← België

Arrest 162892 - - 28/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.892 Rolnummer: A. 85542/VII-18928 Zaak: Arrest 162892 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 05:12 Fiche Arrest nr 162.892 van 28 september 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.892 van 28 september 2006 in de zaak A. 85.542/VII-18.

  1. In zake : de v.z.w. GREENPEACE BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te HEIST-OP-DEN-BERG, Dorp 72A tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Werk, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson - Snelstraat 38,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat L. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Paleizenstraat
  4. tussenkomende partij : de n.v. F.B.F.C. INTERNATIONAL, die woonplaats kiest bij advocaat L. VAN HOUT, kantoor houdende te BERLAAR, Markt
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. GREENPEACE BELGIUM op 19 juli 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "het Koninklijk Besluit dd. 5 oktober 1994 waarbij de exploitatievoorwaarden, opgelegd bij Koninklijk Besluit nr. S.3.106/D van 12 augustus 1993 aan de N.V. FBFC INTERNATIONAL te Dessel, aangevuld worden"; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 oktober 1999; Gelet op de beschikking van 3 november 1999 die de tussenkomst van de n.v. F.B.F.C. INTERNATIONAL toelaat; VII-18.928-1/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 5 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. DANCET die, loco advocaat S. VERSTRAETEN verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaten J.-F. DE BOCK en R. KECHICHE, loco advocaat L. DENYS, die verschijnen voor de verwerende partij, en van advocaat L. van HOUT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Feitelijke gegevens Overwegende dat de belangrijkste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  7. De tussenkomende partij is een vennootschap die onder meer tot doel heeft de fabricatie van volledige samenstellingen van brandstoffen voor kernreactors of voor proefreactors, de fabricatie en samenstelling van de bestanddelen van deze brandstoffen en alle activiteiten verwant aan het nucleair gebied. VII-18.928-2/12 1.
  8. Op de werkzaamheden van de tussenkomende partij is het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen van toepassing. Artikel 12 van dit besluit betreft de uitbreiding en de wijziging van de inrichting en luidt als volgt : "Voor ieder ontwerp tot belangrijke wijziging of uitbreiding van de inrichting, moet een aanvraag om vergunning worden gericht aan de bevoegde overheid, die daarover uitspraak doet. Indien die wijziging of uitbreiding de overgang van een lagere klasse naar een hogere klasse tot gevolg heeft is de voor die laatste klasse opgelegde vergunningsprocedure te volgen. Ingeval de wijziging of uitbreiding geen overgang van een lagere klasse naar een hogere klasse in zich sluit, kan de bevoegde overheid van een of meer van de formaliteiten vermeld bij de artikelen 5, 6, 7, 8 en 10 afwijken". Artikel 13 betreft de aanvullende voorwaarden en wijziging van de exploitatievoorwaarden en luidt als volgt : "De bevoegde overheid kan het vergunningsbesluit aanvullen of wijzigen op voorstel van :
  9. de Speciale Commissie, voor de inrichtingen vergund door Ons en die vergund door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin;
  10. het Provinciaal Adviserend Comité, voor de inrichtingen door de bestendige deputatie in laatste aanleg vergund. De Speciale Commissie en het Provinciaal Adviserend Comité kunnen op eigen initiatief of op voorstel van een der met het toezicht belaste ambtenaren handelen. Het nieuw besluit wordt bekendgemaakt en aangeplakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 6, 7, 8 en 10 al naar het geval. Voor de inrichtingen vergund door de bestendige deputatie staat hoger beroep open voor de belanghebbenden overeenkomstig de bepalingen van artikel 7.
  11. Dat beroep schorst de bestreden beslissing". 1.
  12. Op 4 oktober 1990 dient de tussenkomende partij een vergunningsaanvraag in tot het verder exploiteren van haar installaties te Dessel. Deze vergunning wordt haar verleend bij koninklijk besluit van 12 augustus 1993 met kenmerk S.3.106/D. 1.
