← België

Arrest 162921 - - 28/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.921 Rolnummer: A. 176888/XII-4867 Zaak: Arrest 162921 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-21 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 05:14 Fiche Arrest nr 162.921 van 28 september 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.921 van 28 september 2006 in de zaak A. 176.888/XII-

  1. In zake : Jasmin BERGEN, die woonplaats kiest bij advocaat T. L’Allemand, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 47-49, bus 1 tegen : de VZW DE PELGRIM, die woonplaats kiest bij advocaat M. Gelders, kantoor houdende te Leuven, Celestijnenlaan 17, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jasmin Bergen, minderjarige leerling vertegenwoordigd door haar ouders Paul Bergen en Martine Versluys, op 19 september 2006 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de “beslissing van de delibererende klassenraad van 1 september 2006 om het B-attest met uitsluiting ASO, Techniek-Wetenschappen TSO en Industriële wetenschappen TSO, te behouden”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2006, om 9.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Haegeman, die loco advocaat T. L’Allemand verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. Gelders, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; XII-4867-1/11 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
  3. Overwegende dat verzoekster tijdens het schooljaar 2005-2006 leerlinge is van het tweede jaar van de tweede graad ASO, richting economie- moderne talen in het Sint-Norbertusinstituut te Duffel; Overwegende dat de delibererende klassenraad op 26 juni 2006 beslist om verzoekster een oriënteringsattest B af te leveren, met clausulering voor alle richtingen ASO en voor de richtingen techniek-wetenschappen en industriële wetenschappen in het TSO; Overwegende dat, na overleg tussen de ouders van verzoekster en de voorzitter van de delibererende klassenraad aan de eerstgenoemden op 30 juni 2006 wordt ter kennis gebracht dat de klassenraad opnieuw vergaderd heeft op diezelfde dag en dat hij “de beslissing (b-attest) gehandhaafd [heeft]”; Overwegende dat de beroepscommissie, op bezwaar van verzoekster en na haar ouders te hebben gehoord, aan het schoolbestuur adviseert om de klassenraad opnieuw samen te roepen om de beslissing opnieuw te overwegen “gezien het klein tekort enkel voor het vak geschiedenis”; Overwegende dat de raad van bestuur het advies volgt en beslist om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen; Overwegende dat de delibererende klassenraad op 1 september 2006 het B-attest handhaaft, met de volgende motivering : “(a) Globaal resultaat : ... [niets ingevuld] (b) Vakken waarvoor onvoldoende of zeer zwak gepresteerd werd : - Vak : Geschiedenis Eindresultaat : 48 Evolutie : - Vak : Biologie Eindresultaat : 55 Evolutie : - Vak : Chemie Eindresultaat : 55 Evolutie : Frans

(52)Wiskunde
(53)Nederlands
(55)Engels
(53)Oorzaken/opmerkingen Dalende lijn van het 2e naar het 3e trim. voor vele vakken : geen inzet en motivatie - 4 tekorten in de laatste toetsenreeks; zwak dagelijks werk; Remediëring of studiebegeleiding gedurende het schooljaar Extra oefeningen en inhaallessen werden aangeboden XII-4867-2/11 (
  1. c)Redenen uit (
  2. a)én (
  3. b)waarop de conclusie van de delibererende klassenraad gebaseerd is De leerling heeft te weinig basis om naar de derde graad ASO over te gaan”; Overwegende dat de voorzitter van de delibererende klassenraad de beslissing met een 1 september 2006 gedateerd en aangetekend verstuurd schrijven aan verzoekster ter kennis brengt, in die brief de motieven nogmaals opsomt en in bijlage de aangehaalde notulering van de delibererende klassenraad voegt; 2. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoekster wijst op het dreigend verlies van een schooljaar en de vaste rechtspraak van de Raad van State desbetreffend; Overwegende dat verwerende partij aan verzoekster verwijt niet voldoende diligent te zijn geweest door twee weken te talmen met het instellen van de vordering, ofschoon het dossier haar niet onbekend was ingevolge de reeds doorlopen administratieve beroepsprocedure; Overwegende dat verwerende partij moeilijk aan verzoekster kan verwijten tot medio september te hebben gewacht met het instellen van de vordering, nu verzoekster op 3 juli 2006 reeds het intern administratief beroep had ingesteld en verwerende partij vervolgens de bestreden beslissing pas heeft genomen op een ogenblik dat het schooljaar is aangevat -1 september- en verzoekster die beslissing eerst ter kennis heeft gekregen op 4 september 2006; dat verzoekster door het handelen van de verwerende partij hoe dan ook niet meer de mogelijkheid kreeg om te proberen het gevreesde nadeel nog prompt, voor aanvang van het nieuwe schooljaar, te keren; dat in de concrete omstandigheden van de zaak er geen reden is om het voorhanden zijn van uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen; XII-4867-3/11 4. Overwegende, wat de derde voorwaarde betreft, dat verzoekster doet gelden niet de schoolloopbaan in het ASO te kunnen volgen die zij wenst “zonder uitgesloten te worden in de technische en industriële wetenschappen”; dat volgens haar de schorsing als “nuttig effect” tot gevolg kan hebben dat zij haar schoolloopbaan in het ASO “naar keuze” kan verderzetten; Overwegende dat verwerende partij die uiteenzetting onvoldoende concreet acht, maar ze vaag en algemeen noemt en zonder nadeel aan te tonen; dat volgens haar het volgen van een richting die is toegelaten met het B-attest precies meer aangepast is aan verzoeksters eigenschappen en capaciteiten; Overwegende dat de bestreden beslissing verzoekster weliswaar geen schooljaar doet verliezen, indien zij akkoord zou gaan om één van de nog toegelaten richtingen uit te gaan in haar verdere school-carrière; dat dit echter net niet is wat zij wenst, reden waarom zij de voorliggende vordering instelt; dat verzoekster dienvolgens een schooljaar dreigt te verliezen, indien zij haar jaar moet overdoen in de geambieerde richting; dat het verlies van een schooljaar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt; dat de Raad voorts aanneemt dat een clausulering die de omvang heeft als de voorliggende (alle ASO richtingen en twee TSO richtingen) in beginsel zo een hinderpaal vormt voor een leerling om zijn opleiding voort te zetten, dat het een nadeel van dergelijke omvang vormt dat het ernstig is en moeilijk te herstellen; dat in de voorliggende zaak verwerende partij het tegendeel niet aantoont door er van uit te gaan dat de toegankelijk blijvende richtingen meer aan verzoeksters capaciteiten tegemoet komen; dat dit immers de grond van de zaak betreft, want er van uit gaat dat de clausulering terecht is; dat de derde voorwaarde is vervuld; 5.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster zowel in het eerste middel als in het tweede middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder van het zorgvuldigheidsbeginsel en, meer bepaald in het tweede middel, van het motiveringsbeginsel; XII-4867-4/11 Overwegende dat verzoekster toelicht, onder meer, dat zij slechts één tekort heeft voor het vak geschiedenis met een gewicht van twee lesuren per week, dat zij voor de wetenschappelijke vakken geen tekorten heeft behaald en zij geen verband ziet tussen de clausulering voor wetenschappen en haar effectieve resultaten, dat twee andere leerlingen daarentegen een A-attest kregen niettegenstaande hun resultaten ernstiger tekorten vertoonden op hoofdvakken; Overwegende dat de verwerende partij in de nota met opmerkingen antwoordt dat de toekenning van een B-attest redelijk en gerechtvaardigd is; dat zij betoogt : “45. Het is vooreerst zoals gesteld, op zich niet onredelijk om een leerling niet te laten slagen wanneer die - zoals verzoekende partij- één of meer onvoldoendes heeft bij een globaal percentage dat hoger dan 50% ligt. De verzoekende partij heeft overigens slechts een relatief zwakke totaalscore behaald, nl. 56,3% (zie stuk 2). 46. Alleen al deze totaalscore, alsook de door verzoekende partij behaalde scores voor de individuele vakken in de door haar gevolgde ASO-richting tonen aan dat de bestreden beslissing naar redelijkheid is genomen. We geven dat wat die individuele vakken betreft, hierna weer voor de vakken geschiedenis en de wetenschappelijke vakken. 