← België

Arrest 163021 - - 02/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.021 Rolnummer: A. 132849/IX-3701 Zaak: Arrest 163021 - - 02/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-01 05:18 Fiche Arrest nr 163.021 van 2 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.021 van 2 oktober 2006 in de zaak A. 132.849/IX-

  1. In zake : Danny VERNAILLEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. VAN STEENBRUGGE, kantoor houdende te GENT, Limburgstraat 120-122 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Danny VERNAILLEN op 7 februari 2003 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van 10 december 2002 van de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden waarbij zijn verzoek om hoofdhulp van 31 augustus 2001 onontvankelijk wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-3701-1/13 Gelet op de beschikking van 6 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VANDECASTEELE, die loco advocaat W. VAN STEENBRUGGE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  4. Op 5 september 1999 stampt Geert CARRE in de woning van zijn vroegere partner, Sabrina COLMAN, te WETTEREN opzettelijk de aardgasleiding af en draait de kranen van het butaanfornuis open. Vervolgens verlaat hij de woning. 1.
  5. Wanneer verzoeker in zijn functie van politieagent de woning samen met Sabrina COLMAN en nog een andere politieagent betreedt komt het tot een ontploffing van het opgehoopte gas. De andere politieagent laat hierbij het leven. Verzoeker wordt levensgevaarlijk gewond. 1.
  6. Op 11 augustus 2000 wordt Geert CARRE door de correctionele rechtbank van Dendermonde veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van tien jaar om : “A. opzettelijk een onroerende eigendom, namelijk een woonhuis (...), te hebben vernield of gepoogd te vernielen door het veroorzaken van een ontploffing; B. door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen, onopzettelijk de dood van MIDDERNACHT Luc (dit is de overleden politieagent) te hebben veroorzaakt; C. door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen, onopzettelijke slagen of verwondingen te hebben toegebracht aan o.m. VERNAILLEN Danny.” IX-3701-2/13 1.
  7. Op 3 oktober 2001 vraagt verzoeker de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden om toekenning van een hoofdhulp van 2.500.000 BEF, hetzij 61.973,38 euro op basis van de feiten van 5 september
  8. 1.
  9. Op 12 november 2002 behandelt de Commissie deze aanvraag. 1.
  10. Op 10 december 2002 neemt de derde kamer van de Commissie de thans aangevochten beslissing waarbij het verzoek onontvankelijk wordt verklaard. Zij bevat de volgende redengeving: “Naar luid van artikel 31 § 1 van de wet van 1 augustus 1985 kan een persoon zich tot de Commissie wenden met een vraag tot hulp indien hij of zij een ernstig letsel of nadeel voor zijn gezondheid heeft ondervonden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde dd. 11 augustus 2000 werd de dader veroordeeld wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen aan ondermeer verzoeker (pagina 3 van het vonnis); dit vonnis heeft kracht van gewijsde. Welnu, ‘de beslissing van de strafrechter over de strafvordering raakt de openbare orde, waaruit werd afgeleid dat deze beslissing gezag van gewijsde erga omnes heeft... Het gezag erga omnes is een algemeen rechtsbeginsel... De burgerlijke rechter die na de beslissing over de strafvordering een beslissing moet nemen over de burgerlijke vordering voortspruitend uit hetzelfde feit, mag geen oordeel vellen dat strijdig is met wat beslist werd bij het oordeel over de strafvordering’ (Verstraeten R. Handboek strafvordering (3/ bijgewerkte druk), Maklu, Antwerpen, 1999, randnummer 1903, waarin verwijzing naar relevante cassatierechtspraak en rechtsleer). Bij toepassing van bovenvermelde principes is de Commissie, die een administratief rechtscollege is, ook gebonden door de beslissing van de strafrechter in deze zaak. Nu derhalve onherroepelijk is komen vast te staan dat de slagen aan verzoek(st)er onopzettelijk werden toegebracht, dient het verzoek als onontvankelijk afgewezen te worden.” 2.1.
