id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.757 Rolnummer: A. 176525/XII-4858 Zaak: Arrest 162757 - - 26/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-28 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 04:52 Fiche Arrest nr 162.757 van 26 september 2006 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.757 van 26 september 2006 in de zaak A. 176.525/XII-
- In zake :
- de NV STRABAG BELGIUM,
- de BVBA ARCHITECTEN- EN INGENIEURSBUREAU ARCHI-I, die woonplaats kiezen bij advocaat N. Peeters, kantoor houdende te Antwerpen, Frankrijklei 115 tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SCHOTEN, dat woonplaats kiest bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. tussenkomende partijen :
- de NV VANHOUT,
- de FDA ARCHITECTEN & INGENIEURS,
- de NV TECHNUM FLANDERS ENGINEERING, die woonplaats kiezen bij advocaten B. Martens en M. Schurmans, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV Strabag Belgium en de BVBA Architecten- en Ingenieursbureau Archi-I op 8 september 2006 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “- het besluit van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Schoten d.d. 25 april 2006 waarbij de vier geselecteerde samenwerkingsverbanden in dalende volgorde werden gerangschikt en werd beslist om eerst besprekingen te voeren met het eerst gerangschikte samenwerkingsverband Vanhout NV - FDA Architecten en Ingenieurs NV - Technum NV (dossier 200601-0065 & 200508-0064) XII-4858-1/14 - het besluit van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Schoten d.d. 22 augustus 2006 [om] de overheidsopdracht ‘Project Zorgflats’ houdende het ontwerp, de bouw, het onderhoud van en de terbeschikkingstelling aan het OCMW van 110 zorgflats, een lokaal dienstencentrum, een centrum voor kortverblijf en een dagverzorgingscentrum na onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking te gunnen aan het samenwerkingsverband Vanhout NV - FDA Architecten en Ingenieurs NV - Technum NV”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 11 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2006, om 10.30 uur; Gezien het op 19 september 2006 ingediende verzoekschrift waarbij de NV Vanhout, de FDA Architecten & Ingenieurs en de NV Technum Flanders Engineering, vragen in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij voordeel blijken te halen uit de bestreden beslissing en erbij belang hebben dat de vordering wordt afgewezen; dat hun verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Wauters, die loco advocaat N. Peeters verschijnt voor verzoeker, van advocaat E. Plavsic, die eveneens verschijnt voor verzoeker, van advocaat Chr. Coen, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. Schurmans, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. Barra; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XII-4858-2/14 De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat :
- De in het geding zijnde opdracht betreft een overheidsopdracht van het OCMW Schoten, met volgens het neergelegde bestek “PPS Project Zorgflats” als voorwerp het ontwerp, de bouw, het onderhoud en de terbeschikkingstelling aan het OCMW Schoten van 110 zorgflats met gedifferentieerd woonkarakter, een centrum voor kortverblijf van 6 woongelegenheden, een dagverzorgingscentrum van 12 verblijfseenheden en een lokaal dienstencentrum. Volgens het bestek wordt het project opgevat als een “PPS- project” waarbij de privé partner zal instaan voor het ontwerp, de bouw en het onderhoud gedurende 30 jaar; het OCMW verleent aan de privé partner een recht van opstal; na 30 jaar vervallen alle verplichtingen van de privé partner en komt het opgerichte complex in eigendom van het OCMW tengevolge van natrekking; het OCMW leent aan de privé partner een bedrag gelijk aan de bouwkost exclusief de winstmarge; de privé partner betaalt gedurende 30 jaar intrest aan het OCMW en betaalt geen opstalrecht; de privé partner geeft het gebouw in leasing aan het OCMW of aan een door het OCMW nog op te richten rechtspersoon die hiervoor een interest betaalt. De inschrijver kan wel één andere constructie voorstellen die gunstiger is voor het OCMW. Als gunningswijze wordt gekozen voor de onderhandelings- procedure na voorafgaande bekendmaking. De opdracht wordt op 28 juli 2005 aangekondigd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en op 5 augustus 2005 in het Bulletin der Aanbestedingen. In die aankondiging wordt aangegeven dat “de rechtsvorm” die de combinatie van aannemers, leveranciers of dienstverleners, waaraan de opdracht wordt gegund, hebben moet, deze moet zijn van een tijdelijke handelsvennootschap “of een ander samenwerkingsverband”, waarbij ten minste een architect telkens daarvan deel moet uitmaken. XII-4858-3/14 Het bestek verwijst naar een procedure in twee fases: een eerste fase voorziet in de kandidatuurstelling en selectie, een tweede fase in de “offerte en onderhandeling”, meer bepaald de indiening van de offertes, de beoordeling aan de hand van de gunningscriteria en de onderhandeling.
