id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.922 Rolnummer: A. 176941/XII-4869 Zaak: Arrest 162922 - - 28/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 05:16 Fiche Arrest nr 162.922 van 28 september 2006 - Beslissing : Bevolen Verwerping overige Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 162.922 van 28 september 2006 in de zaak A. 176.941/XII-
- In zake : Nico WUYTS, wonende te Rijmenam, Hollakenbaan 12 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 5, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Nico Wuyts op 19 september 2006 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van : “
- de beslissing dd. 28/6/2006 van de klassenraad van het 2de leerjaar secundair Grieks-Latijn, derde graad van genoemd Koninklijk Atheneum, waarbij aan Nico Wuyts een C-attest werd toegekend voor het schooljaar 2005-
- de beslissing dd. 7/9/2006 van de algemene directie van genoemde Scholengroep 5 gewezen, in beroep, tot weigering van samenroeping van genoemde klassenraad, aan verzoeker betekend op 12/9/2006”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker bij uiterst dringende noodzakelijkheid het bevelen van voorlopige maatregelen vordert onder verbeurte van een dwangsom; Gezien de nota van de verwerende partij; XII-4869-1/10 Gelet op de beschikking van 21 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2006, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van Mark Wuyts, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Feitelijke gegevens van de zaak
- Overwegende dat de delibererende klassenraad van het eerste leerjaar van de derde graad grieks-latijn van het koninklijk atheneum te Keerbergen op 28 juni 2006 beslist om verzoeker een oriënteringsattest C af te leveren, met als motivering: “Twee onvoldoendes voor het jaartotaal - Drie onvoldoendes voor E2 - Achttien onvoldoendes over gans het jaar voor de rapportcijfers”; Overwegende dat de ouders van verzoeker op 4 juli 2006 hun bezwaren tegen de beslissing kenbaar maken; dat de directeur hen niet eerder dan 25 augustus 2006 ontvangt voor overleg; dat hij diezelfde dag beslist de delibererende klassenraad niet samen te roepen, blijkens een verslag van zijn hand omdat: “er zijn geen nieuwe elementen aangehaald die door de klassenraad in overweging kunnen genomen worden om de eerste beslissing te herroepen”; Overwegende dat verzoeker bezwaar aantekent bij de beroepscommissie; Overwegende dat de algemeen directeur van de scholengroep met een 8 september 2006 gedateerd schrijven aan de ouders van verzoeker meedeelt : “Na uw bezwaarschrift werd een beroepscommissie samengesteld. Deze beroepscommissie heeft aan de scholengemeenschap secundair onderwijs het advies gegeven het oordeel van de delibererende klassenraad te volgen. XII-4869-2/10 De scholengemeenschap secundair onderwijs heeft op zijn vergadering van 7 september 2006 beslist het advies van de beroepscommissie te volgen. In bijlage vindt u het verslag van deze beroepscommissie”; Het voorwerp van de vordering tot schorsing
- Overwegende dat de artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatiebesluit) een beroep binnen de school organiseren tegen beslissingen van de delibererende klassenraad; dat, zoals de Raad van State reeds heeft uiteengezet in onder meer zijn arrest nr. 103.155, Labaere, van 5 februari 2002, de beslissing waarmee de desbetreffende procedure wordt afgesloten, de eindbeslissing is, vatbaar voor beroep voor de Raad van State; dat die eindbeslissing kan zijn, ofwel de “definitieve beslissing ten aanzien van de betrokken leerling” van de delibererende klassenraad (artikel 74 van het organisatiebesluit), ofwel de beslissing van de inrichtende macht dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing (artikel 73, tweede lid, van het organisatie-besluit); dat de Raad in de huidige stand van de procedure aanneemt dat de beslissing van 7 september 2006 van de scholengroep 5 van het Gemeenschaps-onderwijs, om de delibererende klassenraad niet bijeen te roepen, in de voorliggende zaak de aanvechtbare en aan te vechten eindbeslissing is; De schorsingsvoorwaarden
- Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende, wat de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde betreft, dat verzoeker zich beroept op het dreigend verlies van een schooljaar en de rechtspraak van de Raad van State desbetreffend; dat verwerende partij in de nota met opmerkingen enkel over de middelen inhoudelijk verweer voert en dienvolgens XII-4869-3/10 geen redenen ziet om het vervuld zijn van deze voorwaarden te bestrijden; dat ook de Raad er geen ziet; dat ze zijn vervuld; 5.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker als middel “3.2.2.2.” de schending aanvoert van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht; dat hij de motivering om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen strijdig acht met de genoemde beginselen om de volgende redenen : “- de verwijzing naar ‘het groot aantal tekorten’ is strijd met de materiële gegevens van het dossier: het gaat om welgeteld 2 tekorten op jaarbasis en één enkel bijkomend tekort op E2 voor een vak waarvoor het jaartotaal voldoende is; de andere, opgehaalde tekorten kunnen onmogelijk in aanmerking komen zoals hierboven uiteengezet; - dat de tekorten ‘belangrijk’ zouden zijn druist al evenzeer in tegen het dossier: zoals uiteengezet gaat het om tekorten van telkens 2%; - hoe de tekorten van die aard zouden zijn dat een uitgestelde beslissing niet kan verantwoord worden, valt niet uit te maken: de school heeft in haar studiereglement immers geen omschrijving gegeven wanneer tekort al dan niet in aanmerking komt voor een uitgestelde beslissing; - de remediëringsinitiatieven die de inrichtende macht - of juister de schooldirecteur - aanhaalt werden hierboven reeds besproken: het louter formuleren van aanmaningen en het uitnodigen van de ouders op de oudercontacten kan in redelijkheid niet als voldoende remediëring worden aanzien. - in de beroepsprocedure lag er bovendien, anders dan de schooldirecteur in zijn beslissing dd. 25/8/2006 en in zijn advies dd. 29/8/2006 aanvoerde, wel degelijk een nieuw element voor: De ouders hadden immers reeds in hun mail dd. 3/8/2006 (stuk 7 dossier verzoeker) op gewezen dat zij ervan uitgingen dat een herkansing zou worden toegestaan en dat zij ervoor zouden zorgen dat Nico erop voorbereid was om de toetsen af te leggen op een door de school te bepalen datum vanaf 28 augustus. Tijdens hun onderhoud met de directeur op 25/8/2006 hebben de ouders bevestigd dat dit daadwerkelijk het geval was. Ook in de beroepsprocedure wezen de ouders er in hun faxen dd. 25/8/2006 (stuk 11 dossier verzoeker, p 2 sub 1.2) en 27/8/2006 (stuk 13 dossier verzoeker, p 3 nr 7) nogmaals en uitdrukkelijk op dat Nico van de vakantiemaanden gebruik had gemaakt om zijn kennis van zowel wiskunde als Duits bij te werken. Over dit gegeven wordt echter niet gerept in het advies dd. 29/8/2006, noch in de beslissing dd. 7/9/2006”; Overwegende dat verwerende partij dit middel beantwoordt als volgt : “Het advies van de beroepscommissie en dus de beslissing van de inrichtende macht verwijzen uitgebreid naar de samenstelling van de beroepscommissie, het schoolreglement, de gevolgde procedure, de regelmatigheid van de vergadering XII-4869-4/10 van de delibererende klassenraad en spreekt zich uit over de grond die verzoeker betwist. - groot aantal tekorten. Verzoeker verkiest om enkel rekening te houden met de tekorten op jaarbasis maar in realiteit gaat het over 18 tekorten over het hele jaar, waarvan 12 op het dagelijks werk en telkens drie op elke examenperiode en de tekorten zijn in 8 verschillende vakken. De vaststelling van de beroepscommissie is dus in de feiten juist. - Verzoeker houdt dan voor dat hij in aanmerking zou kunnen komen voor een uitgestelde beslissing na het afleggen van bijkomende examens. Verzoeker houdt voor dat in het studiereglement geen omschrijving wordt gegeven wanneer een tekort al dan niet in aanmerking komt voor een uitgestelde beslissing. Het is en blijft een beslissing van de delibererende klassenraad om te beslissen dan wel de beslissing uit te stellen en aan de leerling bepaalde voorwaarden op te leggen, vakantietaak, bijkomende examens. Het is niet zo dat de leerling recht heeft op een uitgestelde beslissing en ‘herexamens’. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert is in het schoolreglement in navolging van SO 64 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs bepaald dat uitgestelde examens kunnen in uitzonderlijke gevallen zoals bv. langdurige afwezigheid, ziekte, overmacht,... - Verzoeker wuift de remediëringsinitiatieven die de school genomen heeft weg. Die zijn nochtans niet onaanzienlijk en worden vermeld in de bestreden beslissing. De besprekingen in de klassenraad, de rapportcommentaren met voortdurende aanmaningen voor het leveren van betere prestaties zowel in de klas als thuis, de nota’s in de schoolagenda met aanmaning tot werken en ernstiger houding, alsook de opgemaakte taken maken, de commentaar op het rapport, de afzonderlijke briefwisseling, de oudercontacten en de telefoongesprekken. - Een ‘nieuw element’ Het nieuw element zou zijn dat de leerling tijdens de vakantie gestudeerd heeft, althans volgens de melding van de ouders. Hoewel dit studeren aan de leerling zeker geen kwaad zal hebben toegebracht, kon verzoeker uit geen enkel element afleiden dat er overwogen werd om de klassenraad opnieuw bijeen te roepen en dat de klassenraad dan zou beslissen om zijn beslissing uit te stellen tot na bijkomende examens”; 5.
