id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.873 Rolnummer: A. 167420/XIV-23926 Zaak: Arrest 162873 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-10 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 05:09 Fiche Arrest nr 162.873 van 28 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.873 van 28 september 2006 in de zaak A. 167.420/XIV-23.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Bhutaanse nationaliteit, op 28 oktober 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 september 2005 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-23.926-1/16 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. JANSSEN die, loco Advocaat H. VAN VRECKOM verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van beweerde Bhutaanse nationaliteit, komt op 28 september 1999 in België binnen waar hij zich op 29 september 1999 vluchteling verklaart. Deze asielaanvraag wordt op 29 maart 2004 afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
- Op 28 januari 2000 dient verzoeker een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 2/. 1.
- De nota van het secretariaat van de Commissie voor regularisatie dateert van 21 maart
- 1.
- Bij schrijven van 3 mei 2005 heeft de raadsvrouw van verzoeker een “zittingsnota” met bijkomende stukken overgemaakt aan de Commissie voor regularisatie. 1.
- Verzoeker is door de Commissie op 12 mei 2005, bijgestaan door een raadsman, gehoord. Ter zitting heeft verzoeker de uitbreiding van zijn aanvraag naar de artikelen 2, 1/ en 2, 4/ gevraagd, zoals overigens reeds gevraagd in de voormelde “zittingsnota”. 1.
- De Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 30 juni 2005 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: XIV-23.926-2/16 “Gelet op de beschikking dd. 20 april 2005 van vice-eerste voorzitter Carla Vercammen met opdracht tot verwijzing van deze aanvraag tot regularisatie voor behandeling naar de Nederlandstalige Kamer van 12 mei 2005; Verzoeker werd op regelmatige wijze voor de commissie (werd) opgeroepen per brief van 21 april 2005 om te verschijnen op voormelde zitting van 12 mei 2005 te 9 uur en deze brief werd verzonden aan het adres te 2060 ANTWERPEN. De Commissie kon, zoals voorzien in artikel 14 § 1 van het KB van 05 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de Regularisatie, kennis nemen van het dossier dat door de Dienst vreemdelingenzaken betreffende verzoeker gehouden wordt. Hierbij kan worden uitgegaan van het gegeven dat dit dossier alle gegevens bevat waarvan door de overheid betreffende de persoon van deze vreemdeling kennis werd gekregen. Deze gegevens staan in rechtstreeks verband met de verzoeker en zij moeten hem dus ook bekend zijn.
- De Identiteit De eerste vraag die bij de behandeling van een regularisatieaanvraag dient gesteld te worden is te weten welke de juiste identiteit van de verzoeker is, gegeven dat moet getoetst worden aan de aan de Commissie voorgelegde, te dien einde bruikbare, documenten. Artikel 9 van de Wet van 22 december 1999 bepaalt immers: Art.
- Het bij de aanvraag gevoegde dossier moet omvatten: ... 4/ een kopie van de vereiste identiteits- en reisdocumenten, namelijk het paspoort met, in voorkomend geval, een visum en, bij ontstentenis hiervan, elk ander document waaruit de identiteit van de aanvrager kan vastgesteld worden; ... Thans dient te worden vastgesteld dat nergens in de bundel enig officieel document (paspoort, identiteitskaart, rijbewijs, ... ) aan te treffen valt waaruit met enige vorm van zekerheid de identiteit van betrokkene kan afgeleid worden. Ook ter zitting kan, op uitdrukkelijke vraag van de leden van de kamer, zulk document niet geproduceerd worden, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat betrokkene wel degelijk de door hem voorgedragen identiteit heeft. Het komt de Commissie voor regularisatie niet toe om aan betrokkene een identiteit te verschaffen, louter gebaseerd op de gezegdes van deze verzoeker.
- De Ontvankelijkheid Wat betreft de ontvankelijkheidvereiste, te weten een aanwezigheid in het Rijk op 01.10.1999, minstens in de periode 01.01.1999 - 01.10.1999, blijft betrokkene in gebreke concrete gegevens aan te brengen die de Commissie overtuigen dat hij aanwezig was in de referteperiode: ter zake wordt geen enkel document voorgelegd. Artikel 9 schrijft zulks nochtans onomwonden voor: Art.
- Het bij de aanvraag gevoegde dossier moet omvatten: ... 2/ een bewijsstuk waaruit blijkt dat de betrokkene daadwerkelijk op het Belgisch grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, ... Uit de voorgebrachte documenten blijkt immers enkel dat betrokkene op 24.12.1999 een aanvraag deed tot erkenning als vluchteling. In deze aanvraag stelt hij op 25 september 1999 vanuit Delhi met Air India te zijn vertrokken naar Parijs, waarna hij 2 dagen later vertrok naar Brussel met aankomst op 28 september
- Betrokkene legde deze verklaring af en voert aan zo zijn aanwezigheid op de refertedatum van 01 oktober 1999 te bewijzen, maar brengt geen enkel stuk naar voor waaruit op objectieve manier blijkt dat hij in de periode 01.01.1999 -01.10.1999 op het Belgisch grondgebied aan te treffen viel. De commissie is aldus van oordeel dat aan de ontvankelijkheidvereiste niet werd voldaan.. XIV-23.926-3/16
- Ten gronde A. Artikel 2.2/ De wettelijke vereisten De verzoeker diende een verzoek tot regularisatie van zijn verblijf in en baseerde zich hierbij oorspronkelijk alleen op de bepalingen van artikel 2.2/ van de Wet; Voor de toepassing van artikel 2.2/ van de Wet van 22 december 1999 is vereist dat betrokkene, om redenen onafhankelijk van zijn wil, niet kan terugkeren naar het land of de landen waar hij, voor zijn aankomst in België gewoonlijk verbleven werd, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft; Artikel 9 stelt verder dat het bij de aanvraag gevoegde dossier moet omvatten: ... 