  11. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen; Overwegende dat verzoeker betoogt dat de wet niet als voorwaarde stelt dat het opzettelijk karakter van de gewelddaad moet gericht zijn op de aanranding van de fysieke integriteit van een persoon, dat zij enkel bepaalt dat de gewelddaad een opzettelijk karakter moet hebben, ongeacht of het oogmerk er nu in bestaat om een persoon aan te randen dan wel om een bepaald goed te vernielen, op voorwaarde dat deze opzettelijke gewelddaad, hetzij gericht tegen een persoon, hetzij, gericht tegen een goed, een ernstig lichamelijk letsel als rechtstreeks gevolg IX-3701-3/13 heeft, dat verzoeker dan ook voldoet aan de voorwaarden van de wet om een beroep te kunnen doen op de hulp die deze wet voorziet : 1/ hij was het slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad, 2/ zijn lichamelijke letsels zijn een bewezen feit , en 3/ zijn een rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad; 2.1.
  12. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat om een beroep te kunnen doen op hulp er sprake moet zijn van een materieel bestanddeel dat bestaat in de aanwezigheid van geweld tegen een persoon en een moreel bestanddeel dat bestaat in het opzet van de dader om de gewelddaad te plegen; dat uit het wezen en de doelstelling van de Commissie volgt dat de gewelddaad tegen een persoon moet gericht zijn; dat de correctionele rechtbank te Dendermonde oordeelde dat Geert CARRE wegens gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg onopzettelijk slagen of verwondingen heeft toegebracht aan verzoeker en opzettelijk een onroerende eigendom heeft vernield door het veroorzaken van een ontploffing; dat hij volgens de correctionele rechtbank niet de intentie had om verzoeker te verwonden; dat de slagen of verwondingen dus onopzettelijk werden toegebracht aan verzoeker; dat de Commissie geen beslissing mocht treffen die in strijd is met de beslissing van de correctionele rechtbank en dan ook oordeelde dat de gewelddaad gericht tegen verzoeker niet opzettelijk was; dat verzoeker ten onrechte van mening is dat de Commissie rekening diende te houden met de gewelddaad die bestaat in de opzettelijke vernieling van het huis; dat die gewelddaad immers niet gericht was tegen de persoon van verzoeker, maar de bedoeling had om de woning te vernielen; 2.1.
  13. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de bestreden beslissing een voorwaarde toevoegt aan artikel 31 § 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen door het begrip opzettelijke “gewelddaad” te vervangen door “slagen of verwondingen”; dat, aldus verzoeker, voornoemd artikel niet als voorwaarde stelt, voor het slachtoffer, om hulp te bekomen, dat het opzettelijk karakter van de gewelddaad moet gericht zijn op de aanranding van de fysieke integriteit van een persoon; dat, volgens verzoeker, voormeld artikel enkel bepaalt dat de gewelddaad een opzettelijk karakter moet hebben, ongeacht of het oogmerk er nu in bestaat om een persoon aan te randen dan wel om een bepaald goed te vernielen, op voorwaarde uiteraard dat deze opzettelijke gewelddaad, hetzij gericht tegen een persoon, hetzij gericht tegen een goed, een ernstig lichamelijk letsel als rechtstreeks gevolg heeft; dat verzoeker besluit dat hij voldoet aan de wettelijke voorwaarden om een beroep te kunnen doen op de hulp die voornoemde wet IX-3701-4/13 voorziet, want hij was het slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad, de lichamelijke letsels die hij opliep zijn bewezen en deze letsels zijn een rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad; dat verzoeker het opzettelijk karakter van de gepleegde misdrijven in wezen koppelt aan de opzettelijke vernieling door G. CARRÉ, van een woonhuis gelegen te 9230 Wetteren, Oordegemsesteenweg nr. 180, door het veroorzaken van een ontploffing; 2.1.