  13. In een nota van 13 mei 1992 wordt het voornemen van de tussenkomende partij tot het oprichten van een bijgebouw aan het bestaande gebouw 5 van de inrichting, uiteengezet. De oprichting van het bijgebouw, dat een oppervlakte van 9,7m x 58 m = 563 m² en een hoogte van 10 m zou hebben, wordt overwogen teneinde "de uranium- en MOX-produktiecampagnes beter te scheiden en om de stralingsbelasting van de operatoren zo laag mogelijk te houden en tevens te voldoen aan de nieuwe I.C.R.P. normen". Het besluit van deze nota luidt als volgt : VII-18.928-3/12 "Naar onze mening wordt enerzijds de risicograad van de bestaande installatie niet verhoogd door het geplande gebouw (zie punten 4.a. en 4.b. hierboven), terwijl hierdoor anderzijds de stralingsbelasting voor het personeel aanzienlijk vermindert (zie punten 4.c., 4.d. en 4.e. hierboven). Wij zijn dan ook van oordeel dat de geplande uitbreiding niet moet beschouwd worden als een belangrijke wijziging of uitbreiding van de inrichting zoals bedoeld in artikel 12 van het Koninklijk Besluit van 28 februari 1963 maar als een wijziging ter verbetering van de veiligheid, binnen de bestaande uitbatingsvergunning". 1.
  14. Naar aanleiding van een gewijzigd plan betreffende de bouw van een supplementaire vleugel aan gebouw 5, die een oppervlakte zou beslaan van 10,2 x 58 + 22 x 17 = 966 m² met een hoogte van 10 m, stelt verslaggever J. DELHOVE in maart 1993 een nieuw verslag voor de Speciale Commissie Ioniserende Stralingen op. 1.
  15. In haar vergadering van 24 mei 1993 brengt deze commissie een gunstig voorlopig advies met betrekking tot het project uit. Dit luidt als volgt : "
  16. N.V. F.B.F.C. International - Dessel-Bouwproject : bijgebouw bij gebouw
  17. De Commissie neemt kennis van het verslag van de verslaggever, de heer DELHOVE, kenmerk EX 1382 A (Dossier : 00300/04) van maart
  18. Zij keurt dit verslag goed mits aanbrengen van volgende wijzigingen van de voorstellen inzake de voorstellen van exploitatievoorwaarden (blz. 6/6) : - voorwaarde nr. 1 : de tweede alinea zou dienen te worden geschrapt; - voorwaarde nr. 4 : de Commissie vraagt deze voorwaarde op te stellen, rekening houdende met een aanbeveling die zij als volgt formuleert : 'In uitzonderlijke omstandigheden (brand ...) mag water worden aangewend, mits het akkoord en het permanent toezicht van de dienst voor fysische controle'; - voorwaarde nr. 6 : zou als volgt dienen te beginnen : '
  19. Een inrichting voor de controle ...'; - een bijkomende voorwaarde zou dienen te worden opgelegd, die verwijst naar de documenten die de aanvraag uitmaken. Mits deze wijzigingen brengt de Commissie een gunstig voorlopig advies uit over de aanvraag". 1.
  20. In haar vergadering van 7 maart 1994 stelt de Speciale Commissie Ioniserende Stralingen vast "dat zij ter zitting van 24 mei 1993 verkeerdelijk gunstig voorlopig advies uitbracht over een aanvraag daar waar het ging om het voorstellen van aanvullende voorwaarden in het kader van artikel 13 van het K.B. van 28.02.1963". VII-18.928-4/12 Zij stelt verder het volgende : "De Commissie stelt dus voor de aanvullende voorwaarden, zoals beschreven in het verslag van de heer DELHOVE (kenmerk EX. 1383 A dossier 00300/04, maart 1993) en zoals gewijzigd in punt 3 van het verslag R.I. 231 van de Speciale Commissie van 24.05.1993, op te leggen. In het verslag R.I. 231 van de Speciale Commissie van 24.05.1993 dienen onder punt 3 het vierde gedachtenstreepje en de laatste alinea geschrapt te worden en vervangen te worden door : ‘De Speciale Commissie stelt voor om bovenvermelde voorwaarden als aanvullende exploitatievoorwaarden in het kader van artikel 13 van het K.B. van 28.02.1963 op te leggen'. 1.