7/ voor de in artikel 2, 2/, bedoelde vreemdelingen, een schriftelijke verklaring die de redenen weergeeft waarom zij onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze vóór hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar het land waarvan ze de nationaliteit hebben, noch naar hun land van herkomst; ... In de bundel kan zulke verklaring niet worden teruggevonden: De commissie is van oordeel dat in deze de kopie van de 'aanvraag tot erkenning als vluchteling' niet voldoet aan de in bovenvermeld artikel 9.7/ vereiste voorwaarde. Aanvaarding van dit document in die zin zou immers met zich brengen dat dezelfde feiten en motieven voor de regularisatieaanvraag worden aangevoerd als die welke eerder werden aangewend om de asielaanvraag ingewilligd te zien. Luidens artikel 49 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is uitsluitend de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Statelozen bevoegd om een vreemdeling als vluchteling te erkennen. Artikel 57/11 van deze Wet bepaalt dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen bij uitsluiting van elke andere instantie bevoegd is om de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal te behandelen; De Commissaris-generaal en de vaste Beroepscommissie beoordelen de status van vluchteling overeenkomstig het verdrag van Genève van 28 juli 1951; De Commissie voor Regularisatie is derhalve geen bijkomende asielinstantie. Voor de toepassing van artikel 2.2/ van de Regularisatiewet moeten bijaldien andere motieven kunnen worden aangevoerd dan deze welke in het toepassingsveld liggen van voormeld verdrag. In feite Louter volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat in de 'aanvraag tot erkenning als vluchteling' op geen enkele wijze aangegeven waarom betrokkene niet naar zijn land kan terugkeren. In de bundel kan de kopie worden gevonden van een in een vreemde taal gesteld document, waarvan echter geen vertaling wordt neergelegd, zodat de Commissie er geen acht op kan slaan. Uit de parlementaire voorbereidingen (50/0234/001) blijkt dat slechts overgegaan wordt tot onderzoek van de aanvraag indien alle stukken, zoals voorzien in artikel 9 zijn voorgebracht. Slechts ter zitting van '12 mei 2005 wordt een nota met stukken neergelegd, waarin verwezen wordt naar de onmogelijkheid tot terugkeer. Vooreerst weze opgemerkt dat deze stukken gesteund zijn op documenten die dateren van 1996, hetzij 3 jaar voor de datum waarop asiel werd aangevraagd. Meer recente informatie (zie o.m. http://www.woddaudit.org/ ) geven aan dat er projecten opgestart werden die derwijze vertrouwenwekkend zijn dat de United Nations High Commisioner for Refugees (UNCHR) aankondigde zijn burelen geleidelijk te zullen terugtrekken uit de vluchtelingenkampen. De leden van de Kamer dienen verder vast te stellen dat uit geen enkel gegeven blijkt dat betrokkene enige inspanning heeft gedaan om zich documenten te verschaffen. B. Artikel 2.1/ De wettelijke vereisten Ter zitting breidt verzoeker zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf uit en baseert zich hierbij op de bepalingen van artikel 2.1/ van de Wet; Artikel 9 stelt verder dat het bij de aanvraag gevoegde dossier moet omvatten XIV-23.926-4/16 ... 6/ voor de in artikel 2, 1/, bedoelde vreemdelingen, het dossiernummer bij de Dienst vreemdelingenzaken; ... Aan deze voorwaarde werd voldaan. Voor de toepassing van dit artikel is vereist dat de vreemdelingen: hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar, deze termijn wordt teruggebracht tot drie jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in België verbleven op 1 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om naar school te gaan; In feite Betrokkene verwijst naar de asielaanvraag die door hem werd ingediend op 29 september 1999 en hij meent aanspraak te kunnen maken op het bepaalde in artikel 2.1/ vermits hij slechts in maart 2004 een bevestigende beslissing van weigering van verblijf, genomen door de, Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen kreeg, met betekening ervan op 01 april 2004; Het blijft omwille van de gelijkheid vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op een zelfde wijze dienen behandeld te worden. Dit betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeden voor de verzoekende partij. In het andere geval zou bijvoorbeeld de mogelijkheid bestaan dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die, zoals het geval is voor verzoeker, slechts veel later voor de Commissie konden verschijnen. Volgens de Raad van State is het essentieel dat de gehanteerde criteria voor iedere kandidaat dezelfde zijn en op iedere kandidaat op een objectieve en gemotiveerde wijze worden toegepast (arrest nr 47.908 van 13 juni 1994 in de zaak A.56.802/X-3072 L.De Smet/Belgische Staat). Aan de voorwaarden, gesteld door artikel 2.1/ is aldus niet voldaan. C. Artikel 2.4/ De wettelijke vereisten Ter zitting breidt verzoeker zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf uit en baseert zich hierbij op de bepalingen van artikel 2.4/ van de Wet; Artikel 9.9/ van diezelfde Wet vereist dat, bij het inroepen van de toepassing van dit artikel, het bewijs moet worden geleverd van een onafgebroken aanwezigheid in het Rijk gedurende 6 jaar, voorafgaand aan de datum van de aanvraag, termijn die herleid wordt tot 5 jaar, > wanneer de aanvraag uitgaat van gezinnen met minderjarige kinderen, die aanwezig zijn op 01 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om naar school te gaan > en/of, in voorkomend geval het bewijs leveren dat ze wettelijk in België verbleven > en/of een schriftelijke verklaring leveren dat zij in de loop van 5 jaar, voorafgaand aan de aanvraag, geen bevel om het grondgebied te verlaten hebben gekregen. Blijkens zijn regularisatieverzoek is betrokkene ongehuwd en heeft geen kinderen, zodat hij het bewijs moet leveren van een onafgebroken aanwezigheid van 6 jaar; Waar betrokkene naar zijn eigen verklaring slechts op 28 september 1999 in België is aangekomen, voldoet hij ratione temporis - niet aan de gestelde voorwaarde. Verder dient vastgesteld dat verzoeker hoe dan ook geen rechten kan putten uit zijn verblijf, nu dient vastgesteld te worden dat dit verblijf toegestaan werd in afwachting van de behandeling van zijn asielaanvraag, hetgeen, zoals blijkt uit de parlementaire werkzaamheden (50/0234/001) uitdrukkelijk als relevant verblijf werd uitgesloten. De door verzoeker neergelegde stukken hebben alle betrekking op de periode ná de vraag tot regularisatie en zijn aldus, gelet op het voorgaande, zonder invloed op de behandeling.”. 1.
