id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.869 Rolnummer: A. 135834/XIV-14800 Zaak: Arrest 162869 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-01 05:09 Fiche Arrest nr 162.869 van 28 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.869 van 28 september 2006 in de zaak A. 135.834/XIV-14.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. HUYSMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Berthoudersplein 57 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Kazachse nationaliteit, op 24 april 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 31 maart 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-14.800-1/7 Gelet op de beschikking van 6 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. HUYSMANS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX en XXX, beide van Kazachse nationaliteit, komen in België binnen op 17 maart 2000, waar zij zich dezelfde dag vluchteling verklaren. 1.
- De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen weigert verzoekers op 8 augustus 2001 de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen weigert op 8 oktober 2001 de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Verzoekers dienen bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in van deze beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Op 28 maart 2006 wordt dit beroep tot nietigverklaring door de Raad van State verworpen in het arrest nr.157.
- 1.
- Op 24 maart 2003 dienen verzoekers een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 31 maart 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt : XIV-14.800-2/7 “Reden(en): er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen binnen een redelijke termijn door de beslissing tot weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling genomen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 08/08/2001 en ter kennis gegeven op 10/08/
- Ook de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen wees het beroep van betrokkenen op 08/10/2001 af. De aangehaalde problemen kunnen derhalve niet meer aanvaard worden als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. Het feit dat betrokkenen ten zeerste werk gemaakt hebben van de integratie zijn en dat ze Nederlands geleerd hebben, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
- Niets verhindert betrokkenen zich te schikken naar de in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf. Bovendien dient erop gewezen te worden dat betrokkenen zich kunnen wenden tot de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) teneinde voor de nodige documenten te zorgen.”;
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren: “Eerste middel : Schending van de art. 52 en 62 van de Wet van 15.12.1980 en de art. 2 en 3 van de Wet van 29.7.1991 m.b.t. de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen : Overwegende dat art. 52 van de Vreemdelingenwet aan de Minister een ruime appretiatie bevoegdheid toekent; Het komt aan de Minister toe om de uitzonderlijke omstandigheden geval per geval te beoordelen ; Verzoekers verblijven sedert 17.3.2003 meer dan drie jaar op het Belgisch territorium; Zij kwamen in België toe op 17.3.2000 Op 17.5.2000 verklaarde DVZ hun asielaanvraag ontvankelijk en werden zij voorlopig toegelaten tot verblijf in hun hoedanigheid van kandidaat vluchtelingen ; Het feit dat tijdens de asielprocedure van verzoekers beslist werd dat hun aanvraag ontvankelijk was en dat verder onderzoek noodzakelijk was, stemt toch tot nadenken over een subjectieve onmogelijkheid tot terugkeer die van persoonsgebonden aard is met een persoonlijk risico ; De Minister neemt derhalve een beslissing waarbij hij art. 3 van het EVRM en art. 1 van het Verdrag tegen folteringen andere onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing aangenomen te New York op 10.12.1984 ondertekend door België op 4.2.1985, bekrachtigd bij wet dd. 9.6.1999, B.S. 28.10.1999 schendt; Bovendien blijkt uit het medisch dossier van verzoekster dat zij gedurende weken serieuze bloedingen gehad heeft tengevolge van de angst voor een eventuele terugkeer; Daarenboven doet zich inzake het volgende voor namelijk dat na negatieve beslissing van de Vaste Beroepscommissie in datum van 23.10.2001, DVZ verzoekers gedoogt gedurende een jaar en een half vooraleer zij op 21.2.2003 manu militari gearresteerd worden en van hun vrijheid beroofd worden door opsluiting in het Centrum voor Illegalen te Merksplas ; Dat deze handelwijze volledig tegenstrijdig is met de door de Belgische overheden genomen beslissingen namelijk de beslissing van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in datum van 8.8.2001 en de beslissing van de Vaste Beroepscommissie in datum van 23.10.2001 ; XIV-14.800-3/7 Dat immers verzoekers door het langdurige verblijf op het Belgische