  14. Overwegende dat het eerste middel slechts ontvankelijk is in de mate dat het de schending van artikel 31, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 aanvoert; dat verzoeker immers niet aangeeft waarom en op welke wijze de bestreden beslissing de artikelen 28 tot 41 van voormelde wet schendt; dat dit onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is; Overwegende dat de in casu toepasselijke tekst van artikel 31, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen als volgt luidt: “Wie ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor zijn gezondheid heeft ondervonden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad in België gepleegd, kan een hulp aanvragen (...)”; Overwegende dat het inzake te beslechten rechtspunt het eerste lid betreft van artikel 31, §1, van voornoemde wet; dat verzoeker moet aantonen dat het ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor zijn gezondheid een rechtstreeks gevolg is van een opzettelijke gewelddaad in België gepleegd; Overwegende dat het begrip opzettelijke gewelddaad een materieel bestanddeel inhoudt, dat het bestaan van geweld impliceert tegen een persoon en een moreel bestanddeel dat bestaat in het opzet van de dader om de gewelddaad te plegen; dat dit bijgevolg de misdrijven uit nalatigheid of onvoorzichtigheid uitsluit; Overwegende dat verzoeker in dit verband aanvoert dat het materieel bestanddeel van het begrip opzettelijke gewelddaad niet alleen kan gericht zijn tegen een persoon, maar ook tegen een goed; Overwegende dat de aanvraag van verzoeker, door de bestreden beslissing, niet wordt afgewezen omdat de opzettelijke gewelddaad tegen een goed was gericht, doch wel omdat de correctionele rechtbank te Dendermonde in haar IX-3701-5/13 vonnis van 11 augustus 2000 onder meer overweegt dat “vaststaat dat op het ogenblik dat hij (de dader) de handelingen stelde, noodzakelijk opdat de woning zou ontploffen, en het ogenblik waarop hij de woning verliet, hij wist dat er zich niemand in de woning bevond”; dat de strafrechter daaraan toevoegt dat “er (...) geen elementen voorhanden (zijn) om aan te nemen dat beklaagde (G. CARRE) middels het veroorzaken van de ontploffing, Sabrina COLMAN en/of politieambtenaren (waaronder verzoeker) of anderen wilde doden of verwonden” (...) en zijn de verwondingen van Danny VERNAILLEN, Sabrina COLMAN en de andere in de dagvaarding genoemde personen het gevolg van een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in hoofde van beklaagde.”; Overwegende dat de bestreden beslissing in dit verband op goede gronden overweegt dat de dader werd veroordeeld wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen aan ondermeer verzoeker en dat het correctioneel vonnis van 11 augustus 2000 in kracht van gewijsde is getreden; dat zij daaraan toevoegt dat “de beslissing van de strafrechter over de strafvordering de openbare orde raakt, waaruit wordt afgeleid dat deze beslissing gezag van gewijsde erga omnes heeft, (en dat) de burgerlijke rechter die na de beslissing over de strafvordering een beslissing moet nemen over de burgerlijke vordering, voortspruitend uit hetzelfde feit, geen oordeel mag vellen dat strijdig is met wat werd beslist bij het oordeel over de strafvordering (...)”; dat de Commissie besluit dat zij bij toepassing van bovenvermelde principes als administratief rechtscollege, gebonden is door de beslissing van de strafrechter in deze zaak en dat derhalve onherroepelijk vaststaat dat de slagen aan verzoeker onopzettelijk werden toegebracht, zodat het ingediende verzoek onontvankelijk is; Overwegende dat de Commissie, zoals de burgerlijke rechter, is gebonden door wat de strafrechter noodzakelijk en zeker heeft beslist in verband met de weerhouden tenlasteleggingen, dat de strafrechter in casu de strafrechtelijke kwalificatie van onopzettelijke slagen of verwondingen heeft toegepast die ondermeer aan verzoeker werden toegebracht; dat de uitspraak van de strafrechter gezag van gewijsde heeft en dat zij zich opdringt aan de Commissie; dat het beginsel van het gezag van gewijsde gesteund is op het onweerlegbaar vermoeden van waarheid verbonden aan de uitspraak van de strafrechter; dat het bindend karakter van het strafrechtelijk gewijsde voor de Commissie betrekking heeft op de definitieve beslissing van de correctionele rechtbank te Dendermonde die uitspraak heeft gedaan over de tenlastelegging van onopzettelijke slagen of verwondingen die aan verzoeker IX-3701-6/13 werden toegebracht; dat enkel deze strafrechtelijke kwalificatie een causaal verband vertoont met de schade van verzoeker en dat de strafrechter geen causaal verband heeft aanvaard tussen de schade van verzoeker en de opzettelijk veroorzaakte ontploffing van een woonhuis, gelegen te 9230 Wetteren, Oordegemsesteenweg 180; dat bijgevolg artikel 31, § 1, van voornoemde wet niet werd geschonden en dat dit onderdeel van het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  15. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, doordat de Commissie heeft beslist dat de aanvraag van verzoeker onontvankelijk is door te overwegen dat de dader werd veroordeeld, “wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen aan onder meer verzoeker” en doordat “onherroepelijk is komen vast te staan dat de slagen en verwondingen aan verzoeker onopzettelijk werden toegebracht”, terwijl de strafrechter heeft geoordeeld dat de gepleegde feiten van enerzijds opzettelijk vernielen van een onroerende eigendom door het veroorzaken van een ontploffing én anderzijds het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen, “de uitvoering zijn van één ongeoorloofd besluit”; dat zij zodanig in verband staan dat zij als één voortgezette handeling moeten worden beschouwd en daardoor één misdrijf uitmaken en de strafrechter derhalve in het beschikkend gedeelte de beklaagde heeft veroordeeld, “wegens de tenlasteleggingen sub A, sub B en sub C, samen tot een hoofdgevangenisstraf van tien jaar”; Overwegende dat volgens verzoeker, uit het correctioneel vonnis, dat in kracht van gewijsde is getreden, blijkt dat verzoeker het slachtoffer is van één enkel misdrijf, met lichamelijke schade als rechtstreeks gevolg; dat verzoeker daaraan toevoegt dat “aangezien dat ene misdrijf onmiskenbaar een opzettelijk bestanddeel in zich verenigt ”, verzoeker in elk geval voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, § 1, van voornoemde wet, teneinde een beroep te kunnen doen op de hulp voorzien door de wet van 1 augustus 1985; dat verzoeker besluit dat de bestreden beslissing artikel 31, § 1, van voormelde wet schendt, omdat hij voldoet aan de voorwaarden van dit artikel; 2.2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de betekenis en de draagwijdte van artikel 65 van het Strafwetboek uitlegt en stelt dat “het niet is omdat artikel 65 werd toegepast dat de feiten gepleegd door de dader zouden worden herleid tot één misdrijf”; dat de verwerende partij daaraan IX-3701-7/13 toevoegt dat “dit duidelijk blijkt uit de bewoording(en) van artikel 65 en valt af te leiden uit de plaatsing van artikel 65 onder hoofstuk VI “samenloop van verschillende misdrijven”; dat de verwerende partij besluit dat “de verschillende misdrijven met hun eigen materiële en morele bestanddelen dan ook blijven bestaan en dat de Commissie hiermee rekening diende te houden.”; 2.2.
  17. Overwegende dat verzoeker zowel in zijn memorie van wederantwoord als in zijn laatste memorie stelt dat uit het in kracht van gewijsde gegane correctioneel vonnis van 11 augustus 2000 uitgesproken door de correctionele rechtbank te Dendermonde, zowel uit het beschikkend gedeelte als uit de motivering ervan, blijkt dat verzoeker het slachtoffer is van één enkel misdrijf, met lichamelijke letsels als rechtstreeks gevolg, waarbij dat ene misdrijf onmiskenbaar een opzettelijk bestanddeel in zich verenigt; 2.2.
  18. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel in essentie aanvoert dat de voorwaarde betreffende het geleden ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor zijn gezondheid dat het rechtstreeks gevolg is van een opzettelijke gewelddaad, is vervuld, doordat de strafrechter slechts één straf uitsprak en de eendaadse samenloop aannam; 2.2.
  19. Overwegende dat in de mate verzoeker de schending aanvoert van de artikelen 28 tot 41, met uitzondering van artikel 31, § 1, dit onderdeel van het tweede middel onontvankelijk is, vermits verzoeker dit onderdeel van het middel niet uitwerkt; Overwegende dat het correctioneel vonnis van 11 augustus 2000 de dader heeft veroordeeld wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen aan onder meer verzoeker, en daarbij overwoog dat “er (...) geen elementen voorhanden zijn om aan te nemen dat beklaagde, middels het veroorzaken van een ontploffing, Sabrina COLMAN en/of politieambtenaren (waaronder verzoeker) of anderen wilde doden of verwonden (...) en zijn de verwondingen van Danny VERNAILLEN, Sabrina COLMAN en de andere in de dagvaarding genoemde personen een gevolg van een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in hoofde van beklaagde”; IX-3701-8/13 2.2.
  20. Overwegende dat aldus met gezag van gewijsde werd vastgesteld, -zoals terecht door de Commissie is aangenomen-, dat de slagen of verwondingen aan verzoeker niet ten gevolge van een opzettelijke gewelddaad zijn toegebracht; 2.2.