- Op 2 september 2005 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. XIV-23.926-5/16 Dit is de bestreden beslissing: “(...) De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester te KAPELLEN, op 28/01/2000 en dat het nummer draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “
- Eerste middel: Manifest gebrek aan motivering en kennelijke appreciatiefout wat een schending uitmaakt van de artikelen 2, 9, 1é en 13 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijven op het grondgebied van het Rijk, het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen. Overwegende dat de bestreden beslissing is gemotiveerd als volgt: “De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester te KAPELLEN, op 28/01/2000 en dat het nummer draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, te volgen. Overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beschikt U over 30 dagen om een verzoekschrift tegen deze beslissing in te dienen.”; Overwegende dat de bestreden beslissing dus verwijst naar de overwegingen van het advies van de Kamers van de Commissie voor Regularisatie, wat dus wordt beschouwd als de motivering van de bestreden beslissing;
- Omtrent de ontvankelijkheid van de regularisatieaanvraag. Overwegende dat het advies van de Commissie voor Regularisatie een verkeerde motivering inhoudt bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de regularisatieaanvraag, nu dit advies als volgt is gemotiveerd omtrent dit punt: “Wat betreft de ontvankelijkheidsvereiste, te weten een aanwezigheid in het rijk op 01.10.1999, minstens in de periode 01.01.1999-01.10.1999, blijft de betrokkenen in gebreke concrete gegevens aan te brengen die de Commissie overtuigen dat hij aanwezig was in de referteperiode: ter zake wordt geen enkel document voorgelegd. Artikel 9 schrijft zulks nochtans onomwonden voor: Art. 9 Het bij de aanvraag gevoegde dossier moet omvatten: ... 2/ een bewijsstuk waaruit blijkt dat de betrokkenen daadwerkelijk op het Belgische grondgebied verbleef op 1 oktober 1999; ... Uit de voordrachten documenten blijkt immers enkel dat betrokkene op 24.12.1999 een aanvraag deed tot erkenning als vluchteling. In deze aanvraag stelt hij op 25 september 1999 vanuit Delhi met Air India te zijn vertrokken naar Parijs, waarna hij twee dagen later vertrok naar Brussel met aankomst op 28 september
- XIV-23.926-6/16 Betrokkene legde deze verklaring af en voert aan zo zijn aanwezigheid op de refertedatum van 01 oktober 1999 te bewijzen, maar brengt geen enkel stuk naar voor waaruit op objectieve manier blijkt dat hij in de periode 01.01.1999-01.10.1999 op het Belgische grondgebied aan te treffen viel. De Commissie is aldus van oordeel dat aan de ontvankelijkheidsvereiste niet werd voldaan..” (stuk 2); Dat de bestreden beslissing een kennelijke appreciatiefout maakt door te stellen dat er door geen enkele objectief stuk zou worden bewezen dat de eiser zich op het Belgische grondgebied bevond op 1 oktober 1999; Dat het formeel wordt tegengesproken door de bijlage 26 die zich in het administratief dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken bevindt die bevestigt dat de eiser op 29 september 1999 zich heeft aangeboden om (op) de Dienst Vreemdelingenzaken, nu de bijlage 26 vermeldt: "te Brussel, op 29/09/1999 en daaronder de vermelding staat" handtekening van de overheid waarbij de vreemdeling zich heeft aangeboden en die de verklaring heeft opgetekend"; Dat het dus een stuk betreft dat is opgemaakt door de Dienst Vreemdelingenzaken, dat vermeldt dat de eiser verklaard te zijn binnengekomen in het Rijk op 28 september 1999, maar los van de verklaring van de eiser omtrent zijn datum van binnenkomst in het rijk is het onomstotelijk bewezen dat de eiser een asielaanvraag heeft ingediend op 29 september 1999, nu dit is bevestigd door de bijlage 26 die is ondertekend door de adjunct-adviseur van de Directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken, Meneer François GEYSEN (stuk 3); Dat het artikel 9 van de wet van 22 december 1999 enkel vereist dat men daadwerkelijk op het grondgebied van het Rijk verbleef op 1 oktober 1999; Dat de eiser op legale wijze op het grondgebied verblijft vanaf 29 september 1999 en sindsdien verbleef in het opvangcentrum van Kapellen of (stuk 4); Dat de bestreden beslissing moet gebaseerd zijn op juiste feitelijke gegevens en een correcte motivering vooraleer er kan worden besloten dat er is voldaan aan de verplichting tot een deugdelijke motivering; Dat de bestreden beslissing is gebaseerd op foute overwegingen vervat in het advies van de Commissie voor Regularisatie; Dat er met tot de beslissing kan worden gekomen dat de regularisatieaanvraag van de eiser onontvankelijk zou zijn, nu hij duidelijk heeft bewezen dat hij daadwerkelijk op het grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, in tegenstelling tot wat het advies van de Commissie voor regularisatie en de bestreden beslissing beweren; de Dat het daarom een kennelijke onjuiste motivering is en een kennelijke appreciatiefout inhoudt nu de bestreden beslissing de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie overneemt omtrent de ontvankelijkheid, waarin wordt beweerd dat de eiser niet zou bewijzen dat hij voldeed aan de vereisten van het artikel 9 van de wet van 22 december 1999; Dat dit dus een schending inhoudt van het artikel 9 van de wet van 22 december 1999, het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen; Dat er moet worden van uitgegaan dat deze overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie het hoofdmotief is van de bestreden beslissing, nu er eerst moet worden overgegaan tot een onderzoek betreffende de ontvankelijkheid en dat er pas wordt overgegaan tot een onderzoek van de gegrondheid van de regularisatieaanvraag indien blijkt dat de aanvraag ontvankelijk is; Dat daarom deze onjuiste motivering en de kennelijke appreciatiefout begaan door de tegenpartij, in strijd met objectieve elementen in het administratief dossier die het daadwerkelijk verblijf van de eiser op het Belgische grondgebied aantonen op 1 oktober 1999 volstaat om de illegaliteit van de bestreden beslissing vast te stellen; Dat de bestreden beslissing namelijk is gebaseerd op een kennelijke onjuiste en gebrekkig motivering, nu de regularisatieaanvraag van de eiser onontvankelijk had moeten worden verklaard, in tegenstelling tot het besluit van de Commissie voor regularisatie, dat wordt overgenomen door de bestreden beslissing;
- Omtrent de gegrondheid van de regularisatieaanvraag. 2.
