← België

Arrest 162867 - - 28/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.867 Rolnummer: A. 134667/XIV-14395 Zaak: Arrest 162867 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-10 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 05:09 Fiche Arrest nr 162.867 van 28 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.867 van 28 september 2006 in de zaak A. 134.667/XIV-14.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. ANTHONIS, kantoor houdende te 2200 HERENTALS, Lierseweg 3 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Mongoolse nationaliteit, op 27 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 februari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-14.395-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. VAN ERTVELDT die, loco Advocaat J. ANTHONIS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Gr. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Mongoolse nationaliteit, is België binnengekomen op 29 juni 2000 en heeft zich op 30 juni 2000 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 24 augustus 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 28 februari 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissing luidt als volgt: “Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U beweerde de Mongoolse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Darghan. Nadat uw man wegens moord veroordeeld werd, trok u in bij een vriendin. Na verloop van tijd begon haar man u seksueel lastig te vallen. Hij heeft u ook geslagen. U bent hiervoor éénmaal naar het ziekenhuis gegaan. Daarna vertelde u alles aan uw vriendin en diende u klacht in tegen haar man. De rechtszaak werd echter beslist in uw nadeel. U wou beroep indienen, maar hebt dit uiteindelijk niet gedaan. De man van uw vriendin heeft u ook met de dood bedreigd. U kreeg van uw vriendin geld om naar België te vluchten met uw zoon. Uw dochter verbleef nog een tijdje in Mongolië bij uw schoonouders, maar kwam na de dood van uw schoonmoeder bij u wonen in België. Op 30 juni 2000 vroeg u hier asiel aan. Nergens uit uw vluchtrelaas blijkt dat u persoonlijk zou vervolgd worden omwille van één van de criteria opgesomd in de Vluchtelingenconventie (ras, nationaliteit, etnie, godsdienst of lidmaatschap sociale groep). De problemen die u had met de man van uw vriendin zijn immers van louter interpersoonlijke en gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard en ressorteren derhalve niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Ook kan u nergens in uw verhaal aannemelijk maken dat u omwille van één van de bovenvermelde gronden bij eventueel verdere problemen met derden niet op bescherming van de Mongoolse autoriteiten kon rekenen. U kan niet aannemelijk maken dat u niet verder had kunnen proberen uw rechten te laten gelden door een beroepsprocedure te beginnen tegen de beslissing van het gerecht. Ten slotte dient vermeld dat de documenten die u voorlegt (een intern paspoort en de geboorteaktes van uw twee kinderen) enkel uw identiteit en die van de kinderen bewijzen. Deze documenten hebben echter geen betrekking op de inhoud van uw asielrelaas en kunnen de bovenvermelde conclusie niet weerleggen.”. XIV-14.395-2/6
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  7. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “EERSTE EN ENIG MIDDEL Middel afgeleid uit de schending van de Artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de Artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli betreffende de motivering van bestuurshandelingen en het algemeen beginsel van motiveringsplicht. Doordat de C.G.V.S. in de bestreden beslissing oordeelt dat de asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, noch enig ander criteria die de toekenning van asiel wettigen. Dat de C.G.V.S. nl. besluit dat de aangehaalde problemen louter van interpersoonlijke en gemeenrechtelijke aard zijn en derhalve niet resorteren onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. En dat verzoekende partij het niet aannemelijk maakt dat zij omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève bij eventuele verdere problemen niet op de bescherming van de Mongoolse autoriteiten kon rekenen en het niet aannemelijk maakt dat zij niet verder had kunnen proberen om haar rechten te laten gelden door een beroepsprocedure te beginnen. Terwijl de C.G.V.S. op basis van het administratief dossier en meer bepaald de opvolgende verklaringen van verzoekende partij niet tot dit besluit vermocht te komen. Dat zijn beslissing om deze redenen niet behoorlijk werd gemotiveerd. Uiteenzetting van het middel: Dat de C.G.V.S. nl. ten onrechte stelt dat nergens uit het relaas van verzoekende partij zou blijken dat verzoekende partij vervolgd wordt omwille van één van de criteria opgesomd in de Vluchtelingenconventie (ras, nationaliteit, etnie, godsdienst of lidmaatschap sociale groep). Dat nochtans uit de eensluidende verklaringen van verzoekende partij bij het interview door de D.V.Z. en het C.G.V.S. klaar en duidelijk blijkt dat de problemen waarmede concluant werd geconfronteerd gendergebonden zijn, nl. zij werd als vrouw verkracht, geslagen en met de dood bedreigd. Dat deze daden van agressie niet uitgingen van de overheid, doch verzoekende partij diende vast te stellen dat zij tegen deze daden van agressie geen bescherming kon inroepen bij de overheden van haar land. Dat sexueel geweld , ook wanneer het uitgaat van particulieren, als een vorm van vervolging in de zin van de Conventie van Genève kan worden beschouwd, op voorwaarde dat dit feitelijk wordt aangemoedigd of getolereerd door de overheid; omdat de betrokkene dan geen beroep meer kan doen op de bescherming van deze overheid. (Sylvie Kormoss, De genderspecifieke dimensie inzake asiel: beknopte analyse van het internationaal en Belgisch juridisch kader, Tijdschrift voor vreemdelingenrecht, de Keure, jaargang, 2002, nr. 1, p. 18) Dat de C.G.V.S. ten