id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.024 Rolnummer: A. 142939/IX-3964 Zaak: Arrest 163024 - - 02/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-15 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-01 05:18 Fiche Arrest nr 163.024 van 2 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.024 van 2 oktober 2006 in de zaak A. 142.939/IX-
- In zake : Jan CARLIER, wonende te ROESELARE, Hoogleedsesteenweg 236 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan CARLIER op 15 oktober 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken van 8 mei 2003 houdende vaststelling van zijn memorie van 13 december 1999 op een lager bedrag dan door hem begroot; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 20 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker die tevens het verzoek tot voortzetting van de procedure bevat; Gelet op de beschikking van 7 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 september 2006; IX-3964-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. DEBRABANDER, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat N. DE WINT , die loco advocaat B.BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De relevante gegevens van de zaak worden als volgt samengevat: 1.
- Op 1 oktober 1999 stelt de onderzoeksrechter te Brugge verzoeker aan als gerechtsdeskundige met als opdracht over te gaan tot een geestesonderzoek van Patrick C. 1.
- Op 13 december 1999 legt verzoeker zijn deskundigenverslag neer, samen met een memorie (gedateerd op 9 december 1999), waarin het ereloon en de onkosten begroot worden op een totaal van 107.096 BEF. 1.
- Bij brief van 30 mei 2000 wordt namens de Minister van Justitie aan verzoeker medegedeeld dat de voormelde memorie werd voorgelegd aan de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken en dat in afwachting van de beslissing van de Commissie een provisie van 50.000 BEF wordt toegekend. 1.
- Na onderzoek van het dossier komt de verslaggever van de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken, tot de bevinding dat in de memorie van verzoeker “foutieve artikels” werden toegepast, vermits geestesonderzoeken niet worden vergoed per uur. 1.
- Tijdens haar vergadering van 19 oktober 2000 beslist de Commissie voor de gerechtskosten, uitgaande van de vaststelling dat verzoeker bij het opstellen van zijn memorie foutieve artikelen gebruikte, dat het totaal van de memorie 84.627 BEF, zijnde 2.097,85 euro, kan bedragen. IX-3964-2/6 1.
- Bij brief van 1 februari 2001 wordt verzoeker, via de onderzoeks- rechter te Brugge, om uitleg verzocht nopens de ingediende memorie ten bedrage van 107.096 BEF. 1.
- Aangezien dit verzoek onbeantwoord blijft, wordt op 8 oktober 2001 een herinneringsbrief naar verzoeker gezonden. 1.
- Op 19 februari 2002 wordt andermaal een herinneringsbrief naar verzoeker verstuurd. 1.
- Op 19 februari 2002 dient verzoeker een aangepaste memorie in ten belope van 2.097,85 euro. Het aantal uren om het strafdossier te bestuderen wordt begroot op twintig uren. 1.
- Op 8 mei 2003 beslist de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken dat de memorie van verzoeker wordt vastgesteld op 1351,19 euro. Die beslissing steunt op de volgende motivering : “Gelet op het Koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende het Algemeen Reglement op de Gerechtskosten in Strafzaken, in het bijzonder de artikelen 1 en 78; Gelet op het Ministerieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen opgeroepen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep; Na kennis te hebben genomen van de verslagen van de deskundige- verslaggever; Na kennis te hebben genomen van het deskundig verslag en de nieuwe memorie ten bedrage van i 2.097,85 of 84.627 BEF, door de deskundige opgesteld naar aanleiding van de vraag om uitleg door onderhavige Commissie; Na inzage ter zitting van het desbetreffende strafdossier; Oordeelt dat ter zake voor de studie van het strafdossier slechts een maximum van 5 uren i.p.v. 20 uren, zoals werd aangerekend in voormelde i nieuwe memorie ten bedrage van 2.097,85 of 84.627 BEF; Onderhavige memorie dient derhalve als volgt te worden herberekend: Artikel 11, A, 2/, 1ste al.: Uitgebreid geestesonderzoek : . . . . . 11.395 F Artikel 11, A, 3/: Onderzoek door een psycholoog met volledige reeks testen : . . . . . . . . . . . . . . . . . 8.288 F Artikel 45, 3/: Bespreking testresultaten met psycholoog: 3 uren aan 2.010 F = . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.060 F Artikel 45, 3/: Studie strafdossier: 5 uren aan 2.010 F = . . . . . 10.050 F Artikel 45, b: Typen verslag : 76 bladzijden aan 113 F = . . . . . . 8.588 F Artikel 45, a : Zes verplaatsingen ROESELARE - SINT-ANDRIES-BRUGGE h/t: 6 x 70 km aan 24,11 F/km = . . . . . . . . . . . . . . . 10.126 F TOTAAL 54.507 BEF of i 1.351,19”. IX-3964-3/6 1.
