id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.828 Rolnummer: A. 106883/XII-3191 Zaak: Arrest 162828 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 05:06 Fiche Arrest nr 162.828 van 28 september 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.828 van 28 september 2006 in de zaak A. 106.883/XII-
- In zake : Pierre CAENEN, wonende te Lanaken, Frater Damacenusstraat 12 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pierre Caenen op 3 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 april 2001 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem de vergunning tot het exploiteren van een bewakingsonderneming wordt geweigerd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 8 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-3191-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Nijsten, die verschijnt voor verzoeker, en van attaché D. Van Dam, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 11 juli 2000 een aanvraag indient voor het verkrijgen van een vergunning tot het exploiteren van een bewakings- onderneming; dat de minister van Justitie de aanvraag op 21 november 2000 ongunstig adviseert, zich hiervoor uitsluitend steunend op het ongunstig advies van 2 november 2000 van de procureur des Konings te Tongeren, waarbij de procureur- generaal te Antwerpen zich op 9 november 2000 heeft aangesloten; dat de minister van Binnenlandse Zaken de gevraagde vergunning op 18 april 2001 weigert op grond van de volgende motieven : “Overwegende dat de Heer Minister van Justitie op 21 november 2000 een negatief advies uitgebracht heeft m.b.t. het toekennen van een vergunning tot het exploiteren van een bewakingsonderneming in hoofde van de Heer Caenen; Dat de Heer Minister van Justitie zijn advies steunt op het negatief advies van de Procureur des Konings van Tongeren; Dat de Heer Procureur des Konings zich voor zijn negatief advies baseert op verschillende feiten waarvoor de Heer Caenen bekend staat bij het Parket te Tongeren; Dat het feiten betreft die inbreuken impliceren op de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica; dat betrokkene eveneens bekend staat voor feiten van opzettelijke slagen en verwondingen; Dat de voormelde feiten door de openbare ordediensten vastgesteld zijn in volgende processen-verbaal : - Proces-verbaal nr. 101094 d.d. 27.07.1994 uitgaande van de Rijkswachtbrigade te Lanaken, aangaande inbreuken op de voormelde wet van 24 februari 1921 - Proces-verbaal nr. TG.43.43.100683/95 uitgaande van de Rijkswachtbrigade te Genk, aangaande feiten van opzettelijke slagen en verwondingen - Proces-verbaal nr. TG.43.44.100389/95 uitgaande van de Rijkswachtbrigade te Bilzen, aangaande feiten van opzettelijke slagen en verwondingen tijdens de uitoefening van zijn functie van portier - Proces-verbaal nr. TG.60.42.100692/96 uitgaande van de BOB te Genk, aangaande inbreuken op de wet van 24 februari 1921 Dat de Heer Caenen bij het Parket van de Procureur des Konings voor het overige gekend is inzake 9 gevallen van opzettelijke slagen en verwondingen, 2 gevallen van beschadigingen en 4 inbreuken inzake verdovende middelen XII-3191-2/7 waarvan er 2 aanleiding gegeven hebben tot een rechtstreekse dagvaarding voor de correctionele rechtbank; Dat het allerminst aangewezen is dat personen die onder meer zouden instaan voor het verzekeren van de veiligheid in dansgelegenheden en discotheken, in aanraking gekomen zijn of komen met drugs en andere soorten van verdovende middelen; Dat de Heer Procureur des Konings, die het best geplaatst is om de zwaarwichtigheid van de vastgestelde feiten te beoordelen, de mening toegedaan is dat dergelijke feiten onaanvaardbaar zijn in hoofde van een persoon die viseert een leidinggevende functie uit te oefenen binnen een bewakingsonderneming, en stelt dat de Heer Caenen niet voldoet aan de in artikel 5, 8/ bedoelde moraliteitsvoorwaarden en voorwaarden inzake beroepsdeontologie; Overwegende dat de heer Caenen de aanvraag tot het bekomen van een vergunning tot het exploiteren van een bewakingsonderneming ingediend heeft op zijn persoonlijke naam; dat, gelet op het feit dat betrokkene niet beantwoordt aan de moraliteitsvoorwaarden en de voorwaarden inzake beroepsdeontologie, er