- Op 21 juni 2005 keurt de Raad van de verwerende partij de leidraad goed waarin de selectiecriteria vervat zitten.
- Er worden 12 kandidaturen ingediend. De Raad van de verwerende partij selecteert op 8 november 2005 vier samenwerkingsverbanden. De vier geselecteerde samenwerkingsverbanden zijn : - samenwerkingsverband Architectenburo Ferre Verbaenen BVBA, Ingenieursbureau Arcade NV, Interbuild NV, De Meyer NV, Ecom Services NV, ACS Cleaning NV - samenwerkingsverband Vooruitzicht - PSK/EON - TAB - samenwerkingsverband Vanhout NV - FDA Architecten & Ingenieurs NV - Technum NV - tussenkomende partijen - samenwerkingsverband Strabag Belgium NV, Antwerpen - het Architecten- en Ingenieursbureau Arch I - verzoekende partijen.
- De tweede fase van de procedure wordt doorlopen : de geselecteerden kunnen offertes indienen; deze zullen worden getoetst aan de gunningscriteria waarbij een rangschikking wordt opgesteld; met de inschrijver die de meest voordelige offerte indiende worden onderhandelingen gestart die, mochten ze niet “succesvol kunnen worden afgerond”, kunnen worden verdergezet met de tweede en eventueel volgende gerangschikten. Op bladzijde 11/12 van het bestek worden de vier gunningscriteria vermeld : - Kostprijs op 100 punten - de uitwerking van de financiële constructie dient duidelijk aan te geven wat de kost zal zijn voor de verwerende partij; - Conformiteit op 100 punten - conformiteit van het voorstel met de visie op wonen en zorg, het bouwprogramma en het programma van eisen; - Kwalitatieve en architecturale waarde op 100 punten - verdeeld over vijf subcriteria van telkens 20 punten : XII-4858-4/14 - architecturale waarde van het project en integratie ervan in de campus - duurzaamheid van de gekozen bouwmaterialen en uitrustingen - jaarlijks energiegebruik van het gebouwencomplex (K-waarde en ventilatienorm) - milieuvriendelijkheid - wooncomfort; - Timing en uitvoeringstermijn op 50 punten.
- De vier geselecteerde samenwerkingsverbanden hebben een offerte ingediend. De selectiecommissie heeft op 20 april 2006 haar eindverslag opgesteld, waarin elke offerte wordt besproken en getoetst aan de gunningscriteria. De volgende puntenrangschikking komt naar voor : samen- kostprijs conform kwaliteit- timing totaal werkings- 100 100 architectuur 50 verband 100 Vooruitzicht 90 60 79 25 254 e.a. Strabag e.a. 100 93 74 35 302 Verbaenen e.a 95 80 82 35 292 Vanhout e.a. 95 90 89 35 309
- Op 25 april 2006 keurt de Raad van de verwerende partij de voorgestelde rangschikking goed en beslist dat de besprekingen worden aangevat met het samenwerkingsverband Vanhout. Dit is de eerste bestreden beslissing die aan de verzoekende partijen met een brief van 27 april 2006 wordt medegedeeld.
