id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.868 Rolnummer: A. 131880/XIV-13487 Zaak: Arrest 162868 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 05:09 Fiche Arrest nr 162.868 van 28 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.868 van 28 september 2006 in de zaak A. 131.880/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 16 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van ten eerste de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, en van ten tweede “de mogelijke gevolgen en uitvoeringsbesluiten tot verwijdering die hiervan het gevolg zouden kunnen zijn door de Dienst Vreemdelingenzaken”; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 22 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; XIV-13.487-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Gr. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Nepalese nationaliteit, is België binnengekomen op 12 december 2000 en heeft zich op 13 december 2000 vluchteling verklaard. 1.
- Op 1 februari 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 17 december 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissing luidt als volgt: “Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Nepalees staatsburger afkomstig uit Toplejung, verklaart verscheidene problemen te hebben gehad in Nepal, omwille van uw politieke activiteiten. Op 26/7/2057 (Nepalese tijdrekening; komt overeen met 11/11/2000 Europese tijdrekening) verliet u Nepal. Op 12/12/2000 kwam u aan in België waar u op 13/12/2000 asiel aanvroeg. U bent niet in het bezit van een geldig Nepalees identiteitsbewijs maar beschikt wel over een studentenkaart. Volgens de verklaringen die u aflegde voor het Commissariaat – Generaal op 7 oktober 2002, werd u in de tweede maand van 2056 (mei/juni 1999), toen u studeerde in Kathmandu, lid van de studententak van de illegale partij Mao-Badi, namelijk ANNFSU-R (All Nepal National Free Students Union – Revolutionary) . U maakte publiciteit voor de Mao-Badi. Op 5/5/2056 (21/8/1999) werd u in het studentenhuis, waar u verbleef, gearresteerd samen met vijf andere studenten. De politie had uw kamer doorzocht maar niets bezwarends gevonden. U werd gedurende 5 dagen vastgehouden en geslagen. U werd vrijgelaten omdat men geen bewijzen tegen u kon verzamelen. Na dit incident kon u niet meer verder studeren. Daarom verhuisde u naar het district Dolakha waar u zich aansloot bij de Mao-Badi. U verspreidde er samen met een groepje van 4 à 5 personen publiciteit voor de Mao-Badi. Op 20/7/2056 (6/11/1999) bevond u zich met enkele collega’s in een huis waar jullie aan het lunchen waren. U droeg een zak vol pamfletten die jullie dienden te verspreiden. De politie viel echter binnen en u, als drager van de pamfletten, werd gearresteerd. U werd ongeveer 2,5 maand vastgehouden (tot 3/10/2056 (17/1/2000)) in Charikot. U werd er ondervraagd en geslagen. U werd vrijgelaten omdat u ziek was. Bij uw vrijlating moest u wel een XIV-13.487-2/7 document ondertekenen dat stelde dat indien u uw politieke activiteiten zou hervatten, de politie eender welke stappen tegen u kon ondernemen. Na uw vrijlating zette u uw politieke activiteiten voor de Mao-Badi echter voort. Op 25/7/2057 (10/11/2000) werd u echter een derde keer gearresteerd, toen u zich in de stad Shingati bevond om enkele boodschappen te doen. De politie wou u te voet naar Charikot overbrengen maar u slaagde erin te ontkomen. U vluchtte naar de stad Kadi Chowr waar u plaats nam in een vrachtwagen die u naar India bracht. In India nam u contact op met uw oom die u aanraadde niet terug te keren naar Nepal en ook India te verlaten. Hij regelde uw reis naar België met een agent. Er dient vooreerst te worden opgemerkt dat er tegenstrijdigheden zijn tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en voor het Commissariaat- generaal (CGVS) die toelaat de oprechtheid van uw beweringen in twijfel te trekken. Wat betreft de duur van uw opsluiting na de tweede