- Het artikel 2.2/ van de wet van 22 december
- Overwegende dat de bestreden beslissing tevens de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie overneemt omtrent het onderzoek van de gegrondheid van de regularisatieaanvraag; XIV-23.926-7/16 Dat over de voorwaarden van het artikel 2,2/ van de wet van 22 december 1999 de Commissie voor regularisatie het volgende overweegt: “De wettelijke vereisten De verzoeker diende een verzoek tot regularisatie van zijn verblijf in en baseerde zich hierbij oorspronkelijk alleen op de bepalingen van artikel 2,2/ van de Wet; Voor de toepassing van artikel 2,2/ van de Wet van 22 december 1999 is vereist dat betrokkene, om redenen onafhankelijk van zijn wil, niet kan terugkeren naar het land of de landen waar hij, voor zijn aankomst in België gewoonlijk verbleef en werd, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft; Artikel 9 stelt verder dat het bij de aanvraag gevoerde dossier moet omvatten: ... 7/ voor de in artikel 2,2/ bedoelde vreemdelingen, een schriftelijke verklaring die de redenen weergeeft waarom zij onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze vóór zijn aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar het land waarvan ze de nationaliteit hebben, noch naar hun land van herkomst; ... In de bundel kan zulke verklaring niet worden teruggevonden: De Commissie is van oordeel dat in deze de kopie van de “aanvraag tot erkenning als vluchteling” niet voldoet aan de in bovenvermeld artikel 9,7/ vereiste voorwaarde. Aanvaarding van dit document in die zin zou immers met zich brengen dat dezelfde feiten en motieven voor de regularisatieaanvraag worden aangevoerd als die welke eerder werden aangewend om de asielaanvraag ingewilligd te zien. Luidens artikel 49 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is uitsluitend de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bevoegd om een vreemdeling als vluchteling te erkennen. Artikel 57/11 van deze Wet bepaalt dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen bij uitsluiting van elke andere instantie bevoegd is om de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal te behandelen; De Commissaris-generaal en de vaste Beroepscommissie beoordelen de status van vluchteling overeenkomstig het verdrag van Genève van 28 juli 1951; De Commissie voor Regularisatie is derhalve geen bijkomende asielinstantie. Voor de toepassing van artikel 2,2/ van de Regularisatiewet moeten bij aldien andere motieven kunnen worden aangevoerd en dan deze welke in het toepassingsveld liggen van voormeld verdrag. In feite Louter volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat in de “aanvraag tot erkenning als vluchteling” op geen enkele wijze aangegeven waarom betrokkene niet naar zijn land kan terugkeren. In de bundel kan de kopie worden gevonden van een in een vreemde taal gesteld document, waarvan echter geen vertaling wordt neergelegd, zodat de Commissie er geen acht op kan slaan. Uit de parlementaire voorbereidingen (50/0234/001) blijkt dat slechts overgegaan wordt tot onderzoek van de aanvraag indien alle stukken, zoals voorzien in artikel 9 zijn voorgebracht. Slechts ter zitting van 12 mei 2005 wordt een nota met stukken neergelegd, waarin verwezen wordt naar de onmogelijkheid tot terugkeer. Vooreerst weze opgemerkt dat deze stukken gesteund zijn op documenten die dateren van 1996, hetzij 3 jaar voor de datum waarop asiel werd aangevraagd. Meer recente informatie (zie o.m. http://www.worldaudit.org/) geven aan dat er projecten opgestart werden die derwijze vertrouwenwekkend zijn dat de United Nations High Commisioner for Refugees (UNHCR) aankondigde zijn burelen geleidelijk te zullen terugtrekken uit de vluchtelingenkampen. De redenen van de Kamers dienen verder vast te stellen dat uit geen enkel gegeven blijkt dat betrokkene enige inspanning heeft gedaan om zich documenten te verschaffen.’; Dat er eerst en vooral moet worden opgemerkt dat op verkeerdelijk wijze wordt gesteld door het advies van de Commissie voor Regularisatie en dus ook door de bestreden beslissing dat de eiser in het dossier geen schriftelijke verklaring zou hebben neergelegd die de redenen weergeeft waarom hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst XIV-23.926-8/16 of van gewoonlijk verblijf voor aankomst in België om redenen onafhankelijk van zijn wil; Dat het advies van de Commissie voor Regularisatie verwijst naar het artikel 9 van de wet van 22 december 1999 dat stelt dat dit een ontvankelijkheidsvoorwaarde is voor de regularisatieaanvraag; Dat ondanks het feit dat deze overwegingen zijn ondergebracht onder de overwegingen van het advies van de Commissie betreffende het onderzoek ten gronde van de regularisatieaanvraag, er moet worden geoordeeld dat deze overwegingen van de Commissie in feite tot het besluit leiden van de Commissie dat de regularisatieaanvraag onontvankelijk is; Dat deze tweede reden voor het onontvankelijk verklaren van de regularisatieaanvraag van de eiser evenmin gesteund is op juiste overwegingen en wordt tegengesproken door het administratief dossier, die een nota bevat neergelegd