- Er wordt een eindverslag van de onderhandelingen opgesteld onder verwijzing naar een werkvergadering op 9 augustus
- In dit verslag is er sprake van besprekingen rond onder andere vier ‘breekpunten’ namelijk ‘ondergrondse verbinding’, ‘domotica’, ‘fundering’ en ‘indeling lokaal dienstencentrum en dagverzorgingscentrum’. XII-4858-5/14
- Bij beslissing van 22 augustus 2006 gunt de Raad van de verwerende partij de opdracht Project Zorgflats aan het samenwerkingsverband Vanhout-FDA-Technum. Dit is de tweede bestreden beslissing, aan de verzoekende partijen medegedeeld met een brief van 28 augustus 2006; De grondvoorwaarden voor de schorsing
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partijen in een exceptie betogen dat het beroep onontvankelijk is aangezien het wordt ingesteld door twee vennootschappen terwijl het samenwerkingsverband waartoe de verzoekende partijen behoren en dat de offerte heeft ingediend, samengesteld is uit, benevens de verzoekende partijen, de BVBA Architectenbureau Arch-I, NV Rousseau Joos, BVBA PPSF, NV De Smet -Verlinden - Van Stayen en de BVBA Securum; Overwegende dat een schorsingsberoep, gelet op het voordeel dat de verzoekende partijen uit een schorsing beogen te halen, namelijk een uitvoering in natura, ingediend moet worden door alle leden van een samenwerkingsverband die zich als inschrijver hebben aangediend; dat te dezen uit de kandidatuurstelling van de verzoekende partijen -vervat in de brief van 16 september 2005 aan de verwerende partij- moet worden afgeleid dat het samenwerkingsverband samengesteld is uit twee partners namelijk de algemene aannemer Strabag Belgium NV en het architecten- en ingenieursbureau Arch-I ; dat daarin immers wordt vermeld dat Strabag met het voornoemde architectenbureau “een samenwerkingsverband” heeft gesloten; dat weliswaar in die brief voorts een aantal andere ondernemingen worden genoemd maar daarvan wordt gesteld wordt dat ze het team zullen “aanvullen” als “gespecialiseerde adviseurs”; dat in bijgevoegde stukken ook het architectenbureau XII-4858-6/14 BVBA Rousseau Joos wel wordt getoetst aan twee “uitsluitingsgronden”, doch zulks niet doorslaggevend is om aan te nemen dat er eigenlijk drie partners het samenwerkingsverband vormen; dat bij de eigenlijke offerte opnieuw de verklaring is gevoegd dat het samenwerkingsverband samengesteld is uit de twee voornoemde partners; dat ten slotte in het verslag van de selectiecommissie en in de beslissing van 25 april 2006, waarin de Raad van de verwerende partij zich bij dat verslag aansluit, sprake is van het samenwerkingsverband van de twee verzoekende partijen en geen aandacht wordt besteed aan de samenstelling ervan; dat in die omstandigheden de exceptie feitelijke grond mist, nu het samenwerkingsverband blijkt te bestaan uit de twee verzoekende partijen die te dezen de vordering tot schorsing indienden; dat de exceptie niet wordt aangenomen;
- Overwegende, wat de eerste en de derde in het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden betreft, dat de verzoekende partijen zich inzake het nadeel beroepen op de mogelijkheid om zelf de in het geding zijnde opdracht te kunnen uitvoeren, die zij door de gevraagde schorsing wil vrijwaren; dat zij daarbij ook verwijzen naar de financiële waarde en de referentiewaarde van de opdracht die in zijn soort eerder zelden wordt opgezet, namelijk als een privaat-publiek- samenwerkingsproject met een huur -en leasingconstructie; dat zij voorts hun keuze voor de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid motiveren door te verwijzen naar het risico, dat de bestreden toewijzingsbeslissing aan de gekozen inschrijver zou worden betekend en aldus een overeenkomst tot stand zou komen; Overwegende dat betreffende de eerste voorwaarde, de verwerende en de tussenkomende partijen zich naar de wijsheid van de Raad van State gedragen; dat zij inzake de tweede voorwaarde, het zeldzaam karakter van de opdracht in vraag stellen, het grote financiële verlies niet bewezen achten en zelfs een grote financiële impact niet voldoende achten; Overwegende dat door de betekening van de bestreden toewijzingsbeslissing, tussen de verwerende en de tussenkomende partijen inderdaad een overeenkomst zou tot stand komen tengevolge waarvan, in de lijn van de rechtspraak van de Raad van State, arrest nr. 87.983 van 15 juni 2000 van de algemene vergadering van de afdeling administratie, een gewone vordering tot schorsing naar alle waarschijnlijkheid zou worden afgewezen; dat het bestaan van die overeenkomst de betrachting van de verzoekende partijen om zelf de opdracht