arrestatie, verklaarde u immers voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u tijdens uw tweede arrestatie gedurende 13 dagen werd vastgehouden (van 6/11/1999 tot 19/11/1999) (zie gehoorverslag DVZ, nr.42). Voor het Commissariaat – Generaal verklaarde u echter, tot tweemaal toe, dat u na uw tweede arrestatie gedurende 2,5 maand opgesloten zat (zie gehoorverslag CGVS, p.8). Ook aangaande uw laatste arrestatie legt u tegenstrijdige verklaringen af. Zo verklaart u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u toen door een agent in burger werd gearresteerd (zie gehoorverslag DVZ, nr. 42). Terwijl u voor het Commissariaat- generaal verklaarde dat u werd aangesproken door enkele personen in burger en naderhand gearresteerd werd door vijf personen in uniform (zie gehoorverslag CGVS, p. 10). Gezien het belang van deze incidenten in uw vluchtrelaas tasten deze tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze aan. Er dient bovendien te worden opgemerkt dat er kan getwijfeld worden aan uw beweringen als zou u een actief lid van de ANNFSU-R geweest zijn. Zo weet u niet wie de nationale leider en de districtsleider waren van de ANNSFU-R, noch wie de district – leider of de lokale leiders van de Mao-Badi waren op het moment dat u lid was van ANNSFU-R (zie gehoorverslag CGVS, pp.5-7). U weet bovendien niet of u, toen u lid was van ANNFSU-R, al dan niet beschouwd werd als lid van de Mao-Badi (zie gehoorverslag CGVS, p.5). Verder antwoordt u telkens vaag op vragen die peilen naar uw kennis over inhoud van het programma en de doelstellingen van de Mao-badi (zie gehoorverslag CGVS, pp. 5 & 7). Vervolgens beweert u dat de Mao-badi enkel geweld gebruiken tegen de Nepalese autoriteiten en niet tegen gewone burgers (zie gehoorverslag CGVS, p.7). Uit de gegevens waarover het Commissariaat - Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt echter dat de Mao-badi wel degelijk geweld gebruiken tegen de burgerbevolking. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat het merkwaardig is dat u uw politieke activiteiten niet wenst verder te zetten in België (zie gehoorverslag CGVS, p.7) hoewel hier een tak van de Mao-badi werkzaam is. Dit alles doet ernstige twijfels ontstaan over uw beweerde lidmaatschap van en activiteiten voor de Mao-badi. Tenslotte overstijgt uw vrees het lokale niveau niet. Gezien uit de gegevens waarover het Commissariaat - Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat leden van de Mao-Badi, die geen leidinggevende functies uitoefenen, problemen met de politie kunnen ontwijken door zich elders in Nepal te vestigen, heeft u onvoldoende ernstige redenen aangehaald waarom u niet van dit intern vluchtalternatief gebruik kon maken. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (studentenkaart, kopie lidkaart karatefederatie) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet omdat ze enkel identiteits -en biogegevens van u bevatten, waar niet aan wordt getwijfeld. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld.”.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. XIV-13.487-3/7 Overwegende dat, naar luid van artikel 20, 2/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het verzoekschrift tot nietigverklaring, onder meer, het voorwerp van het beroep dient te bevatten; dat, de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen buiten beschouwing gelaten, de verzoekende partij niet voldoende duidelijk maakt welk het precies onderwerp van zijn beroep is; dat het beroep tot nietigverklaring, in zoverre het betrekking heeft op “mogelijke gevolgen en uitvoeringsbesluiten tot verwijdering die hiervan het gevolg zouden kunnen zijn voor de dienst Vreemdelingenzaken”, niet ontvankelijk is;
- Over de gegrondheid van het beroep. 3.
- Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert: “3.
- SCHENDING VAN BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR (REDELIJKHEID, ZORGVULDIGHEID, INDIVIDUALISEREN...) 3.
- DE MOTIVERINGSVERPLICHTING 3.
