← België

Arrest 162841 - - 28/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.841 Rolnummer: A. 88490/XII-2365 Zaak: Arrest 162841 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 05:08 Fiche Arrest nr 162.841 van 28 september 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.841 van 28 september 2006 in de zaak A. 88.490/XII-

  1. In zake : Donald VAN DE MAELE, die woonplaats kiest bij advocaat F. Van Neck, kantoor houdende te Aalst, Maj. Claserstraat 8, bus 11 tegen :
  2. de STAD AALST,
  3. het VLAAMSE GEWEST. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Donald Van De Maele op 16 december 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “* het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport dd. 15 oktober 1999, houdende goedkeuring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst van 26 juli 1999 houdende het opleggen van een tuchtsanctie van schorsing gedurende vier weken aan verzoeker Donald Van De Maele, eerste sergeant bij de brandweer van de stad Aalst; * de beslissing, aan verzoeker Van De Maele medegedeeld middels een ter post aangetekende brief dd. 2 augustus 1999, van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst van 26 juli 1999 waarbij aan verzoeker in zijn hoedanigheid van eerste sergeant bij de brandweerdienst van de stad Aalst een tuchtsanctie werd opgelegd van schorsing gedurende vier weken”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 20 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2365-1\7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. Herpelinck, die loco advocaat F. Van Neck verschijnt voor verzoeker, en van bestuurssecretaris C. Vandaele, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Op 26 juli 1999 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst om verzoeker, eerste sergeant bij de brandweer van de stad Aalst, bij tuchtmaatregel gedurende vier weken te schorsen met inhouding van wedde “wegens tekortkomingen aan zijn beroepsplichten inzonderheid inzake loyauteit door te trachten de hiërarchische overste door leugens in diskrediet te brengen”. Dit tuchtbesluit maakt het tweede voorwerp uit van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Met een aangetekende brief van 2 augustus 1999 delen de burgemeester en de stadssecretaris aan verzoeker mede : “Hierbij brengen wij u de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen dd. 26 juli 1999 ter kennis waarbij u als tuchtstraf vier weken schorsing met inhouding van wedde wordt opgelegd wegens tekortkomingen aan uw beroepsplichten inzonderheid inzake loyauteit door te trachten de hiërarchische overste door leugens in diskrediet te brengen. XII-2365-2\7 Tegen deze beslissing kan een beroep worden ingesteld bij de heer Minister van de Vlaamse Gemeenschap -dienst tuchtzaken- Markiesstraat 1 te 1000 Brussel en dit binnen de

