← België

Arrest 163019 - - 02/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.019 Rolnummer: A. 171373/IX-5285 Zaak: Arrest 163019 - - 02/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-17 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 05:18 Fiche Arrest nr 163.019 van 2 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.019 van 2 oktober 2006 in de zaak A. 171.373/IX-

  1. In zake : Eddy STEEMANS, wonende te ARENDONK, Kerkstraat 83 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eddy STEEMANS op 24 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert, gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 25 januari 2006; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van hetzelfde besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 9 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5285-1/5 Gehoord de opmerkingen van verzoeker die in persoon verschijnt en van advocaat J.-F. DE BOCK die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal; Overwegende dat verzoeker op 29 augustus 2006 een nota met nieuwe stukken verstuurt naar de griffie van de Raad van State; dat een dergelijke nota met nieuwe stukken niet is voorzien in het procedurereglement, zodat zij uit de debatten worden geweerd; 1.
  3. Overwegende dat de verwerende partij het belang van verzoeker betwist bij de door hem ingestelde vordering; 1.
  4. Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt, blijkt dat niet is voldaan aan één van de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet vereist is om de opgeworpen exceptie in de huidige stand van de procedure te onderzoeken; 2.
  5. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  6. Overwegende dat verzoeker, wat de tweede voorwaarde betreft, aanvoert dat hij een diploma bezit van de afdeling topografie van het technisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan van het stedelijk instituut voor technisch onderwijs te Mechelen; dat hij zijn professionele activiteiten moet beperken tot de niet bij de wet van 11 mei 2003 beschermde monopolistische activiteiten van de ingeschreven landmeters-experten; dat het bestreden besluit het monopolie van IX-5285-2/5 deze ingeschreven landmeters-experten uitbreidt waardoor hem praktisch alle overblijvende beroepsactiviteiten van topograaf worden ontzegd; dat hij verduidelijkt dat het wegvallen van een aanzienlijk deel van het werkgebied van de gegradueerde in de topografie deze laatste een ernstig nadeel zal berokkenen dat van materiële en professionele aard is, wegens de onmogelijkheid nog aan de slag te kunnen binnen zijn werkterrein; dat hij daaraan toevoegt een moreel nadeel te zullen lijden, doordat hij, althans gedeeltelijk, zal moeten overschakelen naar andere activiteiten; dat hij ten slotte stelt dat het nadeel ernstig en moeilijk te herstellen is aangezien zijn werkgevers in het bestreden besluit wettige redenen vinden om geen gegradueerden in de topografie meer in dienst te nemen; 2.
  7. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker zijn uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel baseert op een foutieve lezing van artikel 18, eerste lid, 2/, van het bestreden besluit; dat zij stelt dat dit artikel, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker voorhoudt, geen activiteiten toevoegt aan de lijst van deze die door de wet worden voorbehouden aan de landmeters- experten; dat zij ter ondersteuning van haar verweer verwijst naar de ontstaansge- schiedenis van het bestreden besluit; 2.
  8. Overwegende dat op 28 januari 2005 de minister van Middenstand en Landbouw, met toepassing van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het ontwerp van koninklijk besluit, tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert, voor advies voorlegt aan de afdeling wetgeving van de Raad van State; 2.
  9. Overwegende dat artikel 18, eerste lid, 1/ en 2/, van voornoemd ontwerp als volgt luidt : “Oefent het beroep van landmeter-expert uit in de zin van dit besluit, de beroepsuitoefenaar die op zelfstandige basis: 1/ de in artikel 3 van de wet tot bescherming van de titel en van het beroep bedoelde activiteiten verricht; 2/ onroerende eigendom, publiek of privaat, bebouwd of onbebouwd, bovengronds of ondergronds, identificeert, afbakent, opmeet en schat, evenals de werken die erop uitgevoerd worden, en die zich bezighoudt met de registratie ervan en met die van de eraan verbonden zakelijke rechten; 3/(...).”; IX-5285-3/5 Overwegende dat het advies 38.095/3 van de afdeling wetgeving van de Raad van State van 23 februari 2005 met betrekking tot artikel 18 van dit ontwerp, als volgt luidt : “Dit artikel bepaalt wie geacht moet worden het beroep van landmeter-expert op zelfstandige basis uit te oefenen, in de zin van het ontworpen besluit. De lijst van de aan landmeters-experten voorbehouden beroepswerkzaamhe- den, waarvoor een bepaalde opleidingstitel vereist is en waarvoor de betrokkene de eed moet afleggen, is bepaald in artikel 3 van de voornoemde wet van 11 mei
  10. De Koning is niet gemachtigd om die lijst uit te breiden. De activiteiten opgesomd in artikel 18 van het ontwerp moeten dan ook beschouwd worden als activiteiten die behoren tot de bevoegdheid van de landmeters-experten bedoeld in het ontwerp, maar waarvoor dezen niet noodzakelijk het monopolie hebben. De inleidende zin kan dan ook beter geredigeerd worden als volgt : ‘Tot de bevoegdheid van de landmeter-expert behoren de volgende activiteiten :’. De opsomming in 1/, 2/ en 3/ moet dan taalkundig beantwoorden aan die inleidende zin. Men schrijve bijvoorbeeld in 1/ : ‘1/ de activiteiten bedoeld in artikel 3 van de wet tot bescherming van de titel en van het beroep;’” 2.
  11. Overwegende dat artikel 18, eerste lid, van het bestreden besluit, als volgt luidt : “Tot de bevoegdheid van de landmeter-expert behoren volgende activiteiten: 1/ de activiteiten bedoeld in artikel 3 van de wet tot bescherming van de titel en van het beroep; 2/ onroerende eigendom, publiek of privaat, bebouwd of onbebouwd, bovengronds of ondergronds, identificeren, afbakenen, opmeten en schatten, evenals de werken die erop uitgevoerd worden, en met de registratie ervan en met die van de eraan verbonden zakelijke rechten; 3/ (...).”; 2.
  12. Overwegende dat met het auditoraat en de verwerende partij wordt aangenomen dat verzoeker op het eerste gezicht, uitgaat van een onjuiste lezing van artikel 18, eerste lid, 2/, van het bestreden besluit en hij de beroepsactiviteiten die daarin worden vermeld nog steeds kan en mag uitoefenen, ook al werkt hij in loondienst, omdat er voor die activiteiten geen monopolie is toegekend aan de landmeters-experten, die deze activiteiten ook mogen uitoefenen, doch aan wie deze activiteiten niet exclusief worden voorbehouden; dat verzoeker aldus, op het eerste gezicht niet wordt gegriefd door het bestreden besluit, zodat het door hem aangevoerde nadeel onbestaande is; dat artikel 18, eerste lid, 2/, van het bestreden besluit het monopolie van de landmeters-experten immers niet uitbreidt; dat dit blijkt uit de tekst zelf van het bestreden besluit, die werd aangepast, na advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State; IX-5285-4/5 2.
  13. Overwegende dat niet is voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-5285-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.019 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.762 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.