- Overwegende dat verzoeker het C-attest in vraag stelt en daartegen dan ook de voorgeschreven administratieve beroepsprocedure heeft ingesteld; dat hij in die beroepsprocedure in wezen deed gelden, zo lijkt uit de stukken naar voren te komen, ten eerste, dat het tekort voor esthetica een eenmalige uitschuiver is, de onvoldoendes tijdens het jaar uiteindelijk grotendeels werden “opgehaald”, het globaal gemiddelde 62% bedraagt en de jaartekorten voor wiskunde en Duits niet groot zijn zodat hij een A-attest mag ambiëren en, ten tweede, dat de delibererende klassenraad niet over alle nuttige gegevens beschikte over zijn kennis en kunde, in het bijzonder wat het vak wiskunde betreft, zodat, volgens hem, desnoods nieuwe examens voor de vakken waarvoor hij tekorten heeft toegestaan moeten worden; Overwegende dat de in artikel 68 en volgende van het organisatiebesluit geregelde administratieve beroepsprocedure, wil zij enig nut XII-4869-5/10 hebben, er in ieder geval op gericht moet zijn om de klachten en de argumenten van een leerling te onderzoeken; dat verzoeker dienvolgens ergens in de loop van de beroepsprocedure een antwoord op zijn klachten diende te vinden; Overwegende dat de hiervoor weergegeven vragen en grieven van verzoeker geen evident antwoord reeds hebben gekregen in de motivering van de oorspronkelijke beslissing “Twee onvoldoendes voor het jaartotaal - Drie onvoldoendes voor E2 - Achttien onvoldoendes over gans het jaar voor de rapportcijfers”; dat de Raad dienvolgens aanneemt dat een zorgvuldig handelend bestuur er niet mee mag volstaan in de beroepsprocedure louter die motivering te hernemen of ze enkel te parafraseren; dat de beroepsprocedure tot een meer omstandige motivering noopt, waarbij bovendien niet uit het oog mag worden gelaten, zo lijkt, dat uit artikel 6quater, tweede lid, van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959 en uit artikel 5, § 1, van het organisatiebesluit blijkt dat de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn; dat het organisatiebesluit inzake de bekrachtiging van de studies derhalve geen bevoegdheid toekent aan het schoolbestuur zelf; dat het organiserend gezag van de school in artikel 73 -en in artikel 70- van het organisatiebesluit enkel de bevoegdheid krijgt om te beoordelen of er redenen zijn om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen, zonder zich met de inhoud van de te nemen beslissing te mogen mengen; Overwegende dat te dezen geen afschrift van de op 7 september 2006 tot stand gekomen weigeringsbeslissing van het schoolbestuur wordt voorgelegd; dat evenwel uit de kennisgeving ervan aan verzoeker bij brief van 8 september 2006 mag worden aangenomen, zo lijkt, dat het schoolbestuur de motivering van de beroepscommissie volkomen bijvalt en aan zijn besluit daarnaast geen autonome motieven toevoegt; Overwegende dat de beroepscommissie aan het schoolbestuur advies heeft gegeven aan de hand van een geëigend, voorgedrukt document; dat in principe daartegen geen bezwaar lijkt; dat het echter niet de beroepscommissie er van mag ontslaan om elk beroep op zijn individuele merites te onderzoeken en om de eigen bevindingen over dit beroep in het advies