← België

Arrest 162866 - - 28/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.866 Rolnummer: A. 134622/XIV-14383 Zaak: Arrest 162866 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-10 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 05:08 Fiche Arrest nr 162.866 van 28 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.866 van 28 september 2006 in de zaak A. 134.622/XIV-14.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Armeense nationaliteit, op 26 maart 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 februari 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 3 april 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; XIV-14.383-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat P. MEULEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché Gr. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. XXX en XXX, beide van Armeense nationaliteit, zijn België binnengekomen op 17 juli 2000 en hebben zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
  6. Op 16 maart 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 27 februari 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot bevestiging van deze beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissingen luiden als volgt: Wat XXX betreft: “A. Vluchtrelaas U, een Armeens staatsburger, verklaart dat u directeur was van de firma "Delta 1" die in 1997 werd opgericht met de steun van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Serch Sarkisjan. De taak van deze firma was toezien op de import en export in grote hoeveelheden. Jullie wilden op een legale wijze goederen naar Armenië brengen. De importgoederen betroffen voornamelijk drank en sigaretten. In het eerste trimester van 2000 kreeg jullie firma een controle van de belastinginspectie en bleek dat jullie organisatie metalen exporteerde naar Iran en vanuit Iran alcohol importeerde zonder het betalen van belasting. Volgens u was dit een vergissing daar u steeds de nodige belasting betaalde. Uw vriend en medewerker, A. beschouwde dit ook als een vergissing en beloofde er met Sarkisjan over te spreken om dit recht te zetten. U werd opgeroepen door de onderzoeksafdeling van de belastingsinspectie. Zij waren in het bezit van de originele documenten van de douane. Uw stempel was correct maar uw handtekening was vervalst. U eiste een verklaring van A. die tenslotte toegaf dat hij samen met Sarkisjan de in -en export met Iran verzorgde. A. zei u dat u de verantwoordelijkheid op u diende te nemen daar u de directeur was. A. had geen financiële verantwoordelijkheid. Het dossier werd doorgestuurd naar het parket. Op de laatste oproep van het parket ging u in en u deelde de onderzoeksrechter mee wat in XIV-14.383-2/8 werkelijkheid was gebeurd. Daar uw problemen verband hielden met een hooggeplaatste ambtenaar wilde hij echter niet luisteren. Er werd u meegedeeld dat u alleen verantwoordelijk was voor uw stempel. U maakte A. duidelijk indien u zou worden opgepakt, iedereen op de hoogte moest zijn van de waarheid. Een andere persoon bij A. verwittigde u niet te vergeten dat u een gezin had. Hierna werd uw vrouw telefonisch geïntimideerd en op een dag op de markt aangevallen. Er werd haar duidelijk gemaakt dat u de naam van Serch Sarkisjan niet mocht zwart maken. U contacteerde vervolgens een onafhankelijke krant. Hierna werd u bedreigd door A. en 3 andere mannen. U en uw vrouw werden geslagen. Hierna vluchtte u met uw gezin weg uit Armenië. U vroeg samen met uw vrouw en 2 kinderen asiel aan in België op 17 juli
  8. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde problemen, namelijk de belastingsinspectie die op de hoogte was van de (illegale) handel die uw medewerker samen met een hooggeplaatste ambtenaar verrichtte en deze laatsten die u vervolgens bedreigden opdat u de schuld op zich zou nemen, niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Nergens uit uw relaas blijkt immers dat u werd vervolgd omwille van criteria voorzien in deze Conventie. De door u aangehaalde problemen getuigen niet van een vervolging omwille van uw ras, uw nationaliteit, uw politieke of religieuze overtuiging of het feit dat u zou behoren tot een sociale groep. Aldus kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden weerhouden. De door u neergelegde documenten, namelijk uw paspoort, een attest van registratie van de firma "Delta 1", een contract met een andere firma en een medisch evaluatieverslag ivm het spreken van uw kind, tonen niet aan dat u werd vervolgd omwille van criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie en wijzigen aldus bovenstaande vaststelling niet. Ik acht het niet nodig u op te roepen voor gehoor daar uit uw verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. Uw verklaringen in uw dringend beroepschrift en in de vragenlijst bijgevoegd bij uw verklaring tot verderzetting van de procedure voegen geen nieuwe elementen bij aan uw verklaringen neergelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Wat XXX betreft: “A. Vluchtrelaas U, een Armeens staatsburger, verklaart dat uw man werkte bij de firma "Delta". Vanaf mei 2000 werd uw man dikwijls door het Openbaar Ministerie (OM) opgeroepen. Uw man lichtte u in dat collega's zijn stempel en zijn handtekening hadden gebruikt om grote hoeveelheden goederen uit te voeren naar Iran en andere landen. Het OM geloofde uw man niet en van uw man werd geëist dat hij een grote som belasting zou betalen. Uw man kon zijn onschuld echter niet bewijzen. Ook vanaf mei 2000 werden jullie bedreigd door een vriend en collega van uw man, A. S. die verantwoordelijk was voor de hele situatie. Hij dreigde ermee jullie gezin iets aan te doen indien uw man de waarheid zou bekend maken. Uw man nam contact op met een krant en had de bedoeling de situatie te laten publiceren. Rond 6 juni 2000 werd u aangevallen door 3 XIV-14.383-3/8 onbekende mannen. Zij maakten u wijs dat ze waren gestuurd door de regering waarmee ze bedoelden S. Sarkisian, een minister die de firma "Delta" sponserde. Op 9 juni 2000 werden jullie in jullie woning aangevallen door A. en nog 3 anderen. Op 17 juni 2000 vluchtten jullie weg uit Armenië. U vroeg samen met uw man en 2 kinderen asiel aan in België op 17 juli
  9. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat u zich baseert op dezelfde motieven als die aangehaald door uw echtgenoot ter staving van diens asielaanvraag. Aangezien in hoofde van uw echtgenoot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen daar zijn asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen, kan ook in uw hoofde onmogelijk een beslissing tot ontvankelijkheid van de asielaanvraag worden weerhouden. Het door u neergelegde paspoort doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststelling. Ik acht het niet nodig u op te roepen voor gehoor daar uit uw verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken en andere schriftelijke verklaringen duidelijk blijkt dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
  10. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  11. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “Schending van de hoorplicht, artikel 1.A. van de Vluchtelingenconventie en artikel 6 van het EVRM van 28 juli 1951 (beginselen van behoorlijk bestuur) in combinatie met de schending van artikel 52 - 62 van de Vreemdelingenwet en de materiële motiveringsplicht

(1)Schending van de hoorplicht, artikel 6 van het EVRM en de beginselen van behoorlijk bestuur (a) Aangezien het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen stelt dat de asielaanvraag onontvankelijk is omdat verzoeker niet is vervolgd conform de criteria voorzien de Vluchtelingenconventie; Aangezien de Commissaris-generaal het evenwel niet nodig vond verzoeker te horen terwijl nochtans verzoeker dan onmiddellijk kon verduidelijken dat dit wel degelijk ressorteerd onder de Vluchtelingenconventie (zie punt
(2)); Dat wanneer de administratieve overheid de bedoeling heeft om ten opzichte van betrokkenen een ingrijpende maatregel te treffen, zij de kans moet bieden uit te leggen waarom die maatregel niet gerechtvaardigd zou zijn dan wel de kans moet bieden om hun standpunt ter zake naar voren te brengen; Dat het horen van de betrokkenen de regel is, terwijl het niet horen slechts uitzonderlijk geldt; Dat het bevestigen van een verblijfsweigering ongetwijfeld een ingrijpende beslissing is daar het gaat om een fundamenteel recht; Dat zonder de uitoefening van het hoorrecht betrokkenen niet op een adequate wijze kunnen deelnemen aan de administratieve procedure, zeker wanneer de administratieve overheid; XIV-14.383-4/8 Dat derhalve verzoekers van oordeel zijn dat de hoorplicht werd geschonden, meer bepaald "het recht op verdediging en het recht om zijn volledig standpunt naar voor te brengen"; Zie: Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1993, 51; Aangezien van deze fundamentele verplichting, die een emanatie is van het fundamenteel recht van verdediging, slechts kan worden afgeweken wanneer de maatregel bij urgentie moet worden genomen of wanneer diegene tegen wie de maatregel overwogen wordt niet binnen een redelijke termijn bereikt kan worden of wanneer het horen van de betrokkenen geen verduidelijking kan brengen of wanneer de voorgenomen beslissing overwogen wordt op grond van een feit dat voor directe, eenvoudige constatatie door de overheid vatbaar is;