47. Zo heeft de verzoekende partij voor het vak geschiedenis de volgende puntenscores behaald: 33% voor toets 1, 59% voor toets 2 en 45% voor toets 3 (stuk 2). De bijhorende commentaren van het lerarenkorps in de diverse deeltijdse rapporten van verzoekende partij bevestigen en motiveren dit eens te meer. Die commentaren betreffen zowel de toetsen als de dagelijkse inzet van de betrokken leerling, zodat een zo goed mogelijk totaalbeeld kan worden bekomen van de capaciteiten en inzet van de betrokken leerling. Zo stelt het rapport van verzoekende partij inzake het vak geschiedenis: ! voor dagelijks werk 3: ‘Probeer je aandacht bij de les te houden, Jasmin, en span je in om actief mee te werken tijdens de les. Zelfstandig werken op een S. 0. is vereiste nummer één. Jammer voor je resultaat!’; ! voor dagelijks werk 4: ‘Spijtig van de laatste S. 0. Probeer de leerstof nog eens grondig door te nemen nog voor de toetsen beginnen!’. De meer fundamentele problemen bij het volgen van een ASO-opleiding blijken ook uit het commentaar bij toets 3 voor geschiedenis: ‘Op het deel “leerinhouden” haalde je 17/43, waaruit blijkt dat je de leerstof niet helemaal onder de knie hebt. Probeer veel meer uit de les mee te pikken! Op deel II ‘bronnenanalyse’ haalde je 9/13,5. Op het deel kaartenanalyse haalde je 5,5/13,5. Hieruit blijkt ook dat je niet voldoende je atlas gebruikt tijdens het studeren. Het is de bedoeling dat je de leerstof linkt aan de atlaskaarten!’. 48. Ook voor de andere algemene ‘humane’ vakken, behaalde verzoekende partij vrij magere scores: Frans : 52%, Nederlands : 55% en Engels: 53% (stuk 2; zie ook stuk 8). 49. Voorts behaalde verzoekende partij in het voorbije schooljaar voor de volgende wetenschappelijke vakken de volgende eindscores chemie: 55% wiskunde: 53% biologie: 55% fysica: 61% XII-4867-5/11 informatica: 59% De commentaren daarover toegespitst op de diverse deelaspecten van het dagelijks werk en de toetsen lagen in dezelfde lijn; zo becommentarieerde de leraar wiskunde de toets 2 die door de verzoekende partij werd afgelegd als volgt: ‘Net de helft. Zwaar tekort wel voor goniometrie. We bouwen hier verder op in het derde trimester/ Zorg dus dat je direct terug mee bent!’ en het dagelijks werk 4: “Erg slechte eerste S0, wat herhaling was van de toets in april. Ook de andere twee waren onder de helft. Als je een tijd afwezig bent, dan krijg je altijd genoeg tijd voordat je een S0 moet inhalen. Gebruik die tijd dan ook! (...)’ (zie stuk 2). De bewering van verzoekende partij dat ‘uit geen enkel stuk blijkt dat verzoekster gedurende het schooljaar problemen zou hebben gekend op de wetenschappelijke vakken’ mist dan ook feitelijke grondslag. De door verzoekende partij daaruit getrokken conclusie dat er dan ook geen enkel verband is met de effectieve resultaten van verzoekende partij en de genomen clausulering (voor de TSO-richtingen Techniek-Wetenschappen en Industriële Wetenschappen), is bijgevolg evenmin gerechtvaardigd. 50. De eerder zwakke prestaties en inzet van verzoekende partij voor algemene vakken -die in een ASO-opleiding eens te meer van belang zijn- en voor wetenschappelijke vakken - die ook in de TSO-richtingen Techniek- Wetenschappen en Industriële Wetenschappen van relatief groot belang zijn kwamen overigens reeds tot uiting tijdens het schooljaar 2002-2003 : toen reeds had verzoekende partij immers een B-attest bekomen, met uitsluiting voor alle ASO-onderverdelingen alsook van de TSO-richtingen Techniek-Wetenschappen en Sociale en Technische Wetenschappen. Toen reeds werd verzoekende partij aangeraden om een eerder praktische, technische richting te kiezen waarvoor ze interesse zou kunnen opbrengen (stuk 1 b). De verzoekende partij heeft dat advies toen echter naast zich neergelegd, en is verder schoolgegaan in een ASO- richting. Ook in het eerste leerjaar van de tweede graad kreeg verzoekende partij een ‘waarschuwing’ voor een van de wetenschappelijke vakken, m.n. voor chemie (stuk 1d). 51. De gehele persoon van de leerling, d.w.z. inzet, attitude en capaciteiten, werd dus door de verwerende partij geëvalueerd ter gelegenheid van het nemen van de bestreden beslissing. Inderdaad moeten ook de prestaties van een leerling in het verleden en zijn destijds geëvalueerde capaciteiten in enigerlei mate betrokken worden bij de beslissing omtrent het al dan niet geslaagd zijn van een leerling voor een bepaald leerjaar in het secundair onderwijs. In die zin zal een delibererende klassenraad ook enigszins ‘prospectief delibereren’, waarbij het verleden daarbij deels als basis dient. Zo werd de attitude en betrokkenheid van de verzoekende partij bij de opleidingsonderdelen en het werkveld negatief beoordeeld, evenals haar geringe progressie -of zelfs achteruitgang- doorheen het betrokken schooljaar (stukken 8 en 9). 