← België

Arrest 163004 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.004 Rolnummer: A. 171872/X-12786 Zaak: Arrest 163004 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 05:17 Fiche Arrest nr 163.004 van 29 september 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.004 van 29 september 2006 in de zaak A. 171.872/X-12.

  1. In zake : Jacobus THIJSSEN, die woonplaats kiest bij Advocaten K. GEELEN en K. WAUTERS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersesteenweg 187 tussenkomende partij : de stad LOMMEL, die woonplaats kiest bij Advocaat F. VEREECKEN, kantoor houdende te 3920 LOMMEL, Don Boscostraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jacobus THIJSSEN op 7 april 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 20 januari 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte aan de stad Lommel van de stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van wegen met de nodige voorzieningen voor een terrein gelegen aan de Kempensestraat te Lommel, kadastraal gekend onder 1ste afdeling, sectie C, nrs. 1401k2 (deel) en 1401 l2 (deel) (niet: 1402 k2 en 1402 l2), en van het besluit van dezelfde datum van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de stad Lommel een verkavelingsvergunning wordt verleend voor hetzelfde terrein; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.786-1/11 Gelet op de beschikking van 13 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 juni 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. GEELEN die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat K. HULPIAU die loco Advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat S. VAN GEETERUYEN die loco Advocaten F. VEREECKEN en S. BUTENAERTS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de stad LOMMEL met een op 28 april 2006 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  4. Overwegende dat de tussenkomende partij een eerste aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 19 december 2003, strekkende tot het verkrijgen van een verkavelingsvergunning met betrekking tot een terrein gelegen te Lommel, aan de Kempensestraat, kadastraal gekend onder Lommel, 1ste afdeling, sectie C, nrs. 1398 p 13 (deel), 1401 k 2 (deel) en 1401 l 2 (deel); dat het ontwerp voorzag in een verkaveling van het terrein in 63 loten open, halfopen en gesloten bebouwing voor groepswoningbouw, meer- en eengezinswoningen, wegen en groenvoorzieningen (verkaveling "Rotonde Kempensestraat"); dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij besluit van 7 augustus 2003 de gevraagde vergunning heeft geweigerd, op grond o.m. dat het ontwerp een goed uitgewerkt en onderbouwd stedenbouwkundig concept miste; dat de tussenkomende partij daarop een tweede, gewijzigde aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 14 januari 2004, met betrekking tot een deel van het genoemde terrein, met name bestaande uit de percelen kadastraal gekend onder Lommel, 1ste afdeling, sectie C, nrs. 1401 l 2 (deel) en 1401 k 2 (deel); dat het ontwerp voorzag in een verkaveling van het terrein in 20 loten, waarvan 15 loten voor open bebouwing, 4 loten als projectzone (voor groepswoningbouw) en 1 lot als parkzone; dat de gewestelijke stedenbouwkundige X-12.786-2/11 ambtenaar bij besluit van 9 juli 2004 de gevraagde vergunning heeft verleend; dat de Raad van State dit laatste besluit evenwel op verzoek van de huidige verzoeker bij arrest nr. 141.815 van 9 maart 2005 heeft vernietigd, op grond van tekortkomingen in de procedure die geleid heeft tot de voorafgaande beslissing van de gemeenteraad over de wegen; Overwegende dat de tussenkomende partij vervolgens een derde, gewijzigde aanvraag heeft ingediend, bekendgemaakt op 12 augustus 2005 en formeel ontvangen op 1 december 2005; dat ook deze aanvraag betrekking heeft op het terrein bestaande uit de percelen kadastraal gekend onder Lommel, 1ste afdeling, sectie C, nrs. 1401 k 2 (deel) en 1401 l 2 (deel); dat het nieuwe ontwerp voorziet in een verkaveling van het terrein in 20 loten, waarvan 14 loten voor open bebouwing, 4 loten als projectzone (voor groepswoningbouw) en 1 lot als parkzone; dat tijdens het openbaar onderzoek één bezwaarschrift is ingediend, met name door de verzoeker en zijn echtgenote; dat de