  21. Overwegende dat bij toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek de strafrechter slechts één straf heeft uitgesproken; dat dit geen afbreuk doet aan de strafrechtelijke kwalificaties die de strafrechter weerhield voor de verschillende feiten van de tenlastelegging, omdat naar luidt van artikel 65, eerste lid van het strafwetboek, “wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken”; dat de eerste zinsnede van dit artikel doelt op de eendaadse samenloop in strikte zin van het woord, met name het geval waarbij een zelfde feit meerdere misdrijven oplevert, wat inhoudt dat er een samenloop is van verschillende strafrechtelijke kwalificaties, waarbij elke kwalificatie strafbaar is; dat de tweede zinsnede doelt op een situatie waarbij een zelfde persoon verschillende feiten pleegt, zelfs op verschillende tijdstippen, en die feiten de opeenvolgende en voortdurende uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, in welk geval het feitencomplex als een geheel “collectief” of “voortgezet” misdrijf genoemd, wordt beschouwd en, bij toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek, slechts één enkele straf, de zwaarste wordt opgelegd; dat het aannemen van eenheid van misdadig opzet tussen een opzettelijk en een onopzettelijk misdrijf geenszins meebrengt dat dit laatste met het eerste zou versmelten of een opzettelijk misdrijf zou worden, zoals verzoeker voorhoudt; dat de misdrijven enkel voor de straftoemeting als één enkel misdrijf moeten worden beschouwd; dat bijgevolg, wanneer de correctionele rechtbank van Dendermonde, onder de rubriek “wat betreft de strafmaattoepassing”, besluit dat “de verscheidene feiten (...) sub A, B en C (...) dus maar één misdrijf uitmaken”, dit betekent dat de verscheidene strafrechtelijke feiten, wegens eenheid van misdadig opzet, enkel voor het bepalen van de strafmaat één misdrijf uitmaken; dat op strafgebied het opzettelijk karakter van de slagen en verwondingen niet werd weerhouden door de strafrechter; dat de strafrechtelijke kwalificatie die de feitenrechter in dit verband heeft weerhouden, bekleed is met het gezag van gewijsde en een definitief karakter vertoont; dat de “obiter dicta” van de correctionele rechtbank betreffende de slachtofferhulp op burgerlijk gebied hieraan niets afdoen; dat dit onderdeel van het tweede middel ongegrond is; IX-3701-9/13 2.3.
  22. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat hij betoogt dat de bestreden beslissing is genomen met schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een administratief rechtscollege is, zodat voornoemde wet niet van toepassing is op haar beslissingen; dat de motiveringsplicht van de Commissie vervat ligt in artikel 149 van de Grondwet, waarvan de inhoud voor de materie van de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden is herhaald in artikel 34 ter van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen en in artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 december 1996 betreffende de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden; dat het derde middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat verzoeker in essentie aanvoert dat de Commissie in de motivering van haar beslissing het vonnis van de strafrechter onjuist en onvolledig heeft weergegeven, zodat de motivering van de bestreden beslissing niet deugdelijk en evenmin afdoende is; 2.3.
  23. Overwegende dat uit de analyse van het eerste en het tweede middel blijkt dat de slagen of verwondingen aan verzoeker door een onopzettelijke gewelddaad werden veroorzaakt; dat de bestreden beslissing dit onder-bouwt door te verwijzen naar het vonnis van de correctionele rechtbank te Dendermonde van 11 augustus 2000, dat de dader ondermeer veroordeelt wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen aan onder andere verzoeker; dat het straftoemetingsproces dat rekening houdt met de samenloop van de verschillende feiten losstaat van de strafrechtelijke kwalificaties die de strafrechter voor de verschillende feiten toepast in zijn vonnis; Overwegende dat de motivering van de bestreden beslissing, pertinent deugdelijk en afdoende is, door te verwijzen naar het gezag van gewijsde van het correctioneel vonnis betreffende de weerhouden strafrechtelijke kwalificaties en hun causaal verband met de schade die ondermeer verzoeker heeft geleden; dat immers het aannemen van eenheid van opzet tussen een opzettelijk en een onopzettelijk misdrijf niet meebrengt dat dit laatste met het eerste zou versmelten of een opzettelijk misdrijf zou worden; dat het opzettelijk en onopzettelijk misdrijf enkel IX-3701-10/13 maar voor de straftoemeting als één enkel misdrijf moeten worden beschouwd; dat aldus, waar de correctionele rechtbank van Dendermonde onder de rubriek “wat betreft de strafmaattoepassing”, besluit dat “de verscheidene feiten (...) sub A, B en C (...) dus maar één misdrijf uitmaken”, dit in die zin moet worden begrepen dat de weerhouden feiten wegens de eenheid van misdadig opzet enkel voor het bepalen van de strafmaat als één misdrijf moeten worden aanzien; dat voor het overige wordt verwezen naar de analyse van het eerste en het tweede middel; dat het derde middel ongegrond is; 2.