52. De verzoekende partij werd tijdens het schooljaar ook op voldoende duidelijke en frequente wijze geëvalueerd en begeleid over haar prestaties en inzet in verband met de onderscheiden vakken. Zo werd haar naast mondelinge aansturingen en aanmaningen, een en ander ook op schriftelijke wijze meegedeeld zoals blijkt uit de commentaren bij haar rapporten (stukken 2 en 9). In het algemeen bleek dat verzoekende partij getuigde van weinig inzet en motivatie. Ook dit is een element wat de delibererende klassenraad ertoe gebracht heeft om de bestreden beslissing te nemen (zie stukken 8 en 9). 53. Dat verwerende partij aangaande de voorliggende feiten toch een redelijke handelwijze heeft aangenomen blijkt ten slotte uit het feit dat zij verzoekende partij tijdens het schooljaar op verscheidene manier hulp heeft aangeboden ter remediëring van de bestaande gebreken: zo heeft verwerende partij verplichte herhalingsoefeningen voor Engels en vrije herhalingsoefeningen XII-4867-6/11 voor Frans voorzien, maar verzoekende partij heeft niet deelgenomen aan deze oefeningen. Ook heeft zij de inhaallessen voor Frans niet bijgewoond. Deze feitelijke gegevens waren voor verwerende partij dan ook precies terecht mede een reden om de bestreden beslissing te nemen. 54. Met het bekomen B-attest mag verzoekende partij overigens naar een volgend leerjaar overgaan (hetgeen niet het geval zou zijn met een C-attest; zie art. Organisatiedecreet). De keuze om Technische en Industriële Wetenschappen uit te sluiten heeft te maken met het zware pakket wiskunde in die TSO- studierichtingen die de verzoekende partij voor onoverkomelijke problemen zou plaatsen; de andere TSO-richtingen blijven natuurlijk mogelijk. In die zin kan niet met ernst worden voorgehouden dat verwerende partij enkel maar onmiddellijke de strengste maatregel zou hebben genomen bij de beoordeling van het al dan niet geslaagd bevinden van verzoekende partij voor het voorbije schooljaar. Ten slotte zou het probleem van de algemene vaststelling dat een ASO-richting of de TSO-richtingen Techniek- Wetenschappen en Industriële Wetenschappen te zwaar zijn voor verzoekende partij, niet worden opgelost door laatstgenoemde een herexamen of een vakantietaak op te leggen. Het feit dat al in het tweede leerjaar van de eerste graad werd aangegeven dat verzoekende partij beter zou kiezen voor een meer praktische opleiding, is daar alleen maar een bevestiging van. 55. Uit de reeds uiteengezette feitelijke omstandigheden en uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing op een zorgvuldige wijze werd voorbereid, en dat deze beslissing is gestoeld op een correcte feitenvinding die minstens gebaseerd is op een redelijke afweging van verscheidene feitelijke omstandigheden en belangen. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing rekening gehouden met die resultaten van de verzoekende partij waarop zij haar beslissing kon steunen. Zij heeft die resultaten in globaliteit beoordeeld, de tekorten geëvalueerd in het licht van de aard van de betrokken opleidingsonderdelen, hun som en gewicht en heeft onderzocht of ze toevallig en eenmalig waren. Dit alles gebeurde tegen de achtergrond van de resultaten die verzoekende partij in het verleden heeft behaald in gelijkaardige studierichtingen en met een blik op de beste toekomstige opportuniteiten voor de verzoekende partij. De delibererende klassenraad heeft dan alles in acht genomen, het globale examenresultaat en resultaten voor bepaalde individuele vakken als onvoldoende beschouwd. Daarbij was er alvast geen van de leraars die voldoende zwaarwegende positieve argumenten in het voordeel van verzoekende partij heeft aangehaald waar de meerderheid van de klassenraad akkoord was. 56. Te dezen heeft de klassenraad, met die gegevens voor ogen, geoordeeld dat de verzoekende partij met op voldoende wijze de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt. De resultaten waren over de totale lijn te zwak om de verzoekende partij een dezelfde of gelijkaardige richting te laten doorgaan naar een vijfde jaar ASO. Aldus werd geoordeeld dat de verzoekende partij niet heeft voldaan voor het geheel van de vorming van het betrokken leerjaar, en dat zij bijgevolg niet kan overgaan naar het volgend leerjaar in bepaalde richtingen (ASO of de richtingen Techniek-Wetenschappen en Industriële Wetenschappen in het TSO). De klassenraad heeft met de bestreden beslissing voorgehad om een beslissing te nemen die het meest aangewezen is voor de verzoekende partij zelf; de klassenraad heeft immers de taak om de leerling te oriënteren naar de beste studierichting voor de leerling zelf. Hoe dan ook moet deze bestreden beslissing in de gegeven omstandigheden als een redelijke beslissing worden beschouwd. 