nog uit te voeren, ernstig zou bemoeilijken en een mogelijk herstel in natura verder af zou XII-4858-7/14 brengen; dat aldus moet worden aanvaard dat de verzoekende partijen door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing, het rechtens vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan ondergaan mede gelet op de aard en de waarde van de in het geding zijnde opdracht, onderworpen aan bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen; dat voorts, wegens de dreigende betekening die onder verwijzing naar een wachttermijn van tien dagen en artikel 21bis van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, door de verwerende partij in een brief van 28 augustus 2006 wordt aangekondigd, te dezen wordt aanvaard dat de verzoekende partijen een beroep deden op de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; 4.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen in een vierde middel aanvoeren dat er een schending is van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij daartoe betogen dat in het beoordelingsverslag door de selectiecommissie bij de eindbeoordeling van de offertes geen berekening wordt gegeven van deze eindbeoordeling, bij het derde gunningscriterium kwalitatieve en architecturale waarde in het eindverslag alleen een eindcijfer op 100 wordt gegeven, dat het niet duidelijk is hoe de verwerende partij aan die punten komt, dat nergens uit blijkt hoe op de subcriteria werd gequoteerd en de verzoekende partijen dan ook niet kunnen nagaan op welk subcriterium ze slechter scoorden dan het samenwerkingsverband Vanhout; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoekende partijen niet duidelijk maken tegen welke beslissing hun middel is gericht, en voorts dat het gegeven dat niet voor elk subcriterium van het gunningscriterium “kwalitatieve en architecturale waarde” een cijfer is toegekend, irrelevant is aangezien uit de motivering zeer duidelijk blijkt op welke wijze de subcriteria werden beoordeeld, dat het verzoekschrift zelf overigens zeer duidelijk aantoont dat de verzoekende partijen de motivatie bij de beoordeling van de verschillende subcriteria zeer goed begrepen hebben, aangezien zij menen dat een overdreven gewicht zou zijn toegekend aan het subcriterium ‘architecturale waarde van het project en integratie in de campus’; XII-4858-8/14 4.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen stellen dat de verzoekende partijen wel degelijk de feitelijke beoordelingsgronden kennen aangezien zij er in hun verzoekschrift op ingaan, voorts dat zij verwijzen naar niet vergelijkbare rechtspraak en in het administratief dossier in ondersteunende documenten alle subcriteria worden behandeld en beoordeeld; 4.4.
- Overwegende dat de tweede bestreden beslissing waarmee de opdracht wordt toegewezen, steunt op de eerste bestreden beslissing waarin een rangorde werd bepaald van inschrijvers met wie zou worden onderhandeld; dat de aangevoerde grief duidelijk een gebrek aan motivering van de eerste bestreden beslissing is, waarbij dergelijk gebrek de beide beslissingen zou vitiëren; dat die grief dienvolgens geacht moet worden de beide beslissingen te betreffen; dat het verweer op dat punt niet opgaat; 4.4.
- Overwegende dat in het bestek het derde gunningscriterium ‘kwalitatieve en architecturale waarde van het voorgestelde project’ (100 punten) vijf subcriteria bevat, elk op 20 punten, namelijk de architecturale waarde van het project en integratie ervan in de campus, de duurzaamheid van de gekozen bouwmaterialen en uitrustingen, het jaarlijks energiegebruik van het gebouwencomplex, de milieuvriendelijkheid en het wooncomfort; Overwegende dat wat het betrokken derde gunningscriterium betreft de beoordelingen in het selectieverslag luiden als volgt : - bij de offerte van de verzoekende partijen : “De architectuur geeft blijk van een prijsbewuste aanpak, maar wordt daardoor ook eerder fantasieloos, ééntonig tot minder aantrekkelijk. Het concept wekt de indruk dat een bijkomende verzorgingsinstelling op de campus wordt gebouwd. De inplanting is doordacht en sluit aan bij de bestaande bebouwing. Door de inplanting en aansluiting met de bestaande bebouwing wordt een binnenplein gecreëerd. De compacte bouw laat toe het atelier van de technische dienst te vrijwaren. De flats zijn bijzonder goed geconcipieerd en garanderen een uitstekend woon- en zorgcomfort. De gebruikte materialen zijn van hoge kwaliteit en zorgen voor een technisch kwaliteitsvol gebouw met lage energieopname en uitstekende isolatie (silicaatsteen). De warmterecuperatie en de mechanische verluchting