territorium, zij zeker duurzame sociale bindingen ontwikkeld hebben tengevolge waarvan zij dan ook geïntegreerd zijn ; Dat zij dan ook op basis van art. 9, 3/ van de Vreemdelingenwet konden geregulariseerd worden ; Dat integendeel de Minister van Binnenlandse Zaken de integratie van verzoekers niet betwist doch meent dat deze op zich geen buitengewone omstandigheid uitmaken die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoorden ; Dat nochtans rekening houdend met alle elementen van deze zaak, namelijk het gedogen van de Belgische overheid enerzijds en de voldoende graad van integratie tengevolge van het langdurig verblijf op het territorium anderzijds, zonder enige vorm van criminaliteit, de Minister van Binnenlandse Zaken er had toe kunnen leiden tot het nemen van een positieve beslissing met toekenning van verblijfsmachtiging ; De geloofwaardigheid van de door verzoekers aangevraagde verblijfs(ver)machtiging wordt dan ook niet aangetast ; Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft integendeel haar beslissing onvoldoende met redenen omkleed om te kunnen besluiten tot een weigering van verblijfsmachtiging; Dat de feiten waar verzoekers hun aanvraag op baseren dan ook onvoldoende werden onderzocht ; Dat zeer concreet geen onderzoek verricht werd naar alle hoger aangehaalde feitelijke omstandigheden; Bovendien omhelst de afwezigheid van argumentatie door de loutere verwijzing naar de elementen aangehaald in de asielprocedure, dan ook op zich een schending van de art. 2 en 3 van de wet van 29.7.1991 houdende de verplichting van uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen ;”; 2.1.2.
- Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij betogen dat het feit dat tijdens de asielprocedure werd beslist dat hun aanvraag ontvankelijk was en dat verder onderzoek noodzakelijk was tot nadenken stemt over een subjectieve onmogelijkheid tot terugkeer, dat bovendien de Minister van Binnenlandse Zaken hen jarenlang heeft gedoogd op het Belgisch grondgebied en hij hun integratie niet betwist zodat hij tot een positieve beslissing had moeten komen, dat zijn beslissing dan ook onvoldoende met redenen is omkleed om te kunnen besluiten tot een weigering van de verblijfsmachtiging; 2.1.2.
- Overwegende dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de criteria voor de toekenning van de hoedanigheid van vluchteling en derhalve niet dienstig wordt ingeroepen; 2.1.2.
- Overwegende dat, voor zover verzoekers de schending aanvoeren van de motiveringsplicht, dient opgemerkt dat artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid evenwel bepaalt dat in buitengewone omstandigheden het XIV-14.800-4/7 hem wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond was om verzoekers een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de Minister van Binnenlandse Zaken moest nagaan of de aanvraag wel regelmatig was ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken van oordeel is dat er geen uitzonderlijke omstandigheden werden aangehaald waarom de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kon ingediend worden via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland; dat hij overweegt dat de problemen in het land van herkomst reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag en hierbij verwijst naar de beslissing tot weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 augustus 2001 en de weigeringsbeslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 8 oktober 2001; dat hij besluit dat de aangehaalde problemen niet meer kunnen aanvaard worden als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de Vreemdelingenwet in België in te dienen; dat verzoekers menen dat het feit dat tijdens de asielprocedure werd beslist dat hun aanvraag ontvankelijk was en dat verder onderzoek noodzakelijk was tot nadenken stemt over een subjectieve onmogelijkheid tot terugkeer; dat zij er hierbij echter ten onrechte van uitgaan dat de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag betekent dat zij niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst; dat de omstandigheid dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft beslist dat verder onderzoek noodzakelijk was enkel betekent dat een grondiger onderzoek vereist was maar niet dat er twijfel was over hun mogelijkheid tot terugkeer; dat de hoedanigheid van vluchteling bovendien achteraf werd geweigerd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zowel als door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat het geenszins kennelijk onredelijk is te stellen dat de integratie van verzoekers, volgens hen opgebouwd tengevolge van hun gedoogd verblijf, geen buitengewone omstandigheid vormt om de aanvraag in België in te dienen; dat het eerste middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-14.800-5/7 2.2.
- Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren: “2.2/ Middel : Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur : Overwegende dat het tweede ernstig middel van verzoekers in dezelfde zin de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft meer bepaald de zorgvuldigheid, de redelijkheid en het gelijkheidsbeginsel; Dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken een bestuurlijke overheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur; (zie : I. Op de Beeck, het recht op verdediging en het recht om zijn standpunt naar voren te brengen, in Op de Beeck (ED) algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen 1993, 51) ; Dat het Ministerie meent een aantal ongeloofwaardigheden te moeten aanhalen, waar zo o.a. de verklaring van verzoekers in het kader van de asielproblematiek thans geen reden meer zouden zijn om buitengewone omstandigheden in het kader van een aanvraag art. 9, 3/ te wettigen, waar deze asielprocedure reeds afgehandeld werd ; Dat nochtans de verklaringen van verzoekers de basis vormen waarom zij niet terug kunnen naar hun land van oorsprong ; Dat deze verklaringen thans niet door de Minister van Binnenlandse Zaken getoetst of gecontroleerd werden; Dat juist door het niet peilen naar de reden van deze lacunes de Minister een inbreuk gemaakt heeft op de zorgvuldigheidsplicht en de rechten van verzoekers geschonden heeft; Dat de bestreden beslissing dan ook wordt getroffen op basis van een onvolkomen dossier en in strijd met de zorgvuldigheidsplicht zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd ; Dat bovendien de beslissing a quo de beginselen van redelijkheid en gelijkheid schendt waar in sommige gevallen de Belgische staat uitzonderlijke omstandigheden vindt voor kazakstaanse gezinnen niettegenstaande volledig uitgeprocedeerd en deze vervolgens in België geregulariseerd worden o.a. door tussenkomst van het Belgische koningshuis; Dat zulks reeds een aantal malen in de Belgische pers verscheen ; Dat nochtans alle burgers conform art. 10 en 11 van de Grondwet het recht hebben om in dezelfde situatie gelijk behandeld te worden ; Dat, door aan verzoekers de regularisatie niet te verlenen, de Belgische staat inbreuk maakt op de beginselen van redelijkheid en gelijkheid ; Dat de bestreden beslissing dan ook moet worden vernietigd Dat verzoekers dan ook het verder verblijf in België niet mag worden ontzegd ;”; 2.2.2.
- Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van de beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel; dat zij betogen dat de verklaringen afgelegd in hun asielprocedure de basis vormen voor hun onmogelijkheid tot terugkeer, terwijl deze niet door de Minister van Binnenlandse Zaken zijn getoetst of gecontroleerd zodat de beslissing in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, dat bovendien de beslissing de beginselen van redelijkheid en gelijkheid schendt waar in sommige gevallen de Belgische staat uitzonderlijke omstandigheden aanvaardt voor Kazachstaanse gezinnen niettegenstaande zij volledig uitgeprocedeerd zijn terwijl aan hen de regularisatie wordt geweigerd; 2.2.2.
- Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verzoekers asielaanvraag heeft afgewezen, onder meer, omwille van het feit dat eerste verzoeker geen bewijs bijbrengt van de door hem voorgehouden agressie vanwege de politie en evenmin aantoont dat hij zich tegen dergelijk XIV-14.800-6/7 gedrag bij de hogere politionele en gerechtelijke autoriteiten heeft beklaagd; dat de Minister van Binnenlandse Zaken, ter beoordeling van de door verzoeker in zijn aanvraag om machtiging tot verblijf aangehaalde vrees voor vervolging, in alle redelijkheid kon verwijzen naar de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen genomen beslissing; dat de minister niet nog eens de door verzoekers aangehaalde redenen hoefde te onderzoeken; dat, voor zover verzoekers de schending aanvoeren van het redelijkheids- en gelijkheidsbeginsel doordat sommige Kazachstaanse gezinnen zijn geregulariseerd, dient opgemerkt dat verzoekers zich beperken tot een loutere bewering en nalaten enig bewijs hiervan voor te leggen; dat het tweede middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.800-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.869 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.