weer te geven; dat het document een formule bevat die refereert aan het rapport van de leerling; dat te dezen de beroepscommissie onder die formule in concreto opsomt voor welke vakken verzoeker tekorten heeft op examens en dagelijks werk; dat dit motief wel, zoals XII-4869-6/10 verwerende partij opmerkt in de nota, in de feiten juist is, maar evengoed slechts een andere weergave is, en inhoudelijk niet méér lijkt uiteen te zetten, dan de oorspronkelijk door de delibererende klassenraad gegeven motivering dat er achttien onvoldoendes zijn over gans het jaar voor de rapportcijfers, waaronder drie onvoldoendes voor het examen E2; dat de twee onvoldoendes voor het jaartotaal in het advies zelfs niet meer uitdrukkelijk te berde worden gebracht, zo lijkt; dat de Raad voorts vaststelt dat de beroepscommissie de voorgedrukte formule behoudt “Overwegende het groot aantal tekorten”, terwijl verzoeker precies in zijn beroep argumenteert dat E2 esthetica een eenmalige “uitschuiver” is en er in feite maar twee jaartekorten zijn; dat een loutere verwijzing, zonder meer, naar een “groot aantal” in die omstandigheden verwordt tot een stijlformule; dat om dezelfde reden het louter laten staan, zonder meer, van een voorgedrukte verwijzing naar “de belangrijkheid van de tekorten” niet meer volstaat in de beroepsprocedure, waar verzoeker specifiek argumenteert dat die tekorten (tweemaal 48%) níet groot te noemen zijn; dat het ongewijzigd behoud van de daaropvolgende formule “dat de tekorten van die aard zijn dat ze geen clausulering (B-attest) mogelijk maken” zelfs vragen doet rijzen naar de zorgvuldigheid van de beoordeling, nu immers uit artikel 40, § 2, van het organisatiebesluit volgt dat in het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs geen B-attest mág worden uitgereikt; dat de Raad van State ten slotte in het advies geen antwoord kan vinden op de bewering van verzoeker dat de klassenraad zonder het toestaan van bijkomende examens niet over voldoende gegevens zou beschikken om over het al dan niet slagen van verzoeker te oordelen; Overwegende dat thans verwerende partij wel een aantal argumenten voor het een en ander geeft in haar nota met opmerkingen; dat de Raad daarmee echter geen rekening mag houden, aangezien dit geen motieven lijken te zijn die binnen de beroepsprocedure aan verzoeker kenbaar zijn gemaakt op de plaats en de wijze zoals het hoort; 5.
- Overwegende dat de Raad in de huidige stand van de procedure dienvolgens vaststelt dat verzoeker op zijn essentiële vragen niet de antwoorden heeft gekregen die hij in het kader van de beroepsprocedure van een zorgvuldig handelend bestuur mocht verwachten en die, in voorkomend geval, tot een anders luidende beslissing zouden kunnen leiden; dat het middel ernstig is;
- Overwegende dat verzoeker in een middel “3.1.3.3.” aanvoert dat de delibererende klassenraad onzorgvuldig heeft gehandeld door hemzelf en een XII-4869-7/10 klasgenoot F.V.C. verschillend te behandelen; dat volgens verzoeker, alhoewel deze andere leerling voor precies dezelfde vakken jaartekorten had met zelfs grotere onvoldoendes, toch een A-attest werd uitgereikt; Overwegende dat de Raad van State sub 5.