  21. Bij koninklijk besluit Nr. S.3.106/E van 5 oktober 1994 worden de exploitatievoorwaarden die aan de tussenkomende partij zijn opgelegd bij koninklijk besluit Nr. S.3.106/D van 12 augustus 1993, aangevuld. Dit is het bestreden besluit. Het luidt als volgt : "KONINKRIJK BELGIE MINISTERIE VAN TEWERKSTELLING EN ARBEID MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU Nr. S.3.l06/E Koninklijk besluit waarbij de exploitatievoorwaarden, opgelegd bij koninklijk besluit Nr. S.3.106/D van 12 augustus 1993 aan de n.v. FBFC International te Dessel, aangevuld worden. ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en wezen zullen, ONZE GROET. Gelet op het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 mei 1966, 22 mei 1967, 23 december 1970, 23 mei 1972, 24 mei l977, 12 maart1984, 21 augustus 1985, 16 januari 1987, 11 februari 1987, 12 februari 1991, 6 september 1991, 17juni 1992, 7 september 1993 en 23 december 1993, inzonderheid op artikel 13.1; Gelet op het koninklijk besluit Nr. S.
  22. 106/D van 12 augustus 1993 waarbij aan de n.v. FBFC International vergunning verleend wordt tot het verder exploiteren van haar installaties te Dessel; Overwegende dat de scheiding van de werkzaamheden met uranium- houdende stoffen en de MOX-stiftenbehandeling (Mixed OXides) voor het personeel tijdens normale exploitatie, een vermindering van de blootstelling aan neutronenstraling inhoudt, conform de nieuwe aanbevelingen van de I.C.R.P.; Overwegende dat de scheiding van de werkzaamheden met uraniumhoudende stoffen en de MOX-stiftenbehandeling onder incidentele of accidentele omstandigheden eveneens een vermindering inhoudt van de blootstelling van het personeel; Gelet op het voorstel van de Speciale Commissie; Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Minister van Maatschappelijke Integratie Volksgezondheid en Leefmilieu, HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ : Artikel 1.- Artikel 3.
  23. van het koninklijk besluit Nr. S.
  24. 106/D van 12 augustus 1993 wordt vervangen door : '3.
  25. De werkzaamheden met MOX-stiften zijn volledig gescheiden van de werkzaamheden met uraniumhoudende stoffen. Deze laatste vinden plaats VII-18.928-5/12 binnen gebouw 5, de MOX-stiftenbehandeling binnen het bijgebouw aan het gebouw 5 (zoals dit beschreven is in het verslag aan de Speciale Commissie : 'FBFC International - Dessel - Onderzoek van een bouwprojekt : een bijgebouw bij gebouw 5' met referentie EX 1382 A van maart 1993 ). Een beschrijving van deze installaties, de bewerkingen die er worden uitgevoerd en de veiligheidsinrichtingen en -voorschriften, wordt door de exploitant overgemaakt samen met de kennisgeving bepaald in artikel 15 van het algemeen reglement. Voor dit bijgebouw aan gebouw 5 gelden aanvullend volgende voorwaarden :
  26. De hoeveelheid splijtbaar materiaal is er steeds beperkt tot : - 400 kg voor de hoeveelheid plutonium dat in behandeling is; - 2.000 kg voor de hoeveelheid plutonium, dat opgeslagen is in colli en/of binnen het magazijn voor afgewerkte MOX-elementen.
  27. Binnen de lokalen voor opslag en behandeling van MOX-stiften en -elementen is de luchtdruk 40 Pa (4 mm waterkolom) minder dan buiten deze lokalen. Het aantal luchtverversingen per uur binnen deze lokalen is minstens vier.
  28. Een veiligheidsinrichting verhindert dat twee MOX-elementen tegelijkertijd in één werkpost aanwezig zijn.
  29. Het opslaglokaal bevat geen enkele waterleiding of watertoevoer. In uitzonderlijke omstandigheden (brand, ...) mogen moderatoren worden aangewend, mits het akkoord en het permanent toezicht van de dienst voor fysische controle.
  30. Toestellen voor luchtbemonstering die alfabesmetting ten minste op termijn kunnen detecteren, worden in de montagewerkplaats geïnstalleerd.
  31. Een inrichting voor de controle van de besmetting van handen en voeten wordt in het sas voor het personeel geïnstalleerd.