niet voldaan is aan de minimumvoorwaarden om een vergunning toe te kennen, daar, gelet op het type van aanvraag, de vergunning in hoofde van de Heer Caenen zou toegekend moeten worden”; Overwegende dat verzoeker in een enig middel onder meer aanvoert dat hij geen enkele strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen, dat hij nooit “enige betrokkenheid heeft gehad met het gerecht”, dat de in het bestreden besluit vermelde processen-verbaal niet het tegendeel bewijzen, dat hij gefnuikt wordt in zijn rechten van verdediging doordat het parket hem geen afschrift van de processen-verbaal heeft verstrekt, dat het parket gewaagt van gevallen waarvoor verzoeker “gekend” is, “zonder deze evenwel nadrukkelijk te benoemen en concreet de inhoud ervan weer [te] geven (geen data, noch plaats, noch partijen), zodat ook hiermee géén rekening kan worden gehouden”, dat hij “vreest” dat het parket niet nauwkeurig de inhoud van de processen-verbaal heeft nagelezen, dat zij dan ook niet kunnen dienen om een negatief advies te geven “terwijl het M.B. d.d. 18.04.2001 dit advies zonder meer én ten onrechte overneemt in haar beslissing”, dat het advies geen correcte basis vormt om de vergunning niet toe te staan, dat de processen-verbaal enkel betrekking hebben op feitelijkheden waarin hij als getuige en/of als portier was betrokken, maar nooit als “een rechtstreekse partij”, dat hij voor het aanmaken van verdovende middelen werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, zodat dienaangaande geen bemerkingen mogen worden gemaakt; Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat verzoeker zich voor de kennis van de processen-verbaal tot het ministerie van Binnenlandse Zaken had kunnen richten, dat er ook rekening mag worden gehouden met gerechtelijke antecedenten die geen aanleiding hebben gegeven tot een strafrechtelijke veroordeling, dat de wetgever de minister van Justitie het best XII-3191-3/7 geplaatst achtte om de gerechtelijke antecedenten te beoordelen in het licht van de letter en het doel van de bewakingswet van 10 april 1990, dat zijn advies een groot moreel gezag heeft, dat de door de wetgever gewenste sanering in de sector persoonscontrole impliceert dat zeker de moraliteit van het leidinggevend personeel van een onderneming die activiteiten van persoonscontrole beoogt, met gestrengheid wordt beoordeeld, dat verzoeker niet voor bepaalde drugsfeiten “vrijgesproken” is geweest, dat de rangschikking van een dossier zonder gevolg niet betekent dat de feiten niet zouden vaststaan, dat de minister van Binnenlandse Zaken het advies van de minister van Justitie niet zonder meer tot het zijne heeft gemaakt, maar de betrokken feiten “zelf ook in concreto geapprecieerd heeft”, hetgeen uit de formele en materiële motivering van zijn weigeringsbesluit blijkt, dat verzoeker ten onrechte beweert dat zijn rol in de feiten waarover de processen-verbaal handelen, beperkt is tot die van getuige of van persoon die de politie verwittigde; Overwegende dat de bestreden beslissing verzoeker de gevraagde vergunning weigert omdat hij niet voldoet aan artikel 5, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid; dat naar eis van dat voorschrift, zoals het toentertijd luidde, de personen die de werkelijke leiding hebben van een bewakingsonderneming moeten voldoen aan de moraliteits-voorwaarden noodzakelijk voor een leidinggevende functie, en geen feiten mogen gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene; dat de verwerende partij bij de beoordeling of de betrokkene al dan niet aan genoemd voorschrift voldoet over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt; Overwegende dat hieruit volgt dat het, in tegenstelling tot wat verzoeker meent, irrelevant is dat hij “geen enkele strafrechtelijke veroordeling” heeft opgelopen voor de feiten waaruit is besloten dat hij niet voldoet aan de moraliteitsvoorwaarden en aan de voorwaarden inzake beroepsdeontologie; dat er eveneens uit volgt dat het de minister niet verboden is zich streng te betonen; dat een en ander evenwel niet belet dat hoe dan ook de overheid haar beoordeling moet steunen op feiten die met de minimaal vereiste precisie zijn vastgesteld en geacht mogen worden voldoende vast te