door de raadsman van de eiser die uitdrukkelijk omschrijft om welke redenen de eiser niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst omwille van redenen onafhankelijk van zijn wil; Dat de motivering van deze "zittingsnota" moet worden beschouwd als een "schriftelijke verklaring die de redenen weergeeft waarom zij onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze voor hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar het land waarvan ze de nationaliteit hebben, noch naar hun land van herkomst" in de zin van het artikel 9,7/ van de wet van 22 december 1999; Dat de eiser dus wel degelijk een dergelijke schriftelijke verklaring heeft neergelegd via de nota van zijn raadsman, die hem op rechtsgeldige wijze vertegenwoordigt, zodat de Commissie voor Regularisatie ten onrechte heeft geoordeeld dat een dergelijke verklaring niet zou kunnen worden teruggevonden in de bundel; Dat eens te meer er moet worden vastgesteld dat de eiser wel degelijk voldoet aan deze ontvankelijkheidsvoorwaarde, zodat ten onrechte de bestreden beslissing gebaseerd is op het artikel 9,7/ van de wet van 22 december 1999 om de regularisatieaanvraag van de eiser af te wijzen; Dat de bestreden beslissing daarom kennelijk gebrekkige motivering inhoudt en een kennelijke appreciatiefout wat een schending is van het artikel 9,7/ van de wet van 22 december 1999, het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen; Dat de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie als zouden de documenten in het dossier betreffende de asielaanvraag van de eiser niet kunnen worden beschouwd als een dergelijke verklaring niet ter zake doen, omdat de eiser ook niet volhoudt dat deze documenten zouden moeten worden beschouwd als een schriftelijke verklaring in de zin van het artikel 9,7/ van de wet van 22 december 1999; Dat daarentegen de Commissie voor Regularisatie de zittingsnota neergelegd door de raadsman van de eiser had moeten beschouwen als een dergelijke schriftelijke verklaring in de zin van het artikel 9,7/ van de wet van 22 december 1999, nu deze een duidelijke uiteenzetting bevat omtrent de onmogelijkheid voor de eiser om terug te keren naar zijn land van herkomst; Dat de eiser bovendien heeft aangehaald dat hij behoort tot de Nepalese minderheid van Bhutan die steeds zijn geconfronteerd met de discriminaties door de regeringsoverheden die een "One Nation One People"-politiek hanteerde, wat tot gevolg had dat vele staatsburgers van Nepalese origine hun identiteitsdocumenten werden ontnomen, net als hun staatsburgerschap; Dat de eiser dus geen documenten kan voorleggen van zijn land van herkomst omwille van redenen onafhankelijk van zijn wil; Dat de eiser trouwens heeft aangehaald dat Bhutan nog steeds op de lijst van landen staat van het IOM waarnaar geen vluchtelingen kunnen worden uitgewezen; Dat zelfs indien de eiser zou willen terugkeren naar zijn land van herkomst, dan kan dit praktisch niet worden gerealiseerd, omdat het IOM dit niet kan organiseren de eiser geen documenten van zijn land van herkomst kan bekomen; Dat de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie dat volgens recente informatie projecten zouden zijn opgestart die dermate hoopgevend zijn dat het UNHCR beslist heeft zijn burelen geleidelijk te zullen terugtrekken uit de vluchtelingenkampen geen antwoord is op de redenen aangehaald door de eiser die verklaren waarom hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst; XIV-23.926-9/16 Dat het advies van de Commissie voor Regularisatie vreemd genoeg niet antwoordt op deze redenen voor de onmogelijkheid van de terugkeer omwille van redenen onafhankelijk van zijn wil die werden aangehaald door de eiser in de zittingsnota; Dat er op de Commissie voor regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken een plicht rust om alle redenen aangehaald door de eiser die aantonen dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst omwille van redenen onafhankelijk van zijn wil, te onderzoeken en te motiveren waarom deze redenen niet kunnen worden weerhouden; Dat het advies van de Commissie voor Regularisatie evenmin als de bestreden beslissing betwisten dat er geen vluchtelingen kunnen worden uitgewezen naar Bhutan en dat het IOM een lijst heeft opgesteld werd landen waarnaar niet wordt uitgewezen, waarop Bhutan ook nog voorkomt; Dat de bestreden beslissing daarom niet op afdoende wijze is gemotiveerd doordat het advies van de Commissie voor Regularisatie geen rekening houdt met dit argument van de eiser; Dat de eiser op basis van het artikel 2,2/ van het van 22 december 1999 een positief advies van de Commissie van regularisatie en aldus een beslissing van regularisatie had kunnen verkrijgen, zodat dit onderdeel van het middel betreffende dit deel van de motivering van het advies en de bestreden beslissing volstaan om de schorsing van de nietigverklaring van de bestreden beslissing te bevelen; Dat dit een kennelijk gebrek aan motivering inhoudt, wat een schending is van het artikel 2,2/ van de wet van 22 december 1999, het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen; 2.
