnemen met zijn individuele evaluator. 1.
- Met 8 koninklijke besluiten van 6 december 2005 (de nrs. 5742 tot 5749) worden een aantal aanbevolen kandidaten tot majoor bevorderd. Die besluiten vormen het voorwerp van de onderhavige vordering. Zij verwijzen allen naar de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen en overwegen voorts wat volgt: “Overwegende dat het bevorderingscomité van 20 oktober 2005 Ons de volgende officieren gunstig heeft aanbevolen voor benoeming tot de hogere graad en dat deze aan de vereiste bevorderingsvoorwaarden voldoen; Op de voordracht van Onze Minister van Landsverdediging,”. 1.
- De koninklijke besluiten nrs. 5742 tot en met 5749 worden bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 18 januari
- IX-5280-5/14 1.
- In een nota van 28 maart 2006, blijkbaar opgesteld naar aanleiding van het door verzoeker ingesteld beroep, verklaren de aangewezen beoordelaar en de secretaris van de bevorderingscomités wat volgt: “
- Cdt SEYS heeft op 7 Dec 05 op zijn vraag een onderhoud gehad met Kol B. OPSOMMER B (HRE-X/L). Tijdens dit onderhoud heeft betrokkene volgende uitleg gekregen: a. Algemene uitleg over de toegepaste criteria en de klassering met het aantal toegekende plaatsen. b. Zijn punten voor elk van de criteria en zijn plaats in de rangschikking en de waardegroep tot welke hij behoort. c. Hij heeft inzage gekregen van zijn voordrachtsfiche. d. De voordrachtsfiche werd met hem overlopen en enkele concrete zwakheden ten opzichte van de weerhouden kandidaten werden toegelicht:
(1)‘voldoende’ tijdens zijn vorming kandidaat hoofdofficier intermach- ten met herexamen
(2)‘onvoldoende’ tijdens zijn vorming kandidaat hoofdofficier in zijn vakrichting ‘logistiek’
(3)de te verbeteren punten in zijn laatste evaluatienota van 17 mei 2005: pro-activiteit en eigen initiatief e. De volledige uitleg in verband met het laattijdig afleggen (september 2006) van het taalexamen grondige kennis werd eveneens gegeven. Betrokkene kon dit examen al jaarlijks afgelegd hebben sinds 1995 tot en met augustus 2005, gezien er frequente mogelijkheden geboden worden. Betrokkene heeft hierop geantwoord dat hij in augustus 2005 in Italië was. f. Er werd ook uitgelegd aan betrokkene dat er in het criterium vorming rekening gehouden werd met zijn goede talenkennis, vandaar de nog relatief hoge score voor dit criterium ondanks de minder goede resultaten tijdens de staf- en wapencursus. g. Cdt SEYS heeft antwoord gekregen op alle gestelde vragen en werd uitgenodigd om terug contact te nemen indien hij nog bijkomende vragen zou hebben.
- Cdt. SEYS heeft op 13 Dec. 05 per mail (afschrift in Bijl A) en per nota (afschrift in Bijl B) contact genomen voor bijkomende uitleg. Hij werd op 14 Dec. 05 (mail en bevestigende nota in Bijlage C en D) uitgenodigd voor een onderhoud en inzage van de notulen op 20 Dec.