(1)Dat nochtans nergens uit de bestreden beslissingen blijkt dat de bevestiging van de weigering van het verblijf op Belgisch Grondgebied bij een dermate urgentie moest worden genomen dat er geen mogelijkheid bestond om verzoekers te horen;
(2)Dat evenmin uit de bestreden beslissingen blijkt dat de administratieve overheid verzoekers niet binnen een redelijke termijn hadden kunnen bereiken om hen te horen;
(3)Dat ook de beslissingen bovendien gesteund zijn op een feit dat voor eenvoudige constatatie vatbaar is; Aangezien de administratieve overheid bij de feitenvinding is gebonden door de zorgvuldigheidsplicht, wat impliceert dat zij alle nuttige en dienstige elementen moet vergaren om een zorgvuldig oordeel te kunnen vellen over het al dan niet bestaan van de voorwaarden om te worden aanvaard als politiek vluchteling; Dat indien het relaas van betrokkenen niet onwaarschijnlijk is het bestuur, om met kennis van zaken en met respect voor de beginselen van behoorlijk bestuur een beslissing te nemen, betrokkenen moet horen om aldus zo goed mogelijk het gedrag en de goede trouw van betrokkenen te kunnen evalueren; Dat precies door verzoekers niet te horen, zij in de onmogelijkheid worden gesteld om de vermeende onduidelijkheden, die de verwerende partijen meende twijfel i.v.m. de vervolging, toe te lichten en hun standpunt daaromtrent kenbaar te maken; Dat het Commissariaat-Generaal evenwel besloot om verzoekers niet te horen terwijl zij nochtans op dat ogenblik een antwoord hadden kunnen bekomen de vraag of hun problemen ressorteren onder de Conventie van Genève; (b) Aangezien verzoekers bovendien over nieuwe bijkomende documenten beschikten in afwachting van het verhoor voor het CGVS; Dat zowel art. 62 van de Vreemdelingenwet als de uitdrukkelijke motiveringsplicht hen verplichten om de beslissingen met redenen te omkleden d.w.z. de motieven voor de beslissing in de beslissing op te nemen. (c) Aangezien bovendien reeds door de Raad van State werd beslist op 23 januari 2001 inzake nr. 92 506 dat de mot(iv)eringsplicht wordt geschonden door eenvoudige verwijzing naar de bevestigende beslissing genomen t.o.v. andere familieleden hetgeen is geschiedt door in de beslissing van verzoekster te verwijzen naar deze van verzoeker;
(2)Schending van artikel 1.A. van de Vluchtelingenconventie in combinatie met artikel 52 - 62 van de Vreemdelingenwet en de materiële motiveringsplicht Aangezien het vluchtelingenverdrag wel vijf oorzaken van vervolging vermeldt maar "het behoren tot een bepaalde groep" van mensen een ruime interpretatie kent, die overigens verenigbaar is met de bedoelingen van de auteurs van het Vluchtelingenverdrag die in de aanbevelingen van de Slotakte werden opgenomen; Zie Slotakte van de Conferentie van gevolmachtigden van de Verenigde Naties betreffende de status van vluchtelingen en staatloze personen, 28 juli 1951, IV, E. Dat verzoeker behoort tot die groep die misbruikt wordt door de overheid om mee te werken aan tal van illegale praktijken en wanneer hieraan geen gevolg wordt gegeven wordt verzoeker in een positie van minderwaardigheid en onzekerheid geplaatst waardoor sprake is van vervolging; Zie CPRR (1ste kamer) nr. F099, 21 mei; CPRR (1ste kamer) nr. F037, 28 november 1991, Zie Handbook nr. 54; Dat verzoeker nochtans hulp heeft ingeroepen van het parket doch deze hechten meer geloof aan de verklaringen van de Minister van Binnenlandse Zaken, zijnde de heer Serch Sarkisjan, dan aan deze van verzoeker; XIV-14.383-5/8 Dat het CGVS nochtans niet ontkend dat verzoeker ook via de krant getracht heeft hulp te bekomen, zonder resultaat, integendeel het gezin werd nog meer geteisterd waardoor het kind van partijen zelfs in schok geraakte en een spraakgebrek vertoont; Dat trouwens ook wanneer misdrijven door particulieren wetens en willens door de overheid (die er zelfs aan heeft meegewerkt !) worden getolereerd en de overheid dus geen doeltreffende bescherming kan bieden er sprake is van vervolging; Zie R.v St. nr. 62 976, 6 november 1996, Rev. Dr. Etr. 1996, 759, T. Vreemd 1997, 74; Aangezien verzoekers dan ook, gelet op het voorgaanden, de vernietiging vragen van de beslissingen van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd 27 februari 2003 betrekkelijk de bevestigingen van de weigering van het verblijf op Belgisch Grondgebied;”; 2.2.
