← België

Arrest 162827 - - 28/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.827 Rolnummer: A. 63654/XII-1567 Zaak: Arrest 162827 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-11 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 05:06 Fiche Arrest nr 162.827 van 28 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.827 van 28 september 2006 in de zaak A. 63.654/XII-

  1. In zake : de VZW VLAAMS BLOK JONGEREN, die woonplaats kiest bij, advocaat P. De Roo, kantoor houdende te Berchem-Antwerpen, Herculusstraat 2, bus 1 tegen :
  2. de STAD LOKEREN,
  3. de VASTE NATIONALE CULTUURPACTCOMMISSIE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Peeters, kantoor houdende te Brussel, Terhulpsesteenweg 177, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Vlaams Blok Jongeren op 13 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “1/ De beslissing van het Kollege van Burgemeester en Schepenen dd. 27 juni 1994 waarin o.a. aan een lokale afdeling van verzoekster een subsidie wordt geweigerd, beslissing die haar bekend werd gemaakt via brief van 7 december 1994, maar haar nooit officieel werd betekend. 2/ De impliciet afwijzende beslissing van de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 8 oktober 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-1567-1/6 Gelet op de beschikking van 31 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 maart 2006, datum waarop de zitting wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 25 april 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. De Roo, die verschijnt voor verzoekster, van stadssecretaris J.-P. Van Speybrouck en van cultuurfunctionaris-directeur P. Van Loocke, die verschijnen voor de eerste verwerende partij, en van advocaat A. Vandaele, die loco advocaat P. Peeters verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten
  5. Overwegende dat te Lokeren de plaatselijke organisaties voor jeugdwerk onder voorwaarden gesubsidieerd kunnen worden door het college van burgemeester en schepenen dat, alvorens een beslissing te nemen, het advies van de stedelijke jeugdraad inwint; dat de stedelijke jeugdraad voorstelt voor het jaar 1993 een toelage van 2.518 frank toe te kennen aan de Vlaams Blok Jongeren (afdeling Lokeren); dat het college van burgemeester en schepenen op 27 juni 1994 die toelage weigert op grond van volgend motief : “Overwegende dat de Nationale Cultuurpactcommissie in haar advies van 21 juni 1993 betreffende de klacht, ingediend door het Vlaams Blok (C. De Kerpel) versus stadsbestuur Lokeren, inzake de Commissie Kunstpatrimonium, deze klacht onontvankelijk heeft verklaard omwille van het feit dat de indiener ervan als verkozene van het Vlaams Blok via het 70-Puntenprogramma van het Vlaams Blok, kenbaar maakt de principes en de regels van de democratie niet te aanvaarden en niet na te leven”; Overwegende dat verzoekster met brieven van 19 en 25 januari 1995 tegen de weigering klacht indient bij de Vaste Nationale Cultuurpact- commissie, wegens overtreding van de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt en van het decreet van 28 januari 1974 betreffende het Cultuurpact; dat de Vaste Nationale XII-1567-2/6 Cultuurpactcommissie geen advies uitbrengt binnen de voorgeschreven termijn van zestig dagen na de ontvangst van de klachten op 26 januari 1995; De ontvankelijkheid wat de eerste bestreden beslissing betreft
  6. Overwegende dat verzoeksters belang volgens de eerste verwerende partij onvoldoende reëel, persoonlijk en rechtstreeks is; dat de eerste verwerende partij er op wijst dat de lokale afdeling van de Vlaams Blok Jongeren als een afzonderlijke entiteit is gestructureerd, dat alleen die lokale afdeling door de weigering van subsidies nadelig kan worden geraakt, in tegenstelling tot de overkoepelende VZW, die bij de vernietiging van de eerste bestreden beslissing “niets anders dan een virtueel, zijdelings en onrechtstreeks belang [heeft]”, er in bestaande “een principieel standpunt te horen bepalen over het al dan niet demokratisch zijn van het Vlaams Blok, zijn politieke mandatarissen en zijn politiek programma”;
  7. Overwegende dat verzoekster daar in de memorie van wederantwoord op repliceert dat “VBJ Lokeren” een lokale afdeling van verzoekster is, zonder rechtspersoonlijkheid en dan ook zonder hoedanigheid om zelf een procedure tot nietigverklaring in te leiden, dat verzoekster ter ondersteuning dient van de lokale afdelingen en bijgevolg “de VBJ Lokeren financiëel zal moeten bijspringen bij gebrek aan subsidies vanwege eerste tegenpartij”, dat elk verwijt met betrekking tot het ondemocratisch karakter van haar afdeling te Lokeren verzoekster rechtstreeks treft “daar zij juist de richtlijnen verstrekt volgens welke de lokale afdelingen funktioneren”, en dat door aan een lokale afdeling van verzoekster subsidies te weigeren “de verwezenlijking van haar doel voor een stuk in het gedrang” komt;