staan; XII-3191-4/7 Overwegende dat de verwerende partij zich voor haar oordeel dat verzoeker niet beantwoordt aan de moraliteitsvoorwaarden en de voorwaarden inzake beroepsdeontologie, wezenlijk heeft verlaten op het negatief advies van 2 november 2000 van de procureur des Konings te Tongeren; dat dit advies steunt op vier inbreuken “gekend nationale documentatie Gerechtelijke Politie” en zeventien inbreuken “gekend Parket Procureur des Konings te Tongeren”; Overwegende dat één van de eerstgenoemde inbreuken wordt omschreven als “onwettige bewerking en vervaardiging van verdovende middelen, in casu XTC”; dat zij wordt gestaafd door een proces-verbaal waarin wordt gerelateerd dat bij verzoeker een “reeks potjes en pillen” in beslag is genomen die ter controle op psychotrope stoffen aan een laboratorium zijn overgedragen, en dat vernomen werd dat verzoeker “zou werken in een groot XTC-labo en dit als laborant”; dat uit niets blijkt wat uiteindelijk de bevindingen van het laboratorium zijn geweest; dat bovendien, getuige stuk 19 bij de memorie van wederantwoord, verzoeker op 3 juni 1997 en 3 november 1998 vrijgesproken is door de correctionele rechtbank van Tongeren, respectievelijk het hof van beroep te Antwerpen van de tenlastelegging om amfetamines en/of XTC vervaardigd, in het bezit gehad, verkocht of te koop gesteld, afgeleverd of aangeschaft te hebben; dat dan ook niet begrepen wordt hoe de verwerende partij er in de memorie van antwoord toe komt te betwisten dat verzoeker “voor bepaalde drugsfeiten ‘vrijgesproken’” werd; Overwegende dat een andere door de “nationale documentatie Gerechtelijke Politie” gekende inbreuk “opzettelijke slagen en verwondingen aan kind beneden 16 jaar” betreft; dat het feit alleen gestaafd wordt door (een gedeelte van) een proces-verbaal waarin slechts wordt gesteld dat verzoeker bij een twist aan de deur van een café, een slag aan ene Noelmans “zou gegeven hebben” en dat hij dat betwist; dat dit enkele stuk al te mager voorkomt om de opzettelijke slagen en verwondingen voor bewezen te kunnen houden; dat dit des te meer het geval is waar verzoeker bij zijn memorie van wederantwoord (stuk 13) ándere (gedeelten van) processen-verbaal voegt, die ervan doen blijken dat verschillende getuigen zijn zienswijze delen; Overwegende dat, in zoverre de procureur zich voor zijn negatief advies baseerde op de zeventien inbreuken “gekend Parket Procureur des Konings te Tongeren”, hij dat klaarblijkelijk deed zonder van die inbreuken ook maar enige bijzonderheid te kennen; dat hij van de concrete toedracht van de feiten alleen wist XII-3191-5/7 dat ze negen keer verband hielden met “opzettelijke slagen en verwondingen”, vier keer met “verdovende middelen”, twee keer met “beschadigingen” en één keer met “belastingontduiking”; dat over één inbreuk zelfs helemaal geen enkele inlichting blijkt gegeven; dat, bij gebrek aan de nodige kennis van zaken, er geen sprake kan geweest zijn van een in concretoappreciatie van de besproken feiten door de procureur des Konings; dat dit bijgevolg eveneens de verwerende partij geldt, ook al wil zij het in de memorie van antwoord anders doen geloven; dat zij immers over geen andere informatie beschikte dan deze vervat in het advies van de procureur des Konings en de erbij gevoegde processen-verbaal; dat verwerende partij na de ontvangst van het advies van de procureur des Konings bij verzoeker wel nog “ontbrekende documenten en inlichtingen” heeft opgevraagd (memorie van antwoord, II, 8), maar het niet nodig vond hem met de in het advies bezwaarlijk geachte inbreuken te confronteren en ter zake om zijn standpunt of om verduidelijking te vragen; Overwegende, samenvattend, dat de bestreden beslissing steunt op feiten die onvoldoende vaststaan of niet naar behoren zijn vastgesteld; dat dit de grondslag van de beslissing aantast; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 18 april 2001 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij Pierre Caenen de vergunning tot het exploiteren van een bewakingsonderneming wordt geweigerd. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-3191-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3191-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.