  32. De deuren met toegang tot de zone van behandeling van MOX-stiften en -elementen hebben een brandweerstand van minstens anderhalf uur'. Art. 2.- Artikel 3.
  33. van het koninklijk besluit Nr. S. 3.106/D van 12 augustus 1993 wordt opgeheven. Art. 3.- Artikel 3.
  34. van het koninklijk besluit Nr. S. 3.106/D van 12 augustus 1993 wordt vervangen door : '3.
  35. Wat de splijtbare stoffen betreft zijn de montagewerkplaatsen hoofdzakelijk bestemd voor het monteren van splijtstofstiften in splijtstofelementen, voor niet-destructieve controles, voor het reinigen van splijtstofstiften en -elementen en voor het opslaan ervan. Eventuele bijkomende werkzaamheden zoals ondermeer het demonteren van afgekeurde splijtstofelementen in splijtstofstiften en struktuuronderdelen, zijn echter toegestaan, na goedkeuring door de dienst voor fysische controle en het erkend organisme'. Art. 4.- Artikel 3.12.van het koninklijk besluit Nr. S.3.106/D van 12 augustus 1993 wordt vervangen door : '3.
  36. De opslaglokalen voor afgewerkte splijtstofelementen dienen hoofdzakelijk voor het opslaan en behandelen van afgewerkte splijtstofelementen'. Art. 5.- Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Minister van Maatschappelijke Integratie, Volksgezondheid en Leefmilieu zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 5 oktober 1994"; VII-18.928-6/12
  37. Ontvankelijkheid 2.
  38. Standpunten van de partijen Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord de onontvankelijkheid van het beroep wegens laattijdigheid opwerpt; dat zij betoogt dat de verzoekende partij vóór het faxbericht van 14 april 1999 waarmee zij om inzage verzocht van bepaalde stukken, kennis had van het aangevochten besluit en dat in het "proces-verbaal aangaande inzagerecht van een dossier" van 17 juni 1999 wordt gesteld : "Van de exploitatievergunningen D, E en F kreeg de heer Vande Putte afschrift via de gemeente Dessel vóór dat hij zijn aanvraag tot inzage aan de DTKVI richtte"; dat zij besluit dat het beroep laattijdig is ingediend aangezien tussen 14 april 1999 en het indienen van het verzoekschrift, dat bij de griffie van de Raad van State is toegekomen op 20 juli 1999, meer dan zestig dagen zijn verlopen; Overwegende dat de tussenkomende partij zich in haar memorie volledig aansluit bij de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid wegens laattijdigheid; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord erkent dat zij "net voor het versturen van haar fax op 14 april, met name op dinsdag 13 april 1999" via de gemeente Dessel kennis kreeg van de bestreden vergunning, dat zij niettemin het door haar ingestelde beroep ontvankelijk acht ratione temporis, daar het bestreden besluit volgens haar onvoldoende informatie verschafte en zij zich eerst via een faxbericht van 14 april 1999 tot de Dienst voor de technische veiligheid van de kerninstallaties (D.T.V.K.I.) heeft dienen te richten teneinde kennis te nemen van het dossier en meer specifiek van de verslagen van de Speciale Commissie, waarbij haar pas op 17 juni 1999, d.i. zestig dagen na haar aanvraag, de mogelijkheid tot inzage van de betrokken documenten werd geboden; dat zij verder argumenteert : "Verwerende partijen stellen dat het kennis nemen van de vergunning op zich volstaat voor het ingaan van de beroepstermijn van zestig dagen -quod certe non; Uw Raad heeft reeds herhaaldelijk geoordeeld dat een verzoekende partij kennis moet kunnen nemen van alle noodzakelijke elementen alvorens de beroepstermijn loopt; Er anders over oordelen, zou inhouden dat burgers/verzoekende partijen vaak verplicht zijn een beroep in te stellen zonder zich daarbij te kunnen beroepen op VII-18.928-7/12 de noodzakelijke middelen, gezien zij geen inzage van het dossier hebben kunnen bekomen ...; Een dergelijk beroep zou als lichtzinnig beoordeeld worden; In casu blijkt dat verzoekster na kennisname