- Artike12,1/ van de wet van 22 december
- Overwegende dat de bestreden beslissing vervolgens nog als volgt is gemotiveerd door verwijzing naar het advies van de Commissie voor Regularisatie: “De wettelijke vereisten Ter zitting breidt verzoeker zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf uit en baseert zich hierbij op de bepalingen van artikel 2,1/ van de Wet; Artikel 9 stelt verder dat het bij de aanvraag gevoegde dossier moet omvatten: En ... 6/ voor de in artikel 2,1/ bedoeld vreemdelingen, het dossiernummer bij de Dienst Vreemdelingenzaken, ... Aan deze voorwaarde werd voldaan. Voor de toepassing van het artikel is vereist dat de vreemdelingen: Hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar; deze termijn wordt teruggebracht tot drie jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in België verbleven in oktober 1999 en die de leeftijd hebben om naar school te gaan; In feite Betrokkene verwijst naar de asielaanvraag die door hem werd ingediend op 29 september 1999 en hij meent aanspraak te kunnen maken op het bepaalde in artikel 2,1/ vermits hij slechts in maart 2004 een bevestigende beslissing van weigering van verblijf, genomen door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen kreeg, met betekening ervan op 01 april 2004; Het blijft omwille van de gelijkheid vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op dezelfde wijze dienen behandeld te worden. Dit betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeden voor de verzoekende partij. In het andere geval zou bijvoorbeeld de mogelijkheid bestaan dat verzoekers die op de eerste zitting van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoeft hebben dan diegenen die, zoals het gevel is voor verzoeker, slechts veel later voor de Commissie konden verschijnen. Volgens de Raad van State is het essentieel dat de gehanteerde criteria voor iedere kandidaat dezelfde zijn en op iedere kandidaat op een objectieve en gemotiveerde wijze worden toegepast (arrest nr. 47.908 van 13 juni 1994 in de zaak A. 56.802/X-3072 L. De Smet/Belgische Staat). XIV-23.926-10/16 Aan de voorwaarden, gesteld door artikel 2,1/ is aldus niet voldaan.”; Overwegende dat de eiser van mening is dat het onderzoek van de voorwaarden van de wet van 22 december 1999 moeten gebeuren op het moment dat hij voor de Commissie voor Regularisatie verschijnt op een zitting; Dat de bedoeling van de wet van 22 december 1999 was om vreemdelingen te regulariseren die gedurende een onredelijk lange termijn hebben moeten wachten op een antwoord op hun asielaanvraag; Dat het oorspronkelijke bedoeling was dat deze wet een tijdelijke en eenmalige regularisatie zou inhouden, maar het is nu al ook wel duidelijk dat er nog steeds kandidaat-vluchtelingen zijn die worden geconfronteerd met een onredelijk lange duur van hun asielprocedure; Dat dit tevens de reden is van de beslissing door de Minister van Binnenlandse Zaken om nieuwe criteria te hanteren voor regularisatie en toepassing van het artikel 9, alinea 3 van de wet van 15 december 1980 en dit sinds december 2004 (stuk 6); Dat het daarom, naast de tijdelijke wet van 20 december 1999 voor kandidaat- vluchtelingen die geen aanvraag hebben ingediend op basis van deze laatstgenoemde wet, een mogelijkheid bestaat om momenteel een definitieve regularisatie te verkrijgen indien men een asielaanvraag heeft ingediend voor 1 januari 2001 en indien de asielprocedure langer dan vier jaar heeft geduurd of langer dan drie jaar voor families met minderjarige kinderen (stuk 6); Dat het daarom een ongeoorloofde discriminerende behandeling is van de eiser om te weigeren zijn verblijf te regulariseren omdat hij op het moment van het indienen van zijn regularisatieaanvraag op basis van de wet van 20 december 1999 nog geen asielprocedure hangende had gedurende meer dan vier jaar; Dat hij bovendien geen nieuwe regularisatieaanvraag kan indienen op basis van dat het artikel 9, alinea 3 van de wet van 15 december 1980 en dit in toepassing van de artikelen 6 en 7 van de wet van 22 december 1999; Dat de bestreden beslissing daarom duidelijk onwettig is, want een schending van het artikel 2,1/ van de wet van 22 december 1999, gezien de eiser op het moment van onderzoek van zijn regularisatieaanvraag op de zitting van de Commissie voor Regularisatie, hij wel degelijk een asielprocedure achter de rug heeft van meer dan vier jaar, conform het artikel 2, 1/ van de wet van 22 december 1999; Dat er daarom moet worden geoordeeld dat de eiser voldoet aan de voorwaarden van het artikel 2,1/ van de wet van 22 december 1999; Dat de bestreden beslissing daarom een schending is van het artikel 2,1/ van de wet van 22 december 1999, het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen; 2.
- Betreffende het artikel 2.4/ van de wet van 22 december
- Overwegende dat de bestreden beslissing vervolgens nog als volgt is gemotiveerd, doorverwijzing naar het advies van de Commissie voor Regularisatie: “De wettelijke vereisten Ter zitting breidt verzoeker zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf uit en baseert zich hierbij op de bepalingen van artikel 2,4/ van de Wet. Artikel 9,9/ van diezelfde Wet vereist dat, bij het inroepen van de toepassing van het artikel, het bewijs moet worden geleverd van een onafgebroken aanwezigheid in het rijk gedurende zes jaar, voorafgaand aan de datum van de aanvraag, termijn die herleid wordt tot vijf jaar, ! wanneer de aanvraag uitgaat van gezinnen met minderjarige kinderen, die aanwezig zijn op 01 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om naar school te gaan ! en/of, in voorkomend geval het bewijs leveren dat ze wettelijk in België verbleven ! en/of een schriftelijke verklaring leveren dat ze in de loop van vijf jaar, voorafgaand aan de aanvraag, geen bevel om het grondgebied te verlaten hebben gekregen. Blijkens zijn regularisatieverzoek is betrokkene ongehuwd en heeft geen kinderen, zodat hij het bewijs moet leveren van een onafgebroken aanwezigheid van zes jaar; Waar betrokkene naar zijn verklaring slechts op 28 september 1999 in België is aangekomen, voldoet hij ratione temporis - niet aan de gestelde voorwaarde. Verder dient vastgesteld dat verzoeker hoe dan ook geen rechten kan putten uit zijn verblijf, nu dient vastgesteld te worden dat dit verblijf toegestaan werd in