  24. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van het strafrechtelijk gewijsde erga omnes; Overwegende dat uit de analyse van het eerste, het tweede en het derde middel blijkt dat het strafrechtelijk gewijsde niet werd geschonden door de bestreden beslissing; dat het vierde middel ongegrond is; 2.5.
  25. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, doordat “de Commissie heeft beslist tot onontvankelijkheid van het verzoekschrift door te stellen dat de dader werd veroordeeld ‘wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen’ onder verwijzing naar artikel 31, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 die een opzettelijke gewelddaad vooropstelt als voorwaarde voor hulp, terwijl het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft beslist : - tot ontvankelijkheid van het verzoek om hulp van mevrouw Linda DE JAEGER en Michaël MIDDERNACHT, de rechthebbenden van politieman Luc MIDDERNACHT, die bij dezelfde gewelddaad, op grond waarvan verzoeker hulp vraagt, om het leven is gekomen; - op grond van artikel 42, § 1, van dezelfde wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, waarin nochtans evenzeer als voorwaarde wordt bepaald dat de vergoeding is verschuldigd wanneer de schade het gevolg is van feiten die opzettelijke gewelddaden uitmaken”; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : - dat Linda DE JAEGER en Michaël MIDDERNACHT een vergoeding bekwamen die wordt toegekend in geval van fysieke schade geleden door leden van politie- en hulpdiensten en door derden, vrijwillige of toevallige hulpverleners, IX-3701-11/13 - dat de voorschriften die met betrekking tot dit bijzonder stelsel gelden, vervat liggen in een afzonderlijke afdeling van de wet van 1 augustus 1985, - dat deze bijzondere vergoeding wordt toegekend door de Minister van Binnenlandse Zaken, - dat de bestreden beslissing daarentegen het algemeen stelsel van de hulp van de Staat aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden betreft, - dat de bestreden beslissing uitgaat van de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en niet van de Minister van Binnenlandse Zaken, - dat van enige ongelijke, laat staan discriminerende behandeling, derhalve geen sprake kan zijn; 2.5.
  26. Overwegende dat verzoeker repliceert dat het feit dat artikel 42, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 een meer specifieke regeling beoogt in deze niet relevant is; dat relevant is dat op grond van dezelfde wet, dezelfde feiten, hetzelfde (correctioneel) vonnis en dezelfde ontvankelijksheidsvoorwaarden van “schade als gevolg van opzettelijke gewelddaden”, aan de ene burger vergoeding wordt toegekend en derhalve wordt aangenomen dat aan de voorwaarde van “opzettelijke gewelddaad” is voldaan, terwijl aan de andere burger geen vergoeding wordt toegekend, omdat niet aan de voorwaarde van “opzettelijke gewelddaad” zou zijn voldaan; dat het dan ook vaststaat dat de bestreden beslissing werd genomen met schending van het gelijkheidsbeginsel; 2.5.
  27. Overwegende dat het de Raad van State enkel toekomt om uitspraak te doen over het administratief cassatieberoep gericht tegen de beslissing van 10 december 2002 van de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden; dat de Raad niet geroepen is om uitspraak te doen in een procedure gericht tegen de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 mei 2001 genomen inzake Linda DE JAEGER, weduwe van Luc MIDDERNACHT en van Michaël MIDDERNACHT, zoon van het echtpaar MIDDERNACHT - DE JAEGER; dat voornoemde zaak niet dienend is, tot staving van een administratief cassatieberoep gericht tegen de thans bestreden beslissing; Overwegende dat het middel dat stelt dat de Minister van Binnenlandse Zaken in andere gevallen, waarin de feitelijke omstandigheden dezelfde waren, in een andere zin uitspraak heeft gedaan, met als doorslaggevend motief dat het overlijden van Luc MIDDERNACHT op 5 september 1999 te wijten is aan een opzettelijk veroorzaakte gasontploffing, “hetgeen tevens als een feit dat een IX-3701-12/13 opzettelijke gewelddaad uitmaakt moet worden beschouwd”, niet dienstig kan worden aangevoerd in huidige zaak; dat de Commissie als administratief rechtscollege niet gebonden is door beslissingen in gelijkaardige zaken van de Minister van Binnenlandse Zaken, temeer daar uit huidig arrest blijkt dat de bestreden beslissing wettig is en het gezag van gewijsde van het strafvonnis eerbiedigt; dat het vijfde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  28. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  29. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3701-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.021 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.