van het bestaan van de vergunning meteen het nodige deed om de vereiste documenten in te zien, doch de overheid één maand tijd neemt om het verzoek tot inzage te beantwoorden en het uiteindelijk zestig dagen duurt alvorens effectief kennis kan worden genomen van de vereiste documenten; Indien in casu zou worden voorgehouden dat het beroep laattijdig is, dan zou dit betekenen dat elke overheid een eventueel beroep bij uw Raad van State kan voorkomen door inzage van de betrokken documenten te weigeren dan wel pas te verlenen na zestig dagen - quod certe non; Hierbij kan verwezen worden naar uw rechtspraak : - arrest 8.12.1965, nr 11.537, VANDAELE : 'De termijn bepaald voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van een rechtshandeling welke noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden, gaat enkel in wanneer de verzoeker er wettig kennis van heeft, d.w.z. wanneer hij er met voldoende zekerheid een voldoende kennis van heeft'. - arrest 5.12.1975, nr.17.323, LENGLOIS : 'De termijn gaat slechts in op de dag waarop de verzoeker juist en volledig kennis krijgt van de bestreden handeling'. - arrest 22.1.1991, nr. 36.266, ANDREDCO : 'De termijn bepaald voor het instellen van een annulatieberoep tegen een rechtshandeling welke noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden, gaat slechts in op het ogenblik dat de verzoekende partij met voldoende zekerheid een voldoende kennis van de bestreden handeling heeft gekregen. Het is de zaak van de partij die beweert dat de verzoekende partij meer dan zestig dagen voor het instellen van het annulatieberoep feitelijke kennis had van de bestreden rechtshandeling, het bewijs daarvan te leveren'. Ten slotte is verzoekende partij zelf reeds met dezelfde problematiek in aanraking gekomen, naar aanleiding van een ander dossier; gezien vzw GREENPEACE BELGIUM meestal te maken heeft met vergunningen, besluiten die niet bekendgemaakt, noch betekend worden, doet zich steeds hetzelfde voor; In dat kader heeft uw Raad reeds een gelijkaardige beslissing genomen in het arrest van 24.10.1991, nr. 37.910, vzw GREENPEACE BELGIUM : 'Wanneer niet blijkt dat de kennis die een verzoekende partij had van een lozingsvergunning, voldoende was om er een annulatieberoep tegen in te stellen, doet zij de beroepstermijn niet aanvangen'. In casu was het noodzakelijk dat verzoekster inzage kon krijgen van het verslag van de Speciale Commissie, gezien verzoekster hierop haar enig middel steunde; Bovendien dient verwezen te worden naar artikel 1 van het bestreden Besluit zelve waarin verwezen wordt naar het verslag van de Speciale Commissie; In het beschikkend gedeelte van het Besluit zelf wordt het verslag met naam geciteerd; Aldus kan met reden worden gesteld dat het verslag integraal deel uitmaakt van het Besluit zelve; Het is aldus absoluut noodzakelijk dat kennis wordt genomen van dit verslag om het Besluit volledig te kennen ! Op datum van 17 juni 1999 verkreeg verzoekster voldoende kennis om het annulatieberoep in te stellen; Gerekend vanaf 17 juni 1999 werd het beroep tijdig ingediend, met name bij aangetekend schrijven d.d. 19.7.1999; VII-18.928-8/12 Tot slot : in geval van twijfel, moet dit in het voordeel van de verzoeker worden uitgelegd: arrest nr. 31.161, 25.10.1988, CROONENBORGHS en nr. 44.935, 7.10.1993, KERN"; Overwegende dat de verzoekende partij hier in haar laatste memorie nog aan toevoegt : "(...) De Auditeur besluit in zijn verslag ten onrechte tot de onontvankelijkheid. Dit verslag steunt zich op de redenering dat het bestreden Besluit op zich voldoende informatie verstrekte om het middel te ontwikkelen. Dit is manifest onjuist. Het verslag stelt dat het besluit 'duidelijk' aangeeft 'dat een bijgebouw aan het gebouw 5 wordt opgericht, welke werkzaamheden onder welke voorwaarden in dit bijgebouw zullen plaatsvinden, alsook op welke rechtsgrond, te weten artikel 13.