afwachting van de behandeling van zijn asielaanvraag, hetgeen, zoals blijkt uit de parlementaire werkzaamheden (50/0234/001) uitdrukkelijk als relevant verblijf werd uitgesloten. XIV-23.926-11/16 De door verzoeker neergelegde stukken hebben alle betrekking op de periode nà de vraag tot regularisatie en zijn aldus, gelet op het voorgaande, zonder invloed op de behandeling.”; Overwegende dat de praktijk van de Commissies voor Regularisatie erin bestond, na het begin van het functioneren ervan om vreemdelingen te regulariseren die bewijzen dat zij gedurende meer dan zes jaar onafgebroken in België verbleven op het moment dat hun regularisatieaanvraag werd onderzocht op een zitting; Dat er aldus vele vreemdelingen zijn geregulariseerd die geen bewijs hebben geleverd van een onafgebroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan de aanvraag tot regularisatie; Dat het feit dat aan de eiser zijn regularisatie wordt geweigerd omwille van het feit dat hij op het moment van de aanvraag tot regularisatie nog geen zes jaar onafgebroken verblijf kan aantonen op het grondgebied een dsicrimatoire behandeling uitmaakt ten opzichte van alle vreemdelingen die wel zijn geregulariseerd op basis van de wet van 22 december 1999 en die pas voldeden aan het vereisten van het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 op het moment dat hun aanvraag werd onderzocht op een zitting en niet op het moment dat zij hun aanvraag indienden; Dat in ieder geval de eiser heeft aangetoond in de vorige onderdelen dat de bestreden beslissing een kennelijk gebrekkige motivering vertoont een kennelijke appreciatiefouten, zodat het huidige onderdelen slechts ten overvloede wordt geformuleerd; Dat er daarom moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing een schending uitmaakt van de artikelen 2 en 9 van de wet van 22 december 1999, het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen;
- Betreffende de handtekening vermeld op de bestreden beslissing. Overwegende dat blijkt uit de bestreden beslissing dat deze niet is ondertekend door de Minister van Binnenlandse Zaken, maar wel door Dehr. M.VERWILGHEN; Dat dit in strijd is met de artikelen 12 en 13 van de wet van 22 december 1999 die stellen dat de beslissingen moeten worden genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken; Dat de tegenpartij zelf de genomen beslissingen moet ondertekenen en dit niet kan overlaten aan andere ministers die niet de bevoegdheden van Binnenlandse Zaken onder zich hebben; Dat de bestreden beslissing daarom een schending uitmaakt van de artikelen 12 en 13 van de wet van 22 december 1999;”; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker een manifest gebrek aan motivering aanvoert en een kennelijke appreciatiefout hetgeen een schending uitmaakt van de artikelen 2, 9, 1
(2)en 13 van de wet van 22 december 1999, artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.2.2.
- Overwegende dat, wat artikel 62 van de Vreemdelingenwet betreft, dient opgemerkt dat dit artikel betrekking heeft op de beslissingen genomen in het kader van voornoemde wet; dat de thans bestreden beslissing werd genomen in het kader van de wet van 22 december 1999, zodat de schending van voormeld artikel niet dienstig kan worden ingeroepen; 2.2.2.
- Overwegende dat in een eerste onderdeel, verzoeker kritiek uit op de overweging van de Commissie dat verzoeker geen objectief stuk heeft voorgebracht waaruit XIV-23.926-12/16 zijn aanwezigheid op 1 oktober 1999 in België blijkt, zoals vereist door artikel 9, 2/ van de wet van 22 december 1999; dat verzoeker stelt dat dit in tegenspraak is met de door hem voorgelegde bijlage 26 waaruit blijkt dat door de Dienst Vreemdelingenzaken werd geregistreerd dat verzoeker zich op 29 september 1999 vluchteling heeft verklaard én met het stuk waaruit blijkt dat hij sinds die datum verbleef in het opvangcentrum te Kapellen; dat uit de door verzoeker voorgelegde stukken, welke zich ook in het administratief dossier bevinden, blijkt dat de voormelde kritiek terecht is; dat evenwel verzoekers stelling dat “deze onjuiste motivering en de kennelijke appreciatiefout begaan door de tegenpartij, in strijd met objectieve elementen in het administratief dossier die het daadwerkelijk verblijf van de eiser op het Belgische grondgebied aantonen op 1 oktober 1999 volstaat om de illegaliteit van de bestreden beslissing vast te stellen”, niet kan worden bijgetreden; dat uit de bestreden beslissing immers blijkt dat de Commissie ook de gegrondheid van de regularisatieaanvraag heeft onderzocht, zodat, zelfs al is het motief betreffende de ontvankelijkheid niet correct, deze vaststelling onvoldoende is om tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing te leiden; dat dit enkel het geval kan zijn wanneer ook de andere overwegingen van de Commissie niet correct zouden zijn hetgeen, zoals uit de navolgende bespreking zal blijken, niet het geval is; 2.2.2.
- Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker kritiek uit op het onderzoek en de beoordeling van de verschillende regularisatiecriteria door de Commissie; dat, wat de beoordeling van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 betreft, verzoeker vooreerst kritiek uit op de overweging van de Commissie dat verzoeker bij zijn aanvraag geen verklaring heeft neergelegd zoals vereist door artikel 9, 7/ van de wet; dat verzoeker stelt dat het oordeel van de Commissie dat zijn vluchtelingenverklaring daaraan niet voldoet, niet terzake is “omdat de eiser ook niet volhoudt dat deze documenten zouden moeten worden beschouwd als een (dergelijke) schriftelijke verklaring”; dat volgens verzoeker de “zittingsnota” diende te worden beschouwd als een “schriftelijke verklaring” in de zin van artikel 9, 7/, “nu deze een duidelijke uiteenzetting bevat omtrent de onmogelijkheid voor de eiser om terug te keren naar zijn land van herkomst”; dat verzoekers kritiek niet kan worden bijgetreden; dat vooreerst uit de motivering van het advies blijkt dat de Commissie, enerzijds, heeft vastgesteld dat in “het bij de aanvraag gevoegde dossier” geen schriftelijke verklaring werd teruggevonden, zoals vereist door artikel 9, 7/; dat bovendien blijkt dat de Commissie de door verzoeker ter zitting neergelegde nota, los van de vraag of dit al als een schriftelijke verklaring in de zin van