57. Voorzover het middel ten slotte in enigerlei mate zou mogen worden begrepen als een beweerde schending van de ‘materiële motiveringsplicht’ doordat de bestreden beslissing zou gesteund zijn op het enkele tekort voor het vak geschiedenis is dit niet ernstig. XII-4867-7/11 Uit de bestreden beslissing blijkt met name dat de delibererende klassenraad finaal het niet-geslaagd verklaren van de verzoekende partij verantwoord op grond van een zestal elementen (zie stukken 8 en 9, zie ook supra randnrs. 10 en 44). Als de verzoekende partij zo zou mogen begrepen dat er, los van het mathematisch tekort voor het vak geschiedenis bijzonder deugdelijke motieven moeten bestaan om haar af te wijzen dan gaat zij in ieder geval voorbij aan en levert zij geen kritiek op het feit dat zijn niet-slagen steunt op de zes voormelde motieven. Deze motieven zijn in rechte aanvoerbaar en in feite juist, en zij zijn, samen genomen, ‘afdoend en pertinent’ om de bestreden beslissing te kunnen dragen”; 5.2. Overwegende dat verzoekster het B-attest blijkens de stukken die zij aan de beroepscommissie heeft voorgelegd in wezen bestrijdt, ten eerste, omdat “er slechts één tekort is in totaal, nl 2 % voor geschiedenis” en zij niet kan aanvaarden “dat één klein tekort [...] op het laatste examen van geschiedenis leidt tot een volledig verbod om verder te gaan in een ASO-afdeling”, ten tweede, omdat zij zich afvraagt waarom “sommige leerlingen met een A-attest [slagen] niettegenstaande zij meerdere vakken hebben waarvoor zij geen 50 % behaalden” en, ten derde, omdat zij zich afvraagt waarom zij “[wordt] uitgesloten voor IW (TSO) en TW (TSO) ondanks het feit dat zij meer dan 50 % heeft behaald voor de wetenschappelijke vakken”; Overwegende dat de beroepscommissie daarop adviseert om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen; Overwegende dat de delibererende klassenraad, in een geval zoals hier voorligt waarin hij na advies van de beroepscommissie op vraag van het schoolbestuur opnieuw moet samenkomen nadat zijn oorspronkelijke beslissing binnen het raam van de in het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure is aangevochten, zorgvuldig in de veruitwendigde motieven van zijn eindbeslissing de door hem gemaakte afweging moet doen blijken; dat immers, wil zij enig nut hebben, de bij het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure er in ieder geval op gericht moet zijn om de klachten en de argumenten van een leerling te onderzoeken; dat verzoekster een antwoord op haar klachten diende te vinden, hetzij finaal in de beslissing van de delibererende klassenraad hetzij ten minste in het advies van de beroepscommissie; XII-4867-8/11 Overwegende dat te dezen alvast geen antwoord te vinden lijkt in het advies van de beroepscommissie, dat immers sámen met verzoekster “het klein tekort enkel voor het vak geschiedenis” vaststelt en de twee andere vragen onbesproken lijkt te laten; Overwegende dat de Raad enkel rekening mag houden met de motieven die dan door de delibererende klassenraad zijn genotuleerd; dat, voor zover de voorzitter in de kennisgeving van de beslissing die motieven parafraseert, die parafrase niets toevoegt aan de motivering van de klassenraad; dat, zo de voorzitter toch méér zou hebben geschreven of zelfs andere motieven zou hebben gegeven, in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat zij enkel van hemzelf uitgaan omdat niet blijkt dat die motivering ook aan de delibererende klassenraad is toe te schrijven; dat, kortom, de begeleidende brief van 1 september 2001 op het eerste gezicht niet naast de genotuleerde beslissing van 1 september 2006 mee in de beoordeling mag worden betrokken; Overwegende dat evenzo met het uitvoerig betoog van verwerende partij geen rekening mag