gemeenteraad van de stad Lommel bij besluit van 27 september 2005 het ontworpen tracé van de wegen heeft goedgekeurd; dat het college van burgemeester en schepenen op 10 oktober 2005 over de aanvraag een gunstig advies heeft gegeven; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij besluit van 20 januari 2006 de gevraagde vergunning verleent; dat dit besluit het tweede voorwerp van de voorliggende vordering vormt; Overwegende dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij besluit van dezelfde dag, 20 januari 2006, ook een stedenbouwkundige vergunning verleent voor de aanleg van de in het verkavelingsontwerp bedoelde wegen; dat dit besluit het eerste voorwerp van de voorliggende vordering vormt; Overwegende dat de verzoeker eigenaar en bewoner is van een perceel dat paalt aan het terrein waarop de verkaveling betrekking heeft;
  5. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-12.786-3/11
  6. Overwegende dat de verzoeker een eerste middel aanvoert, gericht tegen de twee bestreden besluiten en afgeleid uit de schending van de artikelen 111, 127 en 133 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, de artikelen 2, 8 en 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.m. het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de verweerder in de beide bestreden beslissingen bevestigt op 1 december 2005 een aanvraag te hebben ontvangen betreffende het aanleggen van wegenis met de nodige voorzieningen en aangaande het verkavelen van een perceel, dat in dezelfde beslissingen sprake is van een beslissing van de gemeenteraad van 27 september 2005, een advies van het college van burgemeester en schepenen van 10 oktober 2005 en andere adviezen van 2 maart en 23 december 2004, terwijl, eerste onderdeel, artikel 133, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 bepaalt dat, indien een verkavelingsaanvraag de aanleg van nieuwe wegen omvat en het college van burgemeester en schepenen meent dat de vergunning kan worden verleend, de gemeenteraad dan een besluit neemt over de aanleg van de wegen alvorens effectief een beslissing wordt genomen over het toekennen van een vergunning, artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 bepaalt dat, als het een aanvraag betreft met de aanleg van nieuwe wegen, de gemeenteraad een gemotiveerd besluit neemt over de zaak der wegen, waarbij hij kennis neemt van de ingediende bezwaren en opmerkingen, in huidige zaak niet is aangetoond dat de gemeenteraad een beslissing heeft genomen over de aanleg van de wegen, als bedoeld in artikel 133 van het decreet van 18 mei 1999 of artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000, de eerste bestreden beslissing enkel vermeldt dat de gemeenteraad goedkeuring heeft verleend aan het verkavelingsontwerp en dat hij zijn beslissing van 27 januari 2004 over de opname van het wegentracé in het openbaar domein handhaaft, dit niet noodzakelijk een beslissing inhoudt tot goedkeuring van het wegentracé, in de veronderstelling dat de gemeenteraad een beslissing heeft genomen over de aanleg van de wegen, deze beslissing in elk geval reeds was genomen op het ogenblik dat de aanvragen op 1 december 2005 bij de verweerder werden ingediend, dit manifest in strijd is met het vereiste dat de gemeenteraad slechts kan beslissen nadat een aanvraag is ingediend, bovendien niet blijkt dat de verweerder vóór de beslissing van de gemeenteraad heeft vastgesteld dat de verkavelingsvergunning verleend kon worden, dergelijke verplichting voortvloeit uit artikel 133 van het decreet van 18 mei 1999, principe dat X-12.786-4/11 ook van toepassing is wanneer de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een beslissing neemt over een verkavelingsaanvraag uitgaande van de gemeente, en terwijl, tweede onderdeel, artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 verkavelingsaanvragen onderwerpt aan een openbaar onderzoek, op grond van artikel 8, eerste lid, 3/, van hetzelfde besluit het openbaar onderzoek aanvangt minstens vijf dagen en maximaal 10 dagen ná de ontvangst door de gemeente van het aanvraagdossier van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, in de huidige zaak het openbaar onderzoek blijkbaar heeft plaatsgevonden vóór de indiening van de aanvraag, met totale