  8. Overwegende dat met zijn beslissing van 27 juni 1994, het college van burgemeester en schepenen van Lokeren de subsidieaanvraag verwerpt, niet van verzoekster, maar van de plaatselijke afdeling van de Vlaams Blok Jongeren; dat overigens volgens het subsidiereglement alleen de plaatselijke organisaties voor jeugdwerk voor subsidiëring in aanmerking komen; dat in deze concrete omstandigheden, anders dan verzoekster meent, het gebrek aan rechtspersoonlijkheid van de plaatselijke afdeling van de Vlaams Blok Jongeren er niet aan in de weg stond dat de afdeling zélf een annulatieberoep kon hebben ingesteld tegen de weigering aan haar adres; dat immers een feitelijke vereniging zeer wel bekwaam is om voor de Raad van State in rechte te treden in zoverre zij door de overheid erkend is en bij de XII-1567-3/6 werking ervan betrokken én in zoverre het belang waarvoor zij met haar vordering opkomt met dit erkend betrokken-zijn verband houdt; Overwegende dat ook de rest van verzoeksters verweer tegen de exceptie van eerste verwerende partij niet overtuigt; dat het, gelet op het minieme bedrag van de geweigerde subsidie, volstrekt ongeloofwaardig is dat de aangevochten weigering de afdeling te Lokeren in financiële moeilijkheden kan storten en dat verzoekster genoodzaakt zal zijn bij te springen; dat in elk geval verzoekster uit die tussenkomst, in voorkomend geval, slechts een onrechtstreeks belang zou kunnen putten bij het bestrijden van de weigering; dat ook in zoverre verzoekster haar persoonlijk belang bij onderhavig beroep niet in de weigering van de subsidie op zich zoekt, maar in het motief ervan, zij zich in principe op een louter zijdelings, indirect en dus onvoldoende belang beroept; dat dit evenzeer het geval is in de mate waarin zij de verwezenlijking van haar eigen statutair doel -“het verlenen van bijstand voor en de bevordering, ontwikkeling en realisatie van het partijprogramma van het Vlaams Blok en in het bijzonder de thema’s hierin die de jongeren aanbelangen”- in het gedrang ziet gebracht worden door een beslissing die niet haarzelf als zodanig betreft, maar slechts een lokale afdeling met eenzelfde doel; Overwegende dat de exceptie van gebrek aan een voldoende persoonlijk en rechtstreeks belang gegrond voorkomt;
  9. Overwegende dat in zoverre de vraag zou kunnen rijzen of verzoekster het beroep mogelijk námens de plaatselijke afdeling te Lokeren heeft ingesteld en of zij zulks dan rechtmatig heeft kunnen doen, die vragen niet beantwoord hoeven te worden; dat zelfs in geval van een bevestigend antwoord, het besproken beroep op vandaag nog als onontvankelijk te verwerpen zou zijn; dat er immers reden toe is om aan te nemen dat de plaatselijke afdeling te Lokeren niet meer bestaat; Overwegende dat, wijl volgens de bevindingen van de auditeur de website van de Vlaams Blok Jongeren over het voortbestaan van de plaatselijke afdeling te Lokeren grote twijfel liet, aan verzoekster uitdrukkelijk is gevraagd over het actuele bestaan van de afdeling uitsluitsel te verschaffen; dat verzoekster daar niet heeft aan voldaan; dat zij het ter zake louter hield bij de mededeling dat de afdeling op “een zeer laag pitje” draait; dat zij onmachtig was het bestaan van de afdeling, hoe minimaal ook, met zelfs maar één stuk te staven; XII-1567-4/6
  10. Overwegende dat het beroep onontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de collegebeslissing van 27 juni 1994; De ontvankelijkheid wat de tweede bestreden beslissing betreft
  11. Overwegende dat de tweede verwerende partij in de laatste memorie onder meer tegenwerpt dat het beroep tegen de “impliciet afwijzende beslissing van de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie” niet ontvankelijk is omdat verzoekster heeft nagelaten in haar verzoekschrift de middelen uiteen te zetten ter aanvechting ervan;
  12. Overwegende dat de exceptie terecht is; dat verzoekster in haar verzoekschrift twee middelen aanvoert die allebei exclusief de eerste bestreden beslissing viseren; dat het gebrek aan in het verzoekschrift ontvankelijk aangevoerde middelen tegen de tweede bestreden beslissing, niet wordt goedgemaakt door in de memorie van wederantwoord tegen die beslissing in een vierde middel “Rechtsweigering” te doen gelden; dat dit des te minder het geval is waar verzoekster dat middel, in strijd met wat zij in de voetnoot op bladzijde 10 van de memorie van wederantwoord schrijft, ook al in haar verzoekschrift kon hebben aangevoerd; Overwegende, daarenboven, dat in de plaats van de aangevochten “impliciet afwijzende beslissing” intussen twee adviezen van 30 maart 1998 zijn gekomen waarin de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie de 19 en 25 januari 1995 gedateerde klachten van verzoekster expliciet afwijst (stukken F en G bij de laatste memorie van de tweede verwerende partij); Overwegende dat het beroep dienvolgens ook onontvankelijk is in zoverre het tegen de tweede bestreden beslissing gericht is, XII-1567-5/6 BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1567-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.