  39. (...) het besluit is gestoeld'. Dit is onjuist. (...) Stuk 1 van het bundel van verzoekende partij is het besluit zoals verzoekende partij dit mocht ontvangen. Nergens staat te lezen dat er een bijgebouw wordt opgericht. Wel integendeel, het woord 'opgericht' is angstvallig vermeden. Er is enkel sprake van voorwaarden die gelden voor dit bijgebouw, doch nergens wordt beschreven dat dit bijgebouw wordt opgericht. (...) Ook de rechtsgrond, namelijk artikel 13.
  40. van het KB van 28.2.1963 is niet vermeld in het bestreden besluit. Deze argumentatie kan dan ook NIET worden gevolgd. (...) Bovendien kan er niet naast gekeken worden dat artikel 1 van het bestreden Besluit effectief het verslag aan de Speciale Commissie opneemt in het beschikkend gedeelte; er staat immers letterlijk : 'Deze laatste vinden plaats binnen gebouw 5, de MOX- stiftenbehandeling binnen het bijgebouw aan het gebouw 5 (zoals dit beschreven is in het verslag aan de Speciale Commissie : 'FBFC...'); Met andere woorden : het verslag maakt integraal deel van het Besluit en was niet ter inzage geweest. Verzoekster had dus geen inzage van het volledige Besluit. Zulks kan niet worden ontkend door verwerende partijen. Dit element wordt niet besproken in het auditoraatsverslag. (...) De Auditeur stelt in zijn verslag dat de bevindingen van het verslag maar bijkomend zijn omdat het woord 'eveneens' werd gebruikt. Zoals supra al aangegeven wordt in het Besluit zelf niet verwezen naar artikel 13.
  41. en wordt er evenmin gesteld dat het gaat om de oprichting van het gebouw. Dit bleek uit het verslag aan de Speciale Commissie. De argumentatie in het inleidend verzoekschrift p. 6 onder 'Bespreking' geeft dat ook aan. Deze argumentatie is NIET gebaseerd op wat te lezen staat in het Besluit zelf, maar juist op de later bijkomend verkregen informatie. Daarenboven blijkt dit ook nog eens uit de gevoerde procedure. Met andere woorden, het blijkt tweemaal uit de documenten van de Speciale Commissie ! (...) VII-18.928-9/12 Het is niet onbelangrijk te weten dat er reeds tussen partijen procedures werden gevoerd, waarbij de schending van de bepalingen van het openbaar onderzoek werden ingeroepen voor uw Raad m.b.t. een andere vergunning; Deze procedure liep op basis van artikel
  42. Toen verzoekster aldus inzage wenste van deze vergunning hebben verwerende partijen er alles aan gedaan om dit tegen te houden. Op 14 april wordt dit door verzoekster aangevraagd, maar pas op 17 mei wordt dit beantwoord en wordt inzage toegestaan op 17 juni, 60 dagen na de aanvraag; één en ander is bewust gedaan om vervolgens voor Uw Raad de laattijdigheid te kunnen inroepen; Aan zulke dilatoire houding kan geen beloning verleend worden; Het kan bovendien niet de bedoeling van Uw Raad zijn om verzoekers aan te zetten lichtzinnig naar uw Raad te stappen, zonder kennisname van een document dat volgens het Besluit zelve integraal deel uitmaakt van het Besluit !!"; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog toevoegt : "Het is niet zo, zoals verkeerdelijk door verzoekende partij wordt gesteld, dat zij per se kennis van de verslagen van de speciale commissie diende te nemen vooraleer haar beroep in te stellen. Uit het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat het bouwproject een bijgebouw bij gebouw 5 betreft ('onderzoek van het project : een bijgebouw bij gebouw 5'). Op basis van deze informatie kon verzoekende partij haar middel formuleren nu dit middel gebaseerd is op de stelling dat de procedure voorgeschreven door artikel 12 A.R.I.S. (uitbreiding en wijziging van een inrichting) had moeten gevolgd worden, en niet deze van artikel 12 (lees : 13) A.R.I.S. (aanvullende voorwaarden en wijziging van de exploitatievoorwaarden). Verzoekende partij kan niet achteraf op kunstmatige wijze beweren dat zij haar middel niet had kunnen formuleren zonder de informatie bevat in de verslagen van de Speciale Commissie, louter omdat zij naar deze verslagen in haar middel verwijst. Tevergeefs stelt verzoekende partij dat de rechtsgrond in het bestreden