- a. Tijdens het onderhoud van 20 Dec. 05 heeft hij eerst antwoord gekregen op de vraag gesteld in zijn mail van 13 Dec. 05 (afschrift in Bijl A). b. Nadien is betrokkene ontvangen bij Kol SBH TINANT, Ir (HRE-X) die hem inzage gegeven heeft in de notulen, nadat hij uitleg gekregen heeft in bijzijn van Kol B. OPSOMMER. De klasseringstabel in Bijl E en F werd hem nogmaals uitgelegd en de voordrachtsfiche werd met hem nog eens overlopen en enkele concrete zwakheden ten opzichte van de weerhouden kandidaten werden toegelicht zoals bijv.:
(1)‘onvoldoende’ tijdens zijn vorming kandidaat hoofdofficier in zijn vakrichting ‘logistiek’
(2)een ‘4’ op beschikbaarheid in 1999, waarop betrokkene nog geantwoord heeft dat dit niet kon. c. Er werd hem medegedeeld dat indien hij het afschrift van de notulen wou behouden hij een schrijven diende te richten aan de Heer Minister van Landsverdediging. IX-5280-6/14 d. Bart SEYS gaf tijdens dit onderhoud de indruk voldaan te zijn door de gegeven verduidelijkingen.” Onder punt 3.a. wordt verwezen naar het antwoord dat verzoeker op 20 december 2005 heeft gekregen op de vraag gesteld in zijn mail van 13 december
- Die vraag luidde: “In dit verband zou ik u tevens willen vragen wat de supplementaire punten zijn die worden toegekend voor de grondige kennis van de tweede landstaal (volgens uw voorgangers 3% op totaal?).” Welk antwoord verzoeker op die vraag gekregen heeft, blijkt noch uit de neergelegde stukken, noch uit het verzoekschrift tot schorsing, noch uit de nota met opmerkingen.
- Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de vordering laattijdig ingediend is, aangezien de bestreden beslissingen bekendgemaakt werden in het Belgisch Staatsblad van 18 januari 2006 terwijl de vordering slechts ingediend is op 20 maart 2006; dat zij evenwel uit het oog verliest dat 19 maart 2006, de zestigste dag na de voormelde bekendmaking, een zondag was, zodat toepassing gemaakt moet worden van artikel 88, derde lid, van het algemeen procedureregle- ment; dat de exceptie verworpen wordt;
- Overwegende dat verzoeker alle bevorderingen bestrijdt die met de koninklijke besluiten nr 5742 tot 5749 van 6 december 2005 zijn verleend; dat zijn middelen stoelen op de ondeugdelijke vergelijking van zijn aanspraken met die van de benoemden; dat hij aldus bezien alleen belang heeft bij de vernietiging van de benoemingen van de kandidaten wier titels en verdiensten door het korpsencomité Landmacht Logistiek of het intermachtencomités met de zijne vergeleken zijn en niet bij de vernietiging van de benoeming van kandidaten die door de comités van andere korpsen werden aanbevolen; dat verzoeker ter terechtzitting zijn akkoord betuigt met de beperking van het voorwerp van zijn vordering zoals in het auditoraatsverslag voorgesteld, te weten tot de bevordering van L. LAMS (koninklijk besluit nr. 5744 -aanbeveling door het intermachtencomité), M. DECOLLE (koninklijk besluit nr. 5747 -aanbeveling door het intermachtencomité), A. DUYTSCHAEVER, S. RANWEZ, R. BUEKENHOUT en J.-M. VERDEBOUT (koninklijk besluit nr. 5749 - aanbevelingen door het korpsencomité Landmacht Logistiek); IX-5280-7/14
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.1.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij betoogt dat deze wet ertoe strekt de adressaat van een beslissing in kennis te stellen van de redenen waarom het bestuur een bepaald besluit getroffen heeft, dat zulks op het vlak van benoemingen betekent dat de betrokkene duidelijk moet kunnen inzien waarom niet hij maar een concurrent benoemd werd, maar dat in dit geval uit de bekendmaking van de beslissing in het Belgisch Staatsblad niet blijkt waarom de benoemden voorrang op hem gekregen hebben en dat zulks -evenmin als de reden waarom hij niet in aanmerking komt voor bevordering- hem ook nooit medegedeeld is; dat hij erop wijst dat hij tijdens het onderhoud van 20 december 2005 met de verantwoordelijken “een nietszeggende uitleg over zijn eigen resultaten (heeft gekregen), zonder enige uitleg over de aanspraken van zijn concurrenten”; Overwegende dat verzoeker, in het verlengde van het eerste middel, in het tweede middel de schending aanvoert van de materiële motiveringsver- plichting en van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, doordat