- reeds tot de vaststelling is gekomen dat ook de derde schorsingsvoorwaarde is vervuld; dat hij dienvolgens dit middel niet meer hoeft te beoordelen; dat de Raad wel bedenkt, op zicht van de stukken die verzoeker met betrekking tot F.V.C. voorlegt, dat verzoeker prima facie reden heeft om zich af te vragen of hij en zijn klasgenoot met dezelfde maatstaf werden beoordeeld en, dienvolgens, dat verzoeker een antwoord mag krijgen op de vraag of de delibererende klassenraad zijn discretionaire bevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend wanneer hem een C-attest en F.V.C. een A-attest werd uitgereikt; dat de Raad vooralsnog niet onderzoekt of het antwoord dat verzoeker thans in de nota van verwerende partij krijgt aangereikt mag volstaan;
- Overwegende dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de geco- ördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen; De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen onder verbeurte van een dwangsom Overwegende dat verzoeker het bevelen van de volgende voorlopige maatregelen vordert onder verbeurte van een dwangsom van 150 euro per dag vertraging : “
- het toelaten van Nico Wuyts tot het afleggen van volgende examens : - over de leerstof wiskunde van het tweede semester voor het tweede leerjaar van de derde graad ASO; - over de leerstof Duits van het tweede semester voor genoemd leerjaar; Zulks binnen de 5 werkdagen na de notificatie van het tussen te komen arrest;
- het samenroepen van de klassenraad van de klas 5 Grieks-Latijn van het Koninklijk Atheneum te Keerbergen teneinde opnieuw te beraadslagen over de studievoortgang van Nico Wuyts. Zulks binnen de 3 werkdagen na het afleggen van de hierboven genoemde examens”; Overwegende dat het voorwerp van de vordering, als gezien, de beslissing is waarbij het schoolbestuur weigert om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen; dat is ernstig bevonden, het middel waarin verzoeker XII-4869-8/10 aanvoert dat die beslissing niet deugdelijk is gemotiveerd; dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, of de eventuele latere nietigverklaring van deze beslissing, op grond van dit middel, aan verzoeker als rechtsherstel nog geen nieuwe beraadslaging van de delibererende klassenraad oplevert; dat een nietigverklaring van de bestreden beslissing enkel betekent dat het schoolbestuur opnieuw zal moeten beraadslagen over het al dan niet samenroepen van de delibererende klassenraad, waarbij hij rekening moet houden met het tussengekomen annulatiearrest; dat een schorsingsarrest de school er bovendien toe aanzet de zaak niet op haar beloop te laten in afwachting van de uitkomst van het annulatieberoep, maar over te gaan tot een heroverweging van het geschorste in het licht van het ernstig bevonden middel en tot de eventuele intrekking ervan, in welk geval de verwerende partij een nieuwe beslissing zal nemen over het al dan niet samenroepen van de delibererende klassenraad; Overwegende dat niets doet veronderstellen dat verwerende partij zich niet zal schikken naar het voorliggende schorsingsarrest en dat zij meer bepaald zal weigeren om binnen de kortste tijden over te gaan tot een heroverweging; Overwegende daarenboven dat verzoeker blijkens zijn vordering tot schorsing in hoofdorde nog steeds finaal een A-attest ambieert -zonder nieuwe examens- om reden van de naar zijn mening beperkte tekorten; dat, zo gezien, zijn vraag in het verzoekschrift om als voorlopige maatregel tot het afleggen van nieuwe examens toegelaten te worden, voorbarig is; dat, ondergeschikt, zijn vraag bovendien afhankelijk is van de premisse dat de delibererende klassenraad niet over de noodzakelijke gegevens beschikt om over zijn al dan niet slagen te oordelen; dat de waarheid van die premisse in de procedure voor de Raad van State nog niet, zelfs niet voorlopig, is aangetoond; dat vooralsnog enkel is aangenomen dat die kwestie nog geen bevredigend antwoord heeft gekregen in de administratieve beroepsprocedure; Overwegende dat de Raad in het licht van wat voorafgaat niet overtuigd is, eensdeels, dat hij moet vooruit lopen op de beslissingen die verwerende partij nog zal nemen en, anderdeels, dat wat verzoeker bij wege van voorlopige maatregel vordert, nodig is om de oplossing van de zaak veilig te stellen, BESLUIT: Artikel
- XII-4869-9/10 Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van 7 september 2006 van scholengroep 5 van het Gemeenschapsonderwijs, om de delibererende klassenraad van het eerste jaar van de derde graad grieks-latijn van het koninklijk atheneum te Keerbergen niet opnieuw samen te roepen om zijn beslissing over Nico Wuyts te heroverwegen. Artikel
- De vordering wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De vordering tot bevelen van voorlopige maatregelen onder verbeurte van een dwangsom wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4869-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.922 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.998 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.