(30)dertig dagen.”. Met een aangetekende brief van dezelfde datum zenden de burgemeester en de stadssecretaris het volledige tuchtdossier en “een afschrift van de betekening van de uitspraak aan de betrokkene” naar het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Met een aangetekende brief van 18 augustus 1999 dient verzoeker tegen het tuchtbesluit beroep in bij de Vlaamse minister die de binnenlandse aangelegenheden onder zijn bevoegdheid heeft. De Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, ambtenarenzaken en sport beslist op 15 oktober 1999 het tuchtbesluit van 26 juli 1999 van het college van burgemeester en schepenen goed te keuren. Dit goedkeuringsbesluit maakt het eerste voorwerp uit van het voorliggende beroep tot nietigverklaring; De ontvankelijkheid van het beroep
  1. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie opwerpt in verband met de vermeende laattijdigheid van het beroep; dat in het auditoraatsverslag het verschil wordt uiteengezet tussen, eensdeels, de datum van verzending van het beroep en, anderdeels, de datum van ontvangst door de griffie om finaal te besluiten dat het verzoekschrift tijdig werd ingediend; dat eerste verwerende partij in de laatste memorie niet meer op de kwestie terugkomt en dienvolgens geacht wordt aan de exceptie te verzaken; De gegrondheid van het beroep
  2. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 305, §3, en artikel 307, eerste en derde lid, van de nieuwe gemeentewet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 5, tweede lid, van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet, doordat de eerste verwerende partij hem het bestreden tuchtbesluit als zodanig niet ter kennis heeft gebracht, maar hem slechts middels een XII-2365-3\7 aangetekende brief van 2 augustus 1999 heeft laten weten dat het college van burgemeester en schepenen op 26 juli 1999 ten aanzien van hem een tuchtrechtelijke beslissing had genomen;
  3. Overwegende dat die grief meer fundamenteel het probleem aan de orde brengt of het bestreden tuchtbesluit krachtens artikel 307, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet als ingetrokken moet worden beschouwd, wat in voorkomend geval de Raad van State er ambtshalve toe brengen moet vast te stellen dat daardoor het voorliggende beroep tot nietigverklaring zijn materiële voorwerp heeft verloren; Overwegende dat bedoeld artikel 307 van de nieuwe gemeentewet luidt : “Van de met redenen omklede beslissing wordt zonder verwijl kennis gegeven aan de betrokkene, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door overhandiging tegen ontvangstbewijs. Wordt van de beslissing geen kennis gegeven binnen de termijn van tien werkdagen, dan wordt ze als ingetrokken beschouwd. Tuchtvervolging voor dezelfde feiten kan niet worden ingesteld. In de kennisgeving van de beslissing wordt melding gemaakt van de bij de wet bepaalde rechtsmiddelen en van de termijn waarbinnen ze uitgeoefend kunnen worden.”; Overwegende dat uit de aangehaalde wetsbepaling blijkt dat de voorgeschreven kennisgeving niet alleen de eigenlijke tuchtbeslissing, maar ook de motieven ervan moet omvatten: “de met redenen omklede beslissing” moet ter kennis worden gegeven; dat zulks ten overvloede bevestiging vindt in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat de wet van 24 mei 1991 is geworden, die de aangehaalde wetsbepaling in de nieuwe gemeentewet heeft ingevoegd (Parl. St. Kamer 1990-91, nr. 1400/1, 15) : “De beslissing, de motivatie inbegrepen, moet binnen een termijn van tien werkdagen worden betekend aan de betrokkene hetzij bij ter post aangetekend schrijven, hetzij door overhandiging tegen ontvangstbewijs. De termijn begint te lopen de dag volgend op de beslissing. Geschiedt de betekening niet, dan vervalt de tuchtstraf.”; Overwegende dat de eerste verwerende partij argumenteert: “het aangetekend schrijven van 2 augustus 1999 + het integrale tuchtbesluit van het College van Burgemeester en Schepenen dd. 26 juli 1999 werden als 1 geheel overgemaakt aan de heer Donald Van de Maele”; dat, nog steeds volgens de eerste verwerende partij, uit het beroep dat verzoeker heeft ingesteld bij de Vlaamse XII-2365-4\7 regering en waarin hij ook de motieven tracht te weerleggen, duidelijk blijkt dat verzoeker volledig op de hoogte was van de inhoud van de beslissing; dat de tweede verwerende partij ook die argumentatie volgt en meent dat het probleem is te herleiden tot een ongelukkige formulering van de betekeningsbrief van 2 augustus 1999; Overwegende dat het tuchtbesluit van 26 juli 1999 er is gekomen, nadat eerder een tuchtsanctie van 26 april 1999 voor onder meer hetzelfde tuchtfeit door de toezichthoudende overheid niet was goedgekeurd; dat verzoeker in die context met een en ander al zodanig goed bekend was, dat het niet mag verbazen als hij, ook zonder kennis te hebben van het tuchtbesluit zelf, op grond van de hiervoor geciteerde brief van 2 augustus 1999 in staat zou zijn een beroepschrift op te stellen; dat hij in dat beroep in hoofdorde twee bepalingen van de nieuwe gemeentewet geschonden noemt wegens verjaring van de feiten en het niet meedelen welke leden aan de stemming over de tuchtmaatregel hebben deelgenomen; dat hij in ondergeschikte orde “wat betreft de feiten” een reeks opmerkingen maakt over de gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan de tuchtprocedure en aan het verwijt “te trachten de hiërarchische overste door leugens in diskrediet te brengen” en hij “in uiterst ondergeschikte orde” vraagt dat een lichtere straf zou worden opgelegd; dat de verwerende partijen in het aldus opgestelde beroepschrift geen concrete passages aanduiden, en de Raad er geen ziet, die kunnen aantonen dat het tuchtbesluit van 26 juli 1999 zelve aan verzoeker bekend moet zijn geweest; dat, hoe dan ook, het feit dat verzoeker op 18 augustus 1999 een beroep instelt waarin hij bij veronderstelling ook motieven van het tuchtbesluit zou aanvechten, niet bewijst dat hij van die motieven kennis heeft gekregen binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van tien werkdagen; Overwegende dat in de voorliggende zaak in het administratief dossier met betrekking tot de kennisgeving aan verzoeker enkel de hiervoor aangehaalde brief van 2 augustus 1999 berust; dat die brief geen bijlagen vermeldt, noch er uitdrukkelijk naar verwijst; dat uit de brief geenszins blijkt dat het tuchtbesluit integraal zou zijn bijgevoegd; dat de verwerende partijen ook anderszins het bewijs daarvan niet leveren; dat de Raad aanneemt dat aan verzoeker aldus enkel kennis werd gegeven van de opgelegde tuchtmaatregel en van de tekortkoming waarvoor die maatregel werd opgelegd; dat er echter op geen enkele wijze kennis werd gegeven van de feitelijke en juridische motieven die aan de tuchtbeslissing ten grondslag liggen, zo bij voorbeeld niet van de motivering van de strafmaat; XII-2365-5\7
  4. Overwegende dat de kennisgeving van de tuchtbeslissing aan verzoeker te dezen derhalve onvolledig is geweest, waardoor krachtens artikel 307, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet de tuchtbeslissing als ingetrokken moet worden beschouwd en de verwerende partij voor dezelfde feiten geen tucht- vervolging meer kan instellen; dat het voorliggende beroep tot nietigverklaring geen materieel voorwerp meer heeft; dat niettemin het bestreden tuchtbesluit nog een louter formeel bestaan leidt, zodat het omwille van de rechtszekerheid en de duidelijkheid van het rechtsverkeer wenselijk is dat het door de Raad van State toch wordt vernietigd, waardoor het volledig uit het rechtsverkeer verdwijnt;
  5. Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, het bestreden ministerieel goedkeuringsbesluit van 15 oktober 1999 dat het eerste voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep tot nietigverklaring volkomen zinledig is en zonder enig rechtseffect; dat het passend is, omwille van de rechtszekerheid en de duidelijkheid van het rechtsverkeer, dat ook dit besluit wordt vernietigd, zodat het volledig uit het rechtsverkeer verdwijnt, BESLUIT: Artikel
  6. Vernietigd worden het besluit van 26 juli 1999 van het college van burgemeester en schepenen van Aalst waarbij Donald Van De Maele bij tuchtmaat- regel een schorsing gedurende vier weken met inhouding van wedde wordt opgelegd en de goedkeuring van dat besluit bij beslissing van 15 oktober 1999 van de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, ambtenarenzaken en sport. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, elk voor de helft. XII-2365-6\7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2365-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.841 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.