- Schending van het principe van Behoorlijk bestuur Dat men tot een beslissing moet komen op grond van het bestuderen van elk individueel dossier. Dat het niet opgaat in de huidige situatie te stellen dat er geen gevaar meer is voor leden van de Mao Badi bij een eventuele terugkeer omdat de toestand momenteel volledig gewijzigd is Dat de situatie in Nepal volledig uit de hand gelopen is en dat de strijd tussen de koning, het leger en de Maoisten op de spits is gedreven. Dat het duidelijk is indien momenteel verzoeker terugkeer, dat hij omwille van het verband dat men legt tussen de MAO BADI’S en hem, hij gevaar loopt bij een eventuele terugkeer. Dat gelet op deze gewijzigde toestand, de aanvrager zijn dossier en opgegeven elementen nauwkeurig moet nagekeken worden. Dat dit in casu niet gebeurd is dat men verwijst naar een aantal irrelevante tegenstrijdigheden in zijn dossier die totaal uit de lucht gegrepen zijn om uiteindelijk tot een negatieve beslissing te komen terwijl men eerst(e) een jaar en half heeft gewacht om hem te ondervragen. Dat er recent nieuw ontwikkelingen zijn ontstaan, waardoor het duidelijk is dat de situatie in Nepal uiterst gespannen is en gevaarlijk. Dat het dan zeker onbegrijpelijk is dat men hier geen rekening mee houdt.. Dat het Commissariaat Generaal zich baseert op voorbijstreefde rapporten om dit dossier te toetsen aan de huidige situatie en de mogelijke risico’s en het gevaar dat betrokkenen loopt bij een eventuele terugkeer. Dat op deze wijze de rechten van de asielzoeker niet langer gewaarborgd zijn Dat de redelijke termijn om tot ondervraging over te gaan ruimschoots overtreden is als men dan ziet op welke luttele tegenstrijdigheden, die gewoon een verkeerde interpretatie in tijd zijn Dat dit een schending is van de regels van behoorlijk bestuur zowel wat betreft de zorgvuldigheid waarmee het dossier dient te behandeld te worden als wat betreft de redelijkheid van betrekking tot de gevolgen die een dergelijke beslissing met zich meebrengt. 3.
- SCHENDING VAN MOTIVERINGSVERPLICHTING Dat voor verzoeker de motivering onbegrijpelijk is en op niets slaagt. Dat nochtans moet verwacht worden van de overheid indien zij een beslissing neemt tot weigering dat zij zich steunt op argumenten die het voor verzoeker duidelijk maken waarom hij wordt geweigerd en waarop de beschikking is gestoeld. XIV-13.487-4/7 Dat echter in huidige casu moeilijk kan gesteld worden dat de overheid, het Commissariaat-Generaal haar beslissing steunt op afdoende argumenten om het voor verzoeker duidelijk te maken waarom hij persoonlijk werd geweigerd.
- Het feit dat men zijn redenen afdoet als bedrieglijk zonder enige verder motivering ervan, dat hij tot drie maal toe werd gearresteerd en zelfs twee maanden en half werd vastgehouden, dat hij telkens na zijn arrestatie werd vrijgelaten, dat echter na de laatste arrestatie hij ontsnapt is, dat dus geen reden tot weigering kan zijn.. Dat de feiten gebeurd zijn in het kader van zijn politieke activiteiten.. Dat er een zeer zware inbreuk is gepleegd op zijn fysische en morele integriteit en dit afdoen als een lokaal probleem is met de lokale politie, alsof deze mensen geen deel uitmaken van de autoriteiten van het land van herkomst is werkelijk een ontkenning van de werkelijkheid.. Dat hij nog steeds zware gevolgen heeft omwille van wat hem overkomen is. Dat men drie arrestaties en een gengenschap (gevangenschap) van bijna drie maanden in dergelijke omstandigheden niet moet onderschatten. Dat hij de beslissing dan ook op geen enkele wijze kan aanvaarden als voldoende draagkrachtig om aan verzoekster duidelijk te maken dat zijn aanvraag niet kan aanvaard worden. Hij meent dat men voor het overige zijn redenen uit zijn context heeft gerukt en niet correct heeft weergegeven.