  1. Overwegende dat verzoekers zich in een enig middel beroepen op de schending van de hoorplicht, van artikel 1, A, van de Vluchtelingenconventie, van artikel 6 van het E.V.R.M. en de beginselen van behoorlijk bestuur, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de materiële motiveringsplicht; 2.2.
  2. Overwegende dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag van verzoeker concludeerde daar zij geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de asielaanvraag van verzoekster onontvankelijk werd verklaard daar zij kennelijk ongegrond is; 2.2.
  3. Overwegende dat in een eerste onderdeel van het enig middel verzoekers de schending van de hoorplicht, van artikel 6 van het E.V.R.M. en de beginselen van behoorlijk bestuur aanvoeren; dat de schending van artikel 6 van het E.V.R.M. niet dienstig kan worden aangevoerd; dat betwistingen in verband met de toegang, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen en de erkenning van hun asielrecht buiten de toepassingssfeer van artikel 6 van het E.V.R.M. vallen, omdat de desbetreffende regels een publiekrechtelijk karakter hebben; dat ten tijde van de bestreden beslissing geen verplichting in hoofde van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bestond om een kandidaat-vluchteling te horen; dat in het kader van een asielprocedure enkel vereist was dat verzoeker nuttig voor zijn belangen kon opkomen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verplicht was om een kandidaat-vluchteling te horen indien hij van oordeel was dat hij over voldoende relevante elementen beschikte om zijn beslissing op zorgvuldige wijze voor te bereiden en op afdoende wijze te motiveren; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers de kans hebben gekregen hun asielrelaas uiteen te zetten op de Dienst Vreemdelingenzaken, alsook bij het indienen van het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uitdrukkelijk motiveert dat hij het onnodig acht om verzoekers te horen daar uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat de problemen van verzoekers niet als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie XIV-14.383-6/8 kunnen worden bestempeld; dat verzoekers niet concreet aantonen welke verklaringen zij hadden wensen af te leggen tijdens een verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarom dit niet schriftelijk kon en geven ten slotte evenmin aan op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissingen zouden hebben kunnen ombuigen; 2.2.
  4. Overwegende dat in een tweede onderdeel van het enig middel verzoekers de schending van artikel 1, A, van de Vluchtelingenconventie, van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet en van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat ze laten gelden dat ze worden vervolgd omwille van het behoren tot een bepaalde sociale groep; dat verzoeker immers zou behoren “tot de groep die misbruikt wordt door de overheid om mee te werken aan tal van illegale praktijken” en “wanneer hieraan geen gevolg wordt gegeven wordt hij in een positie van minderwaardigheid en onzekerheid geplaatst”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terecht heeft geoordeeld dat personen die, zoals verzoeker, slachtoffer zijn van illegale praktijken met medewerking van een hooggeplaatste ambtenaar niet kunnen worden beschouwd als een “sociale groep”; 2.2.
  5. Overwegende dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  6. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-14.383-7/8 Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.383-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.866 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.