staan in voor het comfort en kostprijsbeheersing. Er wordt een zeer lage K-waarde opgegeven. Aan de domotica werd zeer veel aandacht besteed. Er werden alleen terrassen voorzien aan de 80 m² flats. De uitbreidbaarheid van centrale keuken op de campus wordt positief geëvalueerd. De rechte inrit naar de parkeergarage biedt comfort aan de oudere bestuurders. [...] XII-4858-9/14 Samengevat: Het samenwerkingsverband [...] stelt een zeer doordacht concept qua wonen en zorg voor. In dit concept werd veel aandacht besteed aan de bouwmaterialen waardoor een gebouw ontstaat dat zonder problemen energiebewust en milieuvriendelijk kan geëxploiteerd worden. De prijszetting is bovendien zeer voordelig maar heeft geleid tot een eerder teleurstellende architectuur die waarschijnlijk de aantrekkelijkheid van het gebouw en daardoor ook de verkoopsmogelijkheden negatief kan beïnvloeden.”; - bij de offerte van de tussenkomende partijen : “De architectuur geeft blijk van een moderne, eigentijdse en frisse aanpak. De inplanting is doordacht en past stedenbouwkundig perfect op het terrein. Door de inplanting van de gebouwen met verschillende hoogten wordt een as voor wandelaars en fietsers geschapen die de verbinding met het centrum van de gemeente moet mogelijk maken. De inplanting van de gebouwen op het terrein laat toe het atelier van de technische dienst te behouden, in functie van het totaalconcept lijkt deze optie echter niet aangewezen. De architectuur zorgt voor maximaal comfort en belevingswaarde in de flats o.m. door het voorzien van overkragende terrassen en gebruik van grote glaspartijen. Bovendien heeft elke flat een dubbel zicht. Deze bouwwijze samen met het gebruik van uitstekende bouwmaterialen (silicaatsteen) zorgen voor een energiebewust en milieu-vriendelijk te exploiteren gebouw. De flats zijn goed geconcipieerd en garanderen een uitstekende woon- en zorgcomfort. De domotica ontbreekt echter in dit voorstel. Er werden overal terrassen voorzien. De indeling van de lokalen voor het LDC en het DVC wordt als niet optimaal geëvalueerd. [...] Samengevat: Het samenwerkingsverband [...] stelt een cluster voor van verschillende gebouwen die stedenbouwkundig optimaal gebruik maakt van en aansluit bij de campus. De moderne en aantrekkelijke architectuur met zijn perfecte technische invulling staat borg voor comfortabele en gunstig exploiteerbare flats. Deze aantrekkelijke architectuur verhoogt zeker de verkoopwaarde. Het ontbreken van domotica en de voorgestelde ondergrondse verbinding via de parkeergarage wordt minder gunstig beoordeeld.”. Overwegende dat uit de motivering in het selectieverslag lijkt te kunnen worden afgeleid dat het project van het samenwerkingsverband Vanhout inzake de architecturale waarde superieur is aan dat van de verzoekende partijen; dat omtrent het eerstgenoemde project immers onder meer wordt gesteld: “moderne, eigentijdse en frisse aanpak [...] inplanting is doordacht en past stedenbouwkundig perfect op het terrein [...] architectuur zorgt voor maximaal comfort en belevingswaarde”; dat bij het project van de verzoekende partijen gewag wordt gemaakt van “eerder fantasieloos, eentonig tot minder aantrekkelijk”; dat bij het andere element van het subcriterium, - integratie in de campus - het verschil tussen de beide betrokken offertes echter niet erg duidelijk lijkt en ze in elk geval allebei “doordacht” worden genoemd ; dat voorts bij de subcriteria duurzaamheid van de XII-4858-10/14 gekozen bouwmaterialen en uitrustingen, jaarlijks energiegebruik van het gebouwencomplex en milieuvriendelijkheid er al helemaal geen meerwaarde lijkt te zijn vastgesteld voor de offerte van het samenwerkingsverband Vanhout in vergelijking met deze van de verzoekende partijen; dat bij het vijfde subcriterium de beoordeling van de offerte van de verzoekende partijen zelfs iets gunstiger lijkt omdat het luik domotica bij samenwerkingsverband Vanhout ontbreekt, terwijl dit luik nochtans bij de latere onderhandelingen als “breekpunt” wordt beschouwd; Overwegende dat de verwerende partij bij deze motivering echter geen puntentoebedeling voorlegt die betrekking heeft op de betrokken subcriteria; dat het derde criterium nochtans van doorslaggevende waarde is in de vergelijking tussen de twee in het geding zijnde offertes; dat er namelijk tussen verzoekende partijen en het samenwerkingsverband Vanhout slechts 7 punten verschil zijn in het eindtotaal: 302 tegenover 309 punten op 350; dat op het eerste gunningscriterium de verzoekende partijen 5 punten meer scoren dan het samenwerkingsverband Vanhout (100 tegenover 95 op 