onrechte besluit dat zij het niet aannemelijk maakt dat zij omwille van één van de vermelde criteria niet op bescherming van de autoriteiten kon rekenen. Dat ook hier het genderspecifieke duidelijk blijkt uit haar vluchtrelaas en waaruit moet worden besloten dat het aannemelijk is dat de autoriteiten haar problemen niet ernstig namen precies omdat zij een vrouw is. Dat de C.G.V.S. ten onrechte stelt dat zij het niet aannemelijk maakte bij eventuele verdere problemen niet op de bescherming van de Mongoolse autoriteiten te kunnen rekenen en het niet aannemelijk maakt dat zij niet verder had kunnen proberen om haar rechten te laten gelden door een beroepsprocedure te beginnen. Dat nochtans verzoekende partij in haar opeenvolgende interviews duidelijk heeft gemaakt dat zij een klacht heeft neergelegd, doch deze klacht niet ernstig werd genomen doordat de man in kwestie zich een een advocaat kon veroorloven, wat zij niet kon, invloed had en de zaak zonder gevolg werd gelaten door een corrupte rechter (p. 2 en 3 interview-verslag C.G.V.S.). XIV-14.395-3/6 Dat zij, zodoende, duidelijk heeft aangegeven dat zij voor deze genderspecifieke problematiek inderdaad niet ernstig werd genomen en er voor haar geen effectieve bescherming voorhanden was. Dat de C.G.V.S. ten onrechte oordeelt dat het feit dat verzoekende partij geen beroep instelde, dit ontbreken van effectieve bescherming niet aannemelijk maakt. Dat zoals reeds aangegeven er door verzoekende partij verschillende redenen werden opgegeven waarom zij geen beroep instelde: invloed van haar man, ontbreken van de nodige middelen voor een advocaat en tevens het feit dat zij inmiddels doodsbedreigingen had ontvangen. Dat rekening houdend met de voorgaande ervaringen, verzoekende partij een gegronde vrees mocht hebben dat zij geen effectieve steun te verwachten had van de autoriteiten en, mede uit vrees voor de doodsbedreigingen, het land is ontvlucht. Dat de man overigens ongemoeid werd gelaten niettegenstaande zij in het ziekenhuis werd geslagen. Dat de beslissing van het C.G.V.S. dan ook onvoldoende is gemotiveerd. Dat dit middel gegrond is.”; 2.2.
  8. Overwegende dat verzoekster zich in het enig middel beroept op de schending van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de motiveringsplicht; 2.2.
  9. Overwegende dat artikel 52, § 1, 2/, b) van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze geen verband houdt met de criteria bepaald bij artikel 1, A,

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat, om een exact beeld van de situatie te krijgen waarin de vreemdeling zich bevindt ten tijde van het onderzoek van het dringend beroep de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te nemen; dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft geconcludeerd dat de asielaanvraag van verzoekster geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen daar nergens uit haar vluchtrelaas blijkt dat zij persoonlijk zou vervolgd worden omwille van één van de criteria opgesomd in de Vluchtelingenconventie, dat de problemen die zij had met de man van haar vriendin van louter interpersoonlijke (strafrechtelijke) aard zijn en derhalve niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie, dat verzoekster het verder niet aannemelijk kan maken dat zij omwille van één van de bovenvermelde gronden niet op bescherming van de Mongoolse autoriteiten kon rekenen, dat zij het niet aannemelijk kan maken dat zij niet verder had kunnen proberen haar rechten te laten gelden door een beroepsprocedure te beginnen tegen de beslissing van het gerecht; dat, zo sexueel geweld als een vorm van vervolging kan worden beschouwd, het slechts onder het toepassingsgebied XIV-14.395-4/6 van de Vluchtelingenconventie valt indien het ingegeven is door één van de in deze conventie opgesomde criteria en op voorwaarde dat betrokkene ertegen geen beroep kan doen op de bescherming van zijn overheid; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelde dat de problemen van verzoekster met de man van haar vriendin “van louter interpersoonlijke en gemeenrechtelijke aard waren en derhalve niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de vluchtelingenconventie”; dat volgens de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het met andere woorden gaat om “gewoon” sexueel geweld; dat verzoekster erop wijst dat haar problemen gendergebonden zijn, doch dit niet voldoende toelicht; dat zij niet verduidelijkt welke gendergebonden gegevens ten onrechte zouden zijn genegeerd; dat ze evenmin enig gegeven aanbrengt dat van aard is een verband te leggen met de in de Conventie van Genève opgenomen vervolgingsgronden; dat, wat de bescherming vanwege de overheid betreft verzoekster erop wijst dat ze klacht heeft neergelegd maar dat deze klacht niet ernstig werd genomen doordat de man van haar vriendin zich een advocaat kon veroorloven, wat zij niet kon, invloed had en de zaak zonder gevolg werd gelaten door een corrupte rechter; dat verzoekster aldus duidelijk maakt waarom ze haar zaak in eerste aanleg niet heeft kunnen winnen, maar weerlegt noch ontkracht zodoende het motief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat “ze had kunnen proberen haar rechten te doen gelden door een beroepsprocedure te beginnen tegen de beslissing van het gerecht”; dat de omstandigheid dat ze zich geen advocaat kan veroorloven overigens van economische aard is en niet vermag aan te tonen dat haar overheidsbescherming zou worden geweigerd; dat uit het voorgaande volgt dat verzoekster het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen artikel 52 van de Vreemdelingenwet of de motiveringsplicht heeft geschonden bij het nemen van de bestreden beslissing; dat het enig middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-14.395-5/6 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.395-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.867 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.