- Bij brief van 22 augustus 2003 wordt aan verzoeker een afschrift van voormelde beslissing van de Commissie verstuurd.
- De ontvankelijkheid van het annulatieberoep. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt; dat zij aanvoert dat het annulatieberoep kennelijk ontvankelijk is, omdat het verzoekschrift geen uiteenzetting bevat van de feiten en van de middelen; 2.
- Overwegende dat het inleidend verzoekschrift een bondige uiteenzetting bevat van de feiten en een schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat verzoeker in het verzoekschrift tot nietigverklaring immers onder meer het volgende uiteenzet: “(...) Dat verzoeker de nietigverklaring vordert op basis van volgende overweging- en: Dat verzoeker op 19 februari 2002 na een vraag om uitleg toelichting gaf bij zijn ereloonmemorie van 9 december 1999 (stuk 2), te weten dat hij 20 uren besteedde aan de studie van het strafdossier (artikel 45, 3/ van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken) (stuk 3); Dat de Commissie voor gerechtskosten in strafzaken deze 20 uren herleidt tot 5 uren en dit zonder enige motivatie (bijlage bij stuk 1); Dat verzoeker bijgevolg niet kan weten waarom deze herleiding gebeurde; Dat verzoeker benadrukt dat hij wel degelijk 20 uren besteedde aan de studie van dit zeer omvangrijk, lijvig en complex strafdossier.”; 2.
- Overwegende dat verzoeker bijgevolg de schending aanvoert van de formele motiveringsplicht, zodat het verzoekschrift een bondige uiteenzetting van de feiten bevat en een enig middel, dat dienvolgens de exceptie van onontvankelijk- heid wordt verworpen;
- De grond van de zaak. 3.
- Overwegende dat verzoeker ten gronde doet gelden dat de bestreden beslissing de formele motiveringsplicht schendt, doordat zij niet vermeldt waarom het aantal uren voor de studie van het strafdossier van 20 tot 5 uren wordt herleid; IX-3964-4/6 3.
- Overwegende dat de bestreden beslissing van de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken een administratieve bestuurshandeling is in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, omdat zij een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking is, die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een bestuurde (met name voor verzoeker); Overwegende dat de individuele bestuurshandeling de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn; dat dit laatste betekent dat de motivering pertinent moet zijn, wat inhoudt dat de motivering duidelijk met de bestreden beslissing moet te maken hebben en dat zij draagkrachtig moet zijn, wat betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de bestreden beslissing te dragen; 3.
- Overwegende dat de bestreden beslissing de memorie van verzoeker herleidt tot een bedrag van 1351,19 euro; dat zij vermeldt dat voor de studie van het strafdossier slechts een maximum van vijf uren in plaats van twintig uren wordt aangerekend en dat zij de herberekening van de memorie bevat volgens de bepalingen van het ministerieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen opgeroepen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep; dat de bestreden beslissing aldus op een voor verzoeker begrijpelijke wijze de determinerende motieven aangeeft op grond waarvan de memorie van verzoeker tot 1351,19 euro wordt herleid; dat deze motivering afdoende is, aangezien de motieven pertinent zijn en volstaan om de bestreden beslissing te dragen; dat uit het administratief dossier blijkt dat de begroting van het aantal uren nodig om het strafdossier te bestuderen, is gebaseerd op de inzage en het nazicht van het strafdossier, - dat bestaat uit twee kartonnen kaften - door de Commissie voor de gerechtskosten in strafzaken; dat de inzage en het nazicht ressorteert onder de souveraine appreciatiebevoegdheid van de Commissie en bijgevolg niet wordt overgedaan door de Raad van State vermits dit een pure feitenkwestie betreft; 3.
- Overwegende dat het enig middel ongegrond is, IX-3964-5/6 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-3964-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.024 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.