100); dat op het tweede gunningscriterium de verzoekende partijen 3 punten meer scoren dan het samenwerkingsverband Vanhout (93 tegenover 90 op 100); dat op het vierde gunningscriterium de verzoekende partijen en het samenwerkingsverband Vanhout evenveel scoren (35 op 50); dat aldus voor deze drie gunningscriteria de verzoekende partijen een voorsprong hebben opgebouwd van 8 punten op de 250 punten alsdan toebedeeld; dat vervolgens op het derde gunningscriterium ‘de kwalitatieve en architecturale waarde van het voorgestelde project’ van de 100 punten de verzoekende partijen er 74 verkrijgen maar het samenwerkingsverband Vanhout 89; dat dit uiteindelijk een verschil oplevert van 7 op 350 in het voordeel van het samenwerkingsverband Vanhout; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota lijkt te erkennen dat de doorslaggevende vijftien punten verschil op het derde criterium bij de waardering van de offerte van de verzoekende partijen en deze van de tussenkomende partijen enkel toe te rekenen zijn op het eerste subcriterium “architecturale waarde van het project en integratie ervan in de campus”; dat indien zulks wordt aangenomen, dit zou inhouden dat op de andere vier subcriteria van de offertes van verzoekende partijen en dit van het samenwerkingsverband Vanhout gelijkelijk is gequoteerd; dat een dergelijke quotering echter niet lijkt te kunnen worden afgeleid uit en te mogen steunen op de motivering bij het derde gunningscriterium; dat die aangehaalde motivering bij de offerte van het samenwerkingsverband Vanhout immers niet eenduidig positief lijkt en de motivering XII-4858-11/14 van dit criterium bij de offerte van het samenwerkingsverband Vanhout zeker niet eenduidig negatief; dat het motiveringsgebrek des te duidelijker lijkt, indien ook de beoordeling van de offertes Vooruitzicht en Verbaenen wordt onderzocht; dat immers de quotering van deze partijen bij het derde gunningscriterium lijkt te steunen op een nog meer negatieve motivering (“enigszins kazernekenmerken”, “gevoel van onveiligheid” bij Verbaenen; “als monoliet ervaren”, “saaie architectuur” bij Vooruitzicht)- zekerlijk ook de zinnen die zouden kunnen slaan op het eerste subcriterium-, dan bij de beoordeling van de verzoekende partijen : dat eerstgenoemden toch merkelijk meer punten dan laatstgenoemde verkrijgen namelijk 79 en 82 punten tegenover 74 voor de verzoekende partijen; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat, in de huidige stand van de procedure moet worden afgeleid dat de gegeven motivering in het selectieverslag van 20 april 2006 geen afdoende verantwoording biedt voor de gegeven punten op het derde gunningscriterium; dat aldus dat verslag en dienvolgens de bestreden beslissingen die ernaar verwijzen en erop steunen, geen afdoende formele motivering lijken te bevatten wat dat gunningscriterium betreft; dat de bestreden beslissingen aldus genomen lijken in strijd met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, krachtens welke bepalingen de motivering van een bestuurshandeling met individuele strekking in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan die beslissing ten grondslag liggen en afdoende moet zijn; dat aldus het betrokken gunningscriterium tevens niet met de rechtens vereiste zorgvuldigheid lijkt te zijn gehanteerd; dat het middel ernstig is; Overwegende dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen; dat het nadeel van de verzoekende partijen wordt geweerd door de schorsing van tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing, XII-4858-12/14 BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de NV Vanhout, de FDA Architecten & Ingenieurs en de NV Technum Flanders Engineering in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van het OCMW van Schoten van 22 augustus 2006 waarbij de opdracht houdende het ontwerp, de bouw, het onderhoud van en de terbeschikkingstelling aan het OCMW van 110 zorgflats, een lokaal dienstencentrum, een centrum voor kortverblijf en een dagverzorgingscentrum na onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking toegewezen wordt aan het samenwerkingsverband Vanhout NV - FDA Architecten & Ingenieurs NV - Technum NV. Artikel
- Het meer gevorderde wordt afgewezen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een derde. XII-4858-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig september 2006, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4858-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.757 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.884 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.