miskenning van de aangehaalde bepalingen, artikel 10 van voornoemd besluit vereist dat, indien de verkavelingsaanvraag in de aanleg van een nieuwe verkeersweg voorziet, de gemeenteraad een gemotiveerd besluit over de zaak der wegen neemt, nadat hij kennis heeft genomen van de ingediende bezwaren, de verzoeker betwist dat deze bepalingen volledig werden nageleefd, namelijk dat er een beslissing van de gemeenteraad zou zijn over de aanleg van de wegen, waarbij rekening werd gehouden met de ingediende bezwaren, het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat een overheid beslist met kennis van zaken, na alle nuttige informatie te hebben verzameld, en terwijl, derde onderdeel, artikel 111 van het decreet van 18 mei 1999 inhoudt dat de gevraagde adviezen worden verleend over de verkavelingsaanvraag die wordt ingediend, blijkens de verleende vergunning (sic) de aanvraag bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar is ingediend op 1 december 2005, in contrast daarmee de adviezen van de afdeling Bos en Groen en de afdeling Monumenten en Landschappen van respectievelijk 29 januari 2004 en 2 maart 2004 dateren, de documenten derhalve dateren van vóór de aanvraag, dit in strijd is met de in het middel aangehaalde bepalingen, die voorschrijven dat de adviezen worden gegeven over de ingediende aanvraag, omdat enkel op die manier zekerheid bestaat over het feit dat de adviezen ook betrekking hebben op de ingediende aanvraag, het in casu om een totaal gewijzigde aanvraag gaat, het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat een overheid beslist met kennis van zaken, na alle nuttige informatie te hebben verzameld; Overwegende, over het geheel van het middel, dat dit aan de bestreden besluiten verwijt dat ze zijn genomen op grond van een beslissing van de gemeenteraad genomen nog vóór een aanvraag was ingediend, op grond van een openbaar onderzoek gehouden nog vóór een aanvraag was ingediend, en ten slotte op grond van adviezen eveneens gegeven nog vóór een aanvraag was ingediend; dat het middel er daarbij van uitgaat dat de aanvraag op 1 december 2005 is ingediend; X-12.786-5/11 Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de tussenkomende partij de aanvraag tot het verkrijgen van een verkavelingsvergunning reeds op 18 juli 2005 ter kennis heeft gebracht van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM) Limburg, dat het openbaar onderzoek is gehouden van 12 augustus tot 11 september 2005, dat de gemeenteraad op 27 september 2005 een beslissing heeft genomen over het tracé van de wegen, dat het college van burgemeester en schepenen op 10 oktober 2005 een gunstig advies heeft verleend over de aanvraag, dat het college de aanvraag vervolgens op 28 november 2005 bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar heeft ingediend, die het op 1 december 2005 heeft ontvangen, dat de AROHM op 5 december 2005 een advies heeft gevraagd aan de afdeling Bos en Groen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, dat deze laatste afdeling haar advies heeft gegeven op 23 december 2005 (niet op 23 december 2004, zoals per vergissing in de bestreden verkavelingsvergunning is vermeld), en dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar ten slotte op 20 januari 2006 met de twee bestreden beslissingen op de aanvraag is ingegaan; Overwegende dat uit het voorgaande lijkt te volgen dat alle in het middel bedoelde handelingen, met uitzondering van het hierna te noemen advies van de afdeling Monumenten en Landschappen, dateren van na de kennisgeving van de aanvraag tot het verkrijgen van de verkavelingsvergunning, en dat de betrokken overheden en burgers zich over die aanvraag hebben kunnen uitspreken; dat hieraan niet lijkt af te doen de vaststelling dat de aanvraag, samen met de andere gegevens van het dossier, pas later, namelijk op 28 november 2005, formeel bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar is ingediend; dat het middel in dit opzicht niet lijkt te kunnen worden aangenomen; Overwegende, wat betreft het in het derde onderdeel bedoelde advies van de afdeling Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar in de bestreden verkavelingsvergunning overweegt dat het voorwaardelijk gunstig advies van die afdeling van 2 maart 2004 