hij meent te beschikken over een “aantal troeven” die hem voorsprong gaven op zijn concurren- ten; dat hij verwijst naar het “zeer goed advies” dat zijn oversten gegeven hebben, naar zijn “ervaring” op meerdere gebieden, die belangrijker en gevarieerder is dan de ervaring van zijn concurrenten - “de functies die hij uitoefende”, werden normaal uitgeoefend door officieren met een hogere graad, en hij vertegenwoordigt thans de Belgische Staat in organen waar andere landen “door veel hogere officieren vertegenwoordigd zijn”- en naar zijn “zeer degelijke kennis van de tweede taal” die hem toeliet een gunstig resultaat te behalen in het examen over de grondige kennis van de tweede landstaal in september 2005; dat hij daar aan toevoegt dat hem naar aanleiding van eerdere bevorderingsrondes verschillende keren medegedeeld is dat hij toen “net buiten de boot viel”, wat bij hem de verwachting opwekte dat hij bij de volgende bevorderingsronde zeker batig gerangschikt zou worden; dat hij besluit dat, IX-5280-8/14 zo hij het middel niet duidelijker kan adstrueren, zulks het gevolg is van de miskenning van de formele motiveringswet door de verwerende partij; Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel doordat de verwerende partij- zeker voor de beoordeling van twee kandidaturen, met name deze van RANWEZ en VANKEIRSBLICK- rekening gehouden heeft met hun kennis van de tweede taal, maar dat zij zulks met betrekking tot zijn kandidatuur nagelaten heeft, zoals zij ook zijn examenresultaat niet in rekening gebracht heeft; 5.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen de middelen uit het verzoekschrift niet beantwoordt; 5.2.
- Overwegende dat de bestreden beslissingen, die slechts bij uittreksel en evident dus zonder vermelding van de motieven die zij bevatten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn, verwijzen naar de aanbeveling van de benoemden door het bevorderingscomité van 20 oktober 2005; dat de verwerende partij daarmee duidelijk maakt dat zij de motieven van de bevorderingscomités tot de hare maakt en dat aan de bestreden benoemingsbeslissingen geen andere motieven ten grondslag liggen dan deze welke de bevorderingscomités in rekening gebracht hebben; Overwegende dat verzoeker, na ontvangst van de mededeling dat de bevorderingscomités zijn kandidatuur niet batig gerangschikt hadden maar dat uiteindelijk de Koning zou beslissen, bij de hem aangewezen instantie om uitleg gevraagd heeft; dat de verwerende partij met de sub 1.10 geciteerde nota van 28 maart 2006 die zij bij het administratief dossier heeft gevoegd, bewijst enerzijds dat verzoeker op 7 december 2005 tijdens een onderhoud met kolonel OPSOMMER inzage gekregen heeft van zijn voordrachtfiche en van de punten die hij op de verschillende vooraf vastgestelde beoordelingscriteria behaald heeft en op grond waarvan zijn plaats in de rangschikking -tweeëntwintigste in de rangschikking van het korpsencomité; vijfendertigste in de rangschikking van het intermachtencomité- bepaald is en anderzijds dat verzoeker op 20 december 2005 tijdens een nieuw onderhoud antwoord gekregen heeft op de vragen die hij nog had, alsook inzage van de notulen van de vergaderingen van de bevorderingcomités, dus ook van de rangschikkingstabel van de kandidaten, met inbegrip van de punten die zij behaalden; dat verzoeker die kennisnemingen niet betwist; dat hij wel van oordeel is dat deze IX-5280-9/14 uitleg hem niet verder helpt in zijn zoektocht naar de redenen waarom de benoemden een betere rangschikking hebben verkregen en zij op grond daarvan ook aanbevolen en benoemd zijn geworden; dat in die zin, en in de mate dat de bevorderingscomités de punten niet met geheel objectieve criteria kunnen verantwoorden, de vraag naar de formele motivering van de bestreden benoemingsbeslissingen uitloopt op de vraag of de beslissingen van de bevorderingscomités zelf voldoen aan de wet van 29 juli 1991; Overwegende dat de bevorderingscomités van 20 oktober 2005 aan de minister de kandidaturen aanbevolen hebben van de dertien, respectievelijk twaalf kandidaten die de hoogste score hebben behaald in de toets van de kandidaten aan de “criteria voor de comités hoofdofficier 2005", die hiervoor sub 1.4.2.
