← België

Arrest 162839 - - 28/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.839 Rolnummer: A. 77625/XII-1088 Zaak: Arrest 162839 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 05:08 Fiche Arrest nr 162.839 van 28 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.839 van 28 september 2006 in de zaak A. 77.625/XII-

  1. In zake : de STAD AALST tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad Aalst op 12 februari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de besluiten van 4 december 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij de subsidies voor het werkingsjaar 1996 voor de gemeentelijke plaatselijke openbare bibliotheek van Aalst worden verrekend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 25 april 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. Van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van bibliothecaris M. De Neef, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris N. De Smet, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-1088-1/4 Gehoord het behalve wat de kosten betreft, eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij besluiten van 26 juni 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen voorschotten worden toegekend aan de plaatselijke openbare bibliotheek van de stad Aalst voor administratief personeel, voor onderhoudspersoneel en voor technische werkingskosten; dat bij de thans bestreden besluiten van 4 december 1997 de subsidies worden verrekend, rekening houdend met de reeds betaalde voorschotten “en met de beslissing van de Bestendige Deputatie i.v.m. de maximale totale subsidies voor de sector openbare bibliotheken”; dat dit resulteert in het verlenen van subsidies voor administratief personeel “zijnde 86,7% van 60% van de subsidieerbare uitgaven”, voor onderhouds- personeel “zijnde 82,4% van 60% van de subsidieerbare uitgaven” en voor technische werkingskosten “zijnde 75,9% van 60% van de subsidieerbare uitgaven”; Overwegende dat verwerende partij de rechtsmacht van de Raad van State betwist, omdat het werkelijk voorwerp van het beroep de erkenning van een subjectief recht betreft; dat verzoekster antwoordt dat zij niet de uitbetaling van de subsidies aanklaagt, maar “de eigenmachtige op niets steunende ongemotiveerde miskenning” van de artikelen 91 en 92 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 november 1991 houdende uitvoering van het decreet van 19 juni 1978 betreffende het Nederlandstalige openbare bibliotheekwerk (het decreet van 19 juni 1978 hierna het bibliotheekdecreet en het besluit van 13 november 1991 hierna het uitvoeringsbe- sluit genoemd); Overwegende dat verzoekster inderdaad in haar enig annulatiemid- del de schending aanvoert van de artikelen 91 en 92 van het uitvoeringsbesluit; dat artikel 92 de subsidieerbare uitgaven bepaalt waarvan het artikel 91 stelt: “Door de provincies worden, ten belope van 60 % van de subsidieerbare uitgaven, werkingstoelagen toegekend aan de erkende nederlandstalige P.O.B.’s en C.O.B.’s daarbij rekening houdende met de bepalingen van dit besluit”; dat dit artikel uitvoering geeft aan het artikel 8, § 1, van het bibliotheekdecreet, dat luidt: XII-1088-2/4 “De last van de uitgaven voor de werking van de erkende openbare bibliotheken, uitgezonderd die van de speciale openbare bibliotheken, wordt verdeeld over de inrichtende besturen en de provincies. Het aandeel van de provincies in de kosten bedraagt 60% van de subsidieer- bare uitgaven. De Koning regelt de bijdrage van de provincies”; dat verzoekster meer bepaald doet gelden dat zij “integraal aan het onder artikel 91 van het decreet [lees: uitvoeringsbesluit] bepaalde [voldoet en] aldus in aanmerking [komt] voor een subsidiëring van 60% van de werkingskosten, zoals bepaald in artikel 92”; dat de bestendige deputatie volgens verzoekster is “afgeweken van haar decretale verplichting [...] om deze subsidiëring ad 60% uit te betalen” en dat het verwerende partij niet is toegelaten “om de decreten [...] naast zich neer te leggen”; dat verzoekster ook precies becijfert welk bedrag aan subsidies zij “te weinig” heeft ontvangen; Overwegende dat, zelfs als zou worden aangenomen dat de bestreden beslissing een constitutieve beslissing is die naar haar aard een aanvechtbare rechtshandeling zou vormen, de Raad van State dan toch niet om de vaststelling heen kan dat verzoekster, die oordeelt dat zij voldoet aan de objectieve, wettelijke toekennings- voorwaarden om voor haar bibliotheek subsidies te krijgen ten belope van een door haar berekend bedrag à zestig procent van de subsidieerbare werkingskosten, in het enige middel argumenteert dat zij recht heeft om die subsidies te krijgen en het bestaan van dit recht en de omvang ervan rechtstreeks put uit de door haar geschonden genoemde reglementaire bepalingen; dat verzoekster de Raad van State met andere woorden er wil toe brengen uitspraak te doen over een verplichting van de provincie die beantwoordt aan een subjectief recht; dat, gelet op de bevoegdheids- verdeling vastgelegd in de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, de Raad van State niet vermag kennis te nemen van het enig middel; dat, bij gebrek aan ontvankelijke middelen, het beroep insgelijks niet ontvankelijk is; dat dit desnoods ambtshalve dient te worden vastgesteld, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. XII-1088-3/4 Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1088-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.839 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.