besluit niet zou vermeld worden. In de aanhef van het bestreden besluit wordt inderdaad uitdrukkelijk vermeld : 'Gelet op het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, (...), inzonderheid op artikel 13.1'. Hieruit volgt dat verzoekende partij met voldoende zekerheid en voldoende kennis geïnformeerd werd over de grond van het bestreden besluit(en), zowel in feite als in rechte, zoals dit volgens de rechtspraak van uw Raad wordt geëist en dat de opmerkingen van dhr. Auditeur hieromtrent relevant en correct zijn. Tevergeefs stelt verzoekende partij dat de verslagen van de Speciale Commissie deel zouden uitmaken van het bestreden besluit en dat bij gebrek aan mededeling ervan, zij voldoende geïnformeerd zou zijn geweest. Verzoekende partij verliest uit het oog dat de verwijzing in het bestreden besluit naar voorbereidende handelingen niet betekent dat deze stukken zomaar deel uitmaken van de beslissing. Een afdoende motivering vereist niet het hernemen van alle elementen van het administratief dossier. Een bondige doch volledige motivering volstaat, in de zin van de wet van 29 juli 1991 op de formele motivering van bestuurshandelingen, om de feitelijke en juridische grondslag van een administratieve beslissing te VII-18.928-10/12 begrijpen. Dit is des te meer zo wanneer de verwijzing een technische beschrijving van bepaalde werkzaamheden betreft, dewelke niet doorslaggevend is voor de formulering van het middel. Er wordt hieraan toegevoegd dat de stelling van verzoekster als zou zij geen beloning hebben bij een dilatoir gedrag, niet relevant is. De naleving van de beroepstermijn behoort tot de openbare orde. Met de mogelijke intenties van de verzoekende partij wordt geen rekening gehouden voor de berekening van de -op straffe van verval voorgeschreven- termijn van zestig dagen. Ook de stelling van verzoekende partij als zou zij van het voordeel van de twijfel moeten genieten kan niet worden aanvaard. Het voordeel van de twijfel kan eventueel spelen indien er twijfel bestaat over de precies(e) datum van kennis van een bestreden besluit dat niet betekend moet zijn. Hier bestaat geen twijfel over deze datum nu verzoekende partij uitdrukkelijk erkent dat zij op 13 april 1999 in kennis werd gesteld van het bestreden besluit. De verwijzing naar de rechtspraak van uw Raad dienaangaande is niet pertinent"; 2.
  43. Bespreking Overwegende dat luidens artikel 4, derde lid, van het Procedurereglement, de beroepen tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen worden bekendgemaakt of betekend, verjaren; dat, indien ze noch bekendgemaakt of betekend dienen te worden, de termijn slechts ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gekregen; Overwegende dat de verzoekende partij niet betwist dat het beroep werd ingesteld meer dan zestig dagen nadat zij kennis had gekregen van het bestreden besluit; dat zij in essentie betoogt dat het noodzakelijk was dat zij inzage kon krijgen van de verslagen van de Speciale Commissie aangezien zij hierop haar enig middel steunde en zij zodoende pas na inzage van deze documenten "met voldoende zekerheid een voldoende kennis van de bestreden beslissing" zou hebben gekregen; Overwegende dat uit het ter kennis gebrachte besluit duidelijk blijkt dat een bijgebouw zal worden opgericht en wat erin zal gebeuren; dat het verslag van de Speciale Commissie niet onontbeerlijk was om het middel, zoals het uiteindelijk werd geformuleerd, te ontwikkelen; dat niet blijkt dat de afmetingen van het gebouw of andere specifieke kenmerken ervan voor de verzoekende partij van belang waren, gezien het middel er in wezen op neer komt dat de oprichting van eender welk nieuw gebouw impliceert dat een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd; dat de exceptie gegrond is en het beroep niet ontvankelijk, BESLUIT: VII-18.928-11/12 Artikel
  44. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  45. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.928-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.892 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.