over een eerdere aanvraag van de tussenkomende partij van toepassing blijft op de nieuwe aanvraag, en dat hij de in dat advies genoemde voorwaarde in verband met het aan de werken voorafgaand archeologisch vooronderzoek uitdrukkelijk aan de houder van de vergunning oplegt; dat het onderdeel geen kritiek uitoefent op de aan die handelwijze ten grondslag liggende rechtsopvatting dat, als een advies van de afdeling Monumenten en Landschappen X-12.786-6/11 over een eerste aanvraag geldig blijft voor een latere, gewijzigde aanvraag, geen nieuw advies meer moet worden gevraagd; dat het middel in dit opzicht niet lijkt te kunnen worden aangenomen; Overwegende dat het middel niet ernstig is;
  7. Overwegende dat de verzoeker een tweede middel aanvoert, gericht tegen het eerste bestreden besluit en afgeleid uit de schending van de artikelen 111, 127 en 133 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de artikelen 2, 8 en 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, en uit de bevoegdheidsoverschrijding, doordat de verweerder in het eerste bestreden besluit een aanvraag tot het aanleggen van wegenis behandelt en de beslissing volledig steunt op overwegingen die verband houden met de aanleg van de wegenis, terwijl op grond van de in het middel aangehaalde bepalingen uitsluitend de gemeenteraad bevoegd is om uitspraak te doen over de aanleg van wegenis, de verweerder dienaangaande bijgevolg totaal geen uitspraak kon doen en hij bijgevolg de bevoegdheid hem toegekend overschrijdt; Overwegende dat artikel 133, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat, indien een verkavelingsaanvraag "de aanleg van nieuwe verkeerswegen" omvat, de gemeenteraad een besluit neemt over de wegen alvorens het college van burgemeester en schepen over de vergunningsaanvraag beslist; dat een dergelijk besluit van de gemeenteraad ook vereist is als over de vergunningsaanvraag moet worden beslist door de Vlaamse regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, met toepassing van artikel 127, § 1, van het genoemde decreet; dat artikel 133, § 1, eerste lid, van het decreet evenwel niet inhoudt dat het college van burgemeester en schepenen of, in gevallen zoals de voorliggende, de Vlaamse regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich niet mag uitspreken over de werken zelf die de aanleg van een ontworpen weg met zich brengt; dat artikel 133, § 1, tweede lid, van het decreet integendeel bepaalt dat onder de daarin bepaalde voorwaarde de verkavelingsvergunning gelijkgesteld kan worden met de stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van de wegen, hetgeen erop wijst dat X-12.786-7/11 in beginsel nog een afzonderlijke stedenbouwkundige vergunning is vereist voor de aanleg van de wegen; Overwegende dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de aanleg van de wegen, overeenkomstig het tracé dat de gemeenteraad bij besluit van 27 september 2005 heeft goedgekeurd; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar aldus niet lijkt te treden op het domein dat tot de bevoegdheid van de gemeenteraad behoort, maar integendeel een beslissing genomen lijkt te hebben die tot zijn bevoegdheid behoort; dat het middel naar recht lijkt te falen; dat het niet ernstig is;
  8. Overwegende dat de verzoeker een derde middel aanvoert, gericht tegen het tweede bestreden besluit en afgeleid uit de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel, doordat, eerste onderdeel, de verkaveling in haar geheel niet in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening, en doordat, tweede onderdeel, de ruimtelijke draagkracht van het gebied door de percelen 1 tot 14 wordt overschreden, en doordat, derde onderdeel, een verkeersonveilige situatie ontstaat, terwijl artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat de ruimtelijke ordening gericht is op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden, dat daarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen en dat rekening wordt gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen en dat op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit; artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen bepaalt dat de vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of X-12.786-8/11 