- Dat de tegenstrijdigheden die werden opgeworpen niet van essentiele aard zijn in zijn verhaal Dat het gaat over de periode van opsluiting en over de arrestatie op zich, dat het aangesproken worden nen dien gearresteerd worden door vijf politieagenten in burger geen verschil uitmaakt. Dat hij werklijk onmiddellijk zou opgepakt worden bij een eventuele terugkeer en dat men dat zomaar wegwuift. Dus dat er geen enkele persoonlijke reden aanwezig is om hem te weigeren. Dat een dergelijke motivering zijn rechten als asielzoeker schendt. Dat deze beslissing dan ook dient vernietigd te worden en in afwachting hiervan dient geschorst te worden. Dat men op geen enkele wijze de bedrieglijkheid van deze aanvraag motiveert integendeel. Dat het interview op het commissariaat-Generaal afgelegd, zeer coherent, begrijpelijk en duidelijk was en getuigde van een gegronde persoonlijke vrees in zijn hoofde. Dat er geen enkele verklaring werd afgelegd die niet strookt met de realiteit. Dat het oordelen tot een bedrieglijke aanvraag door niets wordt gestaafd.”; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker zich in het eerste middel beroept op de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel; 3.2.
- Overwegende dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft geconcludeerd dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is daar hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd in zijn opeenvolgende verhoren voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat bovendien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen twijfelt aan verzoekers beweringen als zou hij een actief lid van de ANNFSU-R zijn geweest; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft vastgesteld dat verzoekers asielaanvraag tevens kennelijk ongegrond is daar uit de informatie waarover hij beschikt blijkt dat leden van de Mao-Badi, die geen leidinggevende functies uitoefenen, problemen met de politie kunnen ontwijken door zich elders in Nepal te vestigen XIV-13.487-5/7 en dat aldus verzoeker onvoldoende ernstige redenen heeft aangehaald waarom hij niet van dit intern vluchtalternatief gebruik kon maken; 3.2.
- Overwegende dat dient vastgesteld dat de tegenstrijdigheden tussen verzoekers opeenvolgende verhoren en de vaststellingen met betrekking tot de onvoldoende of onjuiste kennis van de partij ANNFSU-R, zoals uitvoerig vermeld in de bestreden beslissing, door verzoeker op geen enkele wijze concreet worden weerlegd; dat deze tegenstrijdigheden betrekking hebben op de kern van verzoekers asielrelaas; dat van een kandidaat-vluchteling, die beweert lid en actief militant te zijn van de partij ANNFSU-R, redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij de vragen die hem worden gesteld met betrekking tot het programma, de doelstellingen en de samenstelling van deze partij correct kan beantwoorden; dat verzoeker zich beperkt tot een aantal feitelijke beweringen, welke in hoofdzaak neerkomen op een herhaling van zijn asielrelaas, teneinde aan te tonen dat hij niet naar Nepal kan terugkeren; dat verzoeker zich beperkt tot een algemene kritiek op zogenaamd “voorbijgestreefde rapporten” doch evenwel nalaat om de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, -meer bepaald dat uit de informatie waarover hij beschikt blijkt dat leden van de Mao-Badi, die geen leidinggevende functies uitoefenen, problemen met de politie kunnen ontwijken door zich elders in Nepal te vestigen-, in concreto te weerleggen; dat hij weliswaar laat gelden dat deze informatie voorbijgestreefd is, maar dit in het geheel niet aantoont; dat op grond van de door hem gedane vaststellingen de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dan ook in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot de kennelijke ongegrondheid en bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat verzoeker geenszins aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden bij het nemen van de bestreden beslissing; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat in het tweede middel verzoeker de schending van de motiveringsplicht aanvoert; 3.3.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, de redenen waarom zijn asielaanvraag bedrieglijk worden verklaard wel degelijk uitvoerig worden vermeld in de motivering van de bestreden beslissing; dat verzoeker ook in het tweede middel nalaat om de in aanmerking genomen tegenstrijdigheden concreet te weerleggen; dat ook de beperkte en onjuiste kennis met betrekking tot het programma, de doelstellingen en de samenstelling van de partij ANNFSU-R waarvan hij beweert lid en militant te zijn, in het tweede middel geenszins in concreto worden weerlegd; dat verzoeker ten onrechte laat gelden dat de opgeworpen tegenstrijdigheden niet van essentiële aard zijn; dat, zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel gesteld, deze tegenstrijdigheden de kern van zijn asielrelaas betreffen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dan ook geenszins kennelijk onredelijk is waar hij oordeelt dat deze XIV-13.487-6/7 tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen op fundamentele wijze aantasten; dat het tweede middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.487-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.868 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.