- in herinnering gebracht zijn; dat bij dergelijk systeem van vergelijking van titels en verdiensten, zo het onmiskenbaar de vergelijking van de kandidaten objectiveert in functie van de voorop vastgestelde dienstvereisten, wel bedacht moet worden dat, bekeken vanuit de formele motiveringswet, de punten, die het resultaat zijn van een discretionaire beoordeling van een aantal gegevens die ook het domein van de loutere kennis overstijgen, op zich de score van de kandidaten en hun rangschikking niet kunnen verantwoorden; dat de vereiste doorzichtigheid op het vlak van de vergelijking slechts mogelijk is wanneer de punten ondersteund worden door een verantwoording die de betrokkene kan toelaten zijn score te begrijpen; Overwegende dat dergelijke verduidelijking niet voorligt; dat verzoeker dan ook, rekening houdend met de feitelijke gegevens en de stukken van het dossier waarop de Raad van State hic et nunc acht kan slaan, terecht stelt dat de aanbeveling van de bevorderingscomités en de notulen die hem ter inzage werden voorgelegd, hem niet toelaten te begrijpen waarom de bevorderingscomités andere kandidaten dan hijzelf aan de minister aanbevolen hebben en waarom de minister vervolgens op grond van de enkele verwijzing naar die aanbeveling de bestreden beslissingen heeft genomen; 5.2.
- Overwegende aldus dat, waar verzoeker in het tweede middel stelt dat een aantal elementen hem een voorsprong verlenen op de benoemden, de gegevens waarover de Raad van State beschikt hem zelfs niet toelaten na te gaan of de verwerende partij ze al dan niet in haar beoordeling betrokken heeft en ze mogelijk verwerkt heeft in de score van verzoeker, noch in welke mate de benoemden door hun score op dezelfde of op andere vergelijkingspunten de IX-5280-10/14 beweerde voorsprong van verzoeker ongedaan hebben kunnen maken; dat evenmin uitgemaakt kan worden of verzoeker op het vlak van de vereiste talenkennis wel gelijk behandeld is als twee van zijn concurrenten, zoals hij in het derde middel aanvoert; dat in die zin de middelen van verzoeker ernstig zijn; 5.
- Overwegende dat verzoeker in het derde middel ook nog aanvoert dat, wat hem betreft, geen rekening gehouden is met het feit dat hij in september 2005 geslaagd is in het examen voor de kennis van de tweede landstaal, terwijl dat wel het geval is geweest voor twee kandidaten die door het bevorderingscomité wel aanbevolen zijn; dat hij daarmee het gelijkheidsbeginsel geschonden acht; 5.3.
- Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting betoogt dat verzoeker geen belang heeft bij dit middel aangezien het slagen in een taalexamen de kandidaten drie punten oplevert voor het criterium “vorming” in het domein van de “kennis” en verzoeker ook na een vermeerdering van zijn score met drie punten nog altijd geen gunstige rangschikking verkrijgt binnen het aantal opengestelde plaatsen; dat op die exceptie niet ingegaan wordt, nu de minister bij de voordracht van de kandidaten aan de Koning niet absoluut gebonden is door de aanbeveling van de bevorderingscomité’s, aangezien hij zelfstandig kan beslissen de aanbeveling niet te volgen en -om redenen die hij in het besluit uiteenzet en met oog voor de volgorde van de kandidaten op de oorspronkelijk opgestelde lijsten- een kandidaat te benoemen die niet voorgedragen is; dat in dit geval, nu verzoeker als eerste was geklasseerd op de lijst van kandidaten van 13 december 2004 en hij voor de vijfde keer deelnam aan de bevorderingsronde, buiten elke aanbeveling om tot majoor benoemd kon worden; 5.3.
- Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat verzoeker in september 2005 geslaagd is voor het wettelijk examen over de grondige kennis van de tweede landstaal maar dat de bevorderingscomités van dat gegeven niet in kennis werden gesteld en dat de minister er bij het treffen van de bestreden beslissingen ook geen rekening mee gehouden heeft; dat, zoals ook uit de door verzoeker overgelegde nota van 12 augustus 2004 van de Defensie Staf blijkt, de kennis van de tweede landstaal door de officieren zeer belangrijk is; dat het niet in aanmerking nemen van het slagen in het examen door verzoeker terwijl datzelfde belangrijk gegeven wel in aanmerking genomen zou zijn bij de beoordeling van concurrenten van verzoeker -wat verzoeker stelt en de verwerende partij niet ontkent-, een miskenning inhoudt van het gelijkheidsbeginsel; IX-5280-11/14 5.3.
- Overwegende dat ook vanuit dat oogpunt het derde middel ernstig is; 6.
- Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat verzoeker in de eerste plaats een moreel nadeel aanvoert, onder meer doordat hij na deelneming aan een vijfde bevorderingsronde -zijn laatst mogelijke- opnieuw niet tot majoor benoemd is en hij nu voorbijgegaan wordt door kandidaten die slechts voor de eerste of tweede keer deelnemen, zodat in de milieus waarin hij zich beweegt de indruk zal ontstaan dat hij onbekwaam is; dat volgens hem het heroverwegen van de bestreden benoemingen -en zijn eigen bevordering- in geval van schorsing nog kan gebeuren op een ogenblik dat hij nog nuttig tot majoor bevorderd kan worden; 6.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt: moreel nadeel vormt in beginsel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel; aan het kandideren hangt het risico van niet benoemd te worden; het aangevoerd verlies van aanzien en schending van zijn imago zal door een vernietigingsarrest volledig hersteld worden; verzoeker staat niet dicht bij een oppensioenstelling -in 2014- en dus zal een vernietigingsarrest geen maat voor niets zijn; het oplopen van loopbaan- achterstand door het mislopen van verdere benoemingen is geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel en is bovendien hypothetisch; 6.
- Overwegende gewis dat iemand die zich voor een bepaalde benoeming kandidaat stelt, rekening moet houden met een afwijzing van zijn kandidatuur zodat die mislukking in beginsel geen bron kan zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat zulks enkel het geval zal zijn wanneer de verzoeker bijzondere gegevens aanvoert die aantonen dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt die toch een schorsing verantwoorden; dat in dat verband te dezen vastgesteld wordt dat verzoeker voor de vijfde keer deelneemt aan de bevorderings- ronde voor majoor, dat het vanuit statutair oogpunt om zijn laatste kans gaat, dat hij binnen zijn korps over de hoogste graadanciënniteit beschikt en daarom als eerste voorkwam op de lijst van kandidaten die aan de bevorderingsronde deelnamen; dat bovendien hij van zijn hiërarchische meerderen een “zeer goed” advies met lovende kritiek had gekregen; dat verzoeker in die omstandigheden terecht aanvoert dat het voorbijgaan aan zijn kandidatuur zijn imago sterk aantast; dat omwille van deze specifieke redenen verzoeker niet langer dan strikt noodzakelijk hoeft te wachten om zijn geschil met het bestuur definitief beslecht te zien; dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanwezig wordt geacht, IX-5280-12/14 BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - het koninklijk besluit nr. 5744 van 6 december 2005 waarbij L. LAMS wordt benoemd tot korvetkapitein van de diensten in het korps van de officieren van de diensten; - het koninklijk besluit nr. 5747 van 6 december 2005, in zoverre daarbij M. DECOLLE wordt benoemd tot majoor van het vliegwezen in het korps van het niet-varend personeel; - het koninklijk besluit nr. 5749 van 6 december 2005, waarbij A. DUYTSCHAEVER, S. RANWEZ, R. BUEKENHOUT en J.-M. VERDEBOUT worden benoemd tot majoor in het korps van de logistiek. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. IX-5280-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig september 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5280-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.708 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.675 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div