ontwerpgewestplan, slechts afgegeven wordt zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn; het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheidsbeslissing gemotiveerd wordt met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen; Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat de verzoeker in de toelichting bij het middel uiteenzet dat de vergunde verkaveling niet in overeenstemming is met het karakter van de omgeving en de bebouwing in de omgeving, dat het terrein waarop de verkaveling betrekking heeft gelegen is in de onmiddellijke nabijheid van een residentiële wijk met eengezinswoningen op grotere percelen, dat de verkaveling tot gevolg heeft dat de grote percelen in de residentiële wijk "ingeprangd" worden tussen de verkaveling enerzijds en de bestaande sociale woonwijk Heeserbergen anderzijds; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat het te verkavelen terrein grenst aan de achterzijde van de percelen met residentiële woningen aan de Kempensestraat, waaronder de woning van de verzoeker; dat zich aan de overzijde van de Kempensestraat de relatief grote wijk Heeserbergen bevindt, gekenmerkt door sociale woningbouw; dat zich in de omgeving ook een bejaardencentrum bevindt, met bijhorende woningen voor bejaarden; dat de verkaveling voorziet in 14 kavels met een open bebouwing, in beginsel bestemd voor residentieel gebruik; dat de toegestane bebouwing aldus lijkt aan te sluiten bij de bebouwing in de ruimere omgeving; dat, gelet op de configuratie van de verkaveling ten opzichte van de bestaande residentiële woningen, deze laatste afgescheiden blijven van de woningen in de verkaveling en zij bijgevolg, zoals de tussenkomende partij opmerkt, hun eigenheid onverminderd blijven behouden en met name hun residentieel karakter bewaren; dat in de huidige stand van de rechtspleging niet aannemelijk wordt gemaakt dat de vergunde verkaveling kennelijk niet in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat de verzoeker in de toelichting bij het middel uiteenzet dat de breedte van de strook waarbinnen de verkaveling gerealiseerd wordt varieert van 51 m tot 75 m, hetgeen te beperkt is voor X-12.786-9/11 de inplanting van een weg met aan weerskanten bebouwing; dat hij preciseert dat de oppervlakte van de loten 1 tot 14 daardoor varieert van 4 a 34 ca tot 5 a 17 ca; Overwegende dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich in de plaats te stellen van de vergunningverlenende overheid wat betreft de beoordeling van de verenigbaarheid van een verkaveling met de goede ruimtelijke ordening, en met name niet wat betreft de beoordeling van de ruimtelijke draagkracht van het te verkavelen gebied; dat het onderdeel kritiek uitoefent op het feit dat ten gevolge van de vergunde verkaveling gebouwd zal kunnen worden op percelen die een relatief beperkte oppervlakte hebben; dat het onderdeel echter niet aangeeft hoe de bestreden verkavelingsvergunning in dit opzicht zou steunen op een kennelijk onredelijke beoordeling van de vereisten inzake de goede ruimtelijke ordening; Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat de verzoeker in de toelichting bij het middel uiteenzet dat de verkaveling voorziet in een kaarsrechte weg temidden van de wijk, dat het verkeer daardoor niet geremd wordt, en dat er aldus verkeersonveilige situaties zullen ontstaan; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de weg die door de wijk snijdt voor ongeveer de helft loopt langs een parkzone, en over die afstand voorzien wordt van een verkeersdrempel die bedoeld is om als verkeersremmer te fungeren; dat in de huidige stand van de rechtspleging niet aannemelijk wordt gemaakt dat de vergunde verkaveling vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid van die aard is dat ze kennelijk onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen ernstig is;
  9. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  10. X-12.786-10/11 Het verzoek tot tussenkomst van de stad Lommel in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  11. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.786-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.004 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.498 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.