worden gehouden in de mate dat er nieuwe motieven in worden aangevoerd, achteraf, die niet in de beslissing van de klassenraad zijn terug te vinden; Overwegende dat verwerende partij zich overigens vergist door in het hiervoor overgeschreven randnummer 56 van de nota te argumenteren dat de klassenraad heeft geoordeeld dat verzoekster “niet op voldoende wijze de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt heeft” zodat zij “niet heeft voldaan voor het geheel van de vorming van het betrokken leerjaar”; dat immers verzoekster een oriënteringsattest B heeft gekregen; dat een dergelijk B-attest luidens artikel 39 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs betekent “dat de leerling het leerjaar met vrucht beëindigd heeft in de betrokken onderwijsinstelling en derhalve tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen en/of onderverdelingen” waarbij artikel 38, 1/, van hetzelfde besluit preciseert dat een leerling met vrucht het tweede leerjaar van de tweede graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”; dat die definitie van een B-attest, de Raad van State vooralsnog doet aannemen dat de motivering van een dergelijk attest de redenen moet kenbaar maken waarom de XII-4867-9/11 leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de klassenraad toch de toegang tot welbepaalde richtingen moet worden ontzegd; dat dit zeer wel spoort met de drie hiervoor weergegeven, wezenlijke vragen van verzoekster; Overwegende dat de door de delibererende klassenraad genotuleerde motivering vooreerst de onvoldoende voor het vak geschiedenis herhaalt, zonder meer; dat vervolgens de vakken worden opgesomd -zowel taalvakken als bètavakken- waarvoor verzoekster meer dan 50% en geen 60% heeft behaald; dat als “oorzaken/opmerkingen” op de “dalende lijn” wordt gewezen “voor vele vakken” en op het gebrek aan inzet, op tekorten in de laatste toetsenreeks en op zwak dagelijks werk; dat, na de loutere vaststelling dat studiebegeleiding werd “aangeboden”, wordt besloten uit het voorgaande dat de reden waarop de conclusie is gebaseerd om een B-attest af te leveren is, dat verzoekster “te weinig basis heeft”, “om naar de derde graad ASO over te gaan”; Overwegende dat die motivering op het eerste gezicht niets leert over de vraag waarom verzoekster wordt geclausuleerd voor wetenschappen terwijl zij voor de wetenschappelijke vakken geen tekorten heeft behaald; dat integendeel, prima facie, de klassenraad enkel een overgang “naar de derde graad ASO” heeft gemotiveerd om dan toch tot een gedeeltelijke clausulering voor TSO te beslissen; dat voorts, gelet op hetgeen verzoekster voor de beroepscommissie heeft aangevoerd in verband met de andere leerlingen met vermeend meer tekorten op zwaardere vakken en op het gegeven dat mét haar ook de beroepscommissie een heroverweging verantwoord vond wegens “het klein tekort enkel voor het vak geschiedenis”, van de delibererende klassenraad ter verantwoording van de (gehele) clausulering voor ASO een meer uitgebreid antwoord mocht worden verwacht, dan een korte herhaling van de uitslag voor dit ene vak, aangevuld met een opmerking over een “dalende lijn” “voor vele vakken” en een gebrek aan inzet en motivatie; dat dit laatste daarenboven genotuleerd staat bij “oorzaken/opmerkingen” voor de opgesomde resultaten, wat de vraag doet rijzen of het überhaupt een afzonderlijk, geëigend motief vormt; Overwegende dat de Raad in de huidige stand van de procedure dienvolgens vaststelt dat verzoekster op enkele essentiële vragen niet de antwoorden heeft gekregen die zij in het kader van de beroepsprocedure van een zorgvuldig handelend bestuur mocht verwachten en die, in voorkomend geval, tot een anders luidende beslissing zouden kunnen leiden; XII-4867-10/11 Overwegende dat de beide middelen in de besproken mate ernstig zijn; 6. Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 1 september 2006 van de delibererende klassenraad van het tweede leerjaar van de tweede graad van het Sint- Norbertusinstituut te Duffel, om Jasmin Bergen een oriënteringsattest B uit te reiken met uitsluiting van ASO, TW (TSO) en IW (TSO). Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4867-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.921 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.564 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.