artikel 9, 7/ kan worden beschouwd nu deze niet bij de aanvraag is gevoegd, wel degelijk heeft onderzocht; dat uit de “zittingsnota” blijkt dat verzoeker “(b)etreffende het artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999" antwoordt op de opmerkingen gemaakt in de nota van het secretariaat van de Commissie voor regularisatie, met name dat verzoeker “zijn nationaliteit niet bewijst, noch de individuele omstandigheden die hem beletten terug te keren om redenen onafhankelijk van zijn wil”; dat verzoeker vooreerst ingaat op de redenen waarom het hem onmogelijk is zijn nationaliteit te bewijzen; dat ter ondersteuning daarvan verzoeker twee artikelen heeft toegevoegd betreffende de XIV-23.926-13/16 situatie in Bhutan die dateren van 1996; dat verder verzoeker nog stelt dat “Bhutan (zich) nog steeds (bevindt) op de lijst van IOM en het dus een land (is) waar er geen vluchtelingen naar worden uitgewezen.”; dat in het advies de Commissie het volgende stelt omtrent de voormelde “zittingsnota” : “Slechts ter zitting van 12 mei 2005 wordt een nota met stukken neergelegd, waarin verwezen wordt naar de onmogelijkheid tot terugkeer. Vooreerst weze opgemerkt dat deze stukken gesteund zijn op documenten die dateren van 1996, hetzij drie jaar voor de datum waarop asiel werd aangevraagd. Meer recente informatie (zie o.m. http://www.worldaudit.org/) geven aan dat er projecten opgestart werden die derwijze vertrouwenwekkend zijn dat de United Nations High Commissioner for Refugees (UNCHR) aankondigde zijn burelen geleidelijk te zullen terugtrekken uit de vluchtelingenkampen. De leden van de Kamer dienen verder vast te stellen dat uit geen enkel gegeven blijkt dat betrokkene enige inspanning heeft gedaan om zich documenten te verschaffen”; dat verzoekers kritiek op deze overwegingen zich, enerzijds, beperkt tot het herhalen van de redenen waarom hij in de onmogelijkheid is om zich documenten te verschaffen, maar daarmee geenszins de beoordeling van de Commissie weerlegt dat de stukken waarop verzoeker zich steunt “dateren van 1996" noch dat uit enig gegeven zou blijken dat verzoeker “enige inspanning heeft gedaan om zich documenten te verschaffen”; dat verzoeker niet de kennelijke onredelijkheid aantoont van deze overwegingen van de Commissie; dat, anderzijds, verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd doordat het advies geen rekening houdt met het argument dat Bhutan voorkomt op de IOM- lijst waarnaar geen vluchtelingen kunnen worden uitgewezen; dat de omstandigheid dat Bhutan op de IOM-lijst zou voorkomen -verzoeker heeft daarvan geen bewijs neergelegd bij de zittingsnota- niet betekent dat een ongunstig advies over de toepassing van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 onmogelijk is; dat uit het advies blijkt dat de Commissie van oordeel is dat verzoeker geen overtuigende argumenten heeft aangebracht die het hem onmogelijk maken zich de nodige (identiteits- en nationaliteits)documenten te verschaffen; dat het aan de aanvrager is om de nodige inspanningen te leveren om actuele en bewijskrachtige stukken voor te leggen waaruit zijn objectieve en subjectieve onmogelijkheid tot terugkeer naar zijn land van herkomst zou kunnen blijken; dat, aangezien de Commissie op redelijke gronden kon vaststellen dat verzoeker dergelijke inspanningen niet heeft geleverd, zij zich dan ook kon beperken tot deze vaststelling; dat het enkele feit dat Bhutan op de IOM-lijst zou voorkomen, aan deze vaststelling niets vermag te veranderen; dat bijgevolg de Commissie niet verplicht was op dit gegeven uitdrukkelijk in te gaan; dat, wat de beoordeling van artikel 2, 1/ van de wet van 22 december 1999 betreft, verzoeker meent “dat het onderzoek van de voorwaarden van de wet van 22 december 1999 moeten gebeuren op het moment dat hij voor de Commissie voor regularisatie verschijnt op een zitting”; dat deze opvatting niet strookt met de bepalingen van de wet van 22 december 1999; dat uit de bewoordingen van de wet van 22 december 1999 ontegensprekelijk blijkt dat aan de in die wet gestelde voorwaarden, waaronder de voorwaarde van artikel 2, 1/, dient te zijn voldaan op het ogenblik van het indienen van de aanvraag tot regularisatie; dat, mocht dit XIV-23.926-14/16 niet het geval zijn, zou worden voorbijgegaan aan de bedoeling van de wet die een gunstmaatregel inhoudt voor bepaalde categorieën van vreemdelingen; dat verzoeker er dan ook niet in slaagt aan te tonen dat de Commissie, en dus ook de minister, in casu de toepassing van artikel 2, 1/ niet correct heeft beoordeeld; dat, wat de beoordeling van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreft, verzoeker er andermaal vanuit gaat dat aan de voorwaarden ervan moet zijn voldaan op het ogenblik van de zitting; dat, zoals reeds gesteld, de wet terzake duidelijk is: aan de voorwaarden dient te zijn voldaan op het ogenblik van het indienen van de aanvraag; dat, gelet op de bewoordingen van de wettelijke bepalingen de Commissie, en dus ook de Minister, enkel rekening kon houden met de verblijfstermijn die verzoeker kon laten gelden bij de indiening van zijn aanvraag, in casu nog geen jaar; dat, voor zover als nodig, dient opgemerkt dat verzoeker zich niet met goed gevolg kan beroepen op adviezen en beslissingen, waarvan hij overigens geen bewijs voorlegt, die mogelijkerwijze in weerwil van de wettelijke bepalingen ter zake, aan anderen werden verleend; 2.2.2.
- Overwegende dat in een derde onderdeel verzoeker stelt dat de artikelen 12 en 13 van de wet van 22 december 1999 zijn geschonden doordat uit de ondertekening van de bestreden beslissing blijkt dat niet de Minister van Binnenlandse Zaken maar een andere minister, tot wiens bevoegdheid binnenlandse zaken niet behoort, de bestreden beslissing heeft ondertekend; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat “M. Verwilghen” heeft getekend “voor Patrick DEWAEL (afw)”; dat aldus blijkt dat wel degelijk de bevoegde Minister van Binnenlandse Zaken, i.c. P. Dewael, een beslissing heeft genomen over de regularisatieaanvraag van verzoeker; 2.2.2.
- Overwegende dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-23.926-15/16 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.926-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.873 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div