id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.026 Rolnummer: A. 171875/IX-5297 Zaak: Arrest 163026 - - 02/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 05:19 Fiche Arrest nr 163.026 van 2 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.026 van 2 oktober 2006 in de zaak A. 171.875/IX-
- In zake : Carlos DE WALSCHE, die woonplaats kiest bij advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg 101 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Carlos DE WALSCHE op 7 april 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 7 februari 2006 waarbij voortijdig een einde wordt gesteld aan zijn mandaat van directeur van de directie van de uitrusting bij de algemene directie materiële middelen van de federale politie; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door auditeur H. COLIN, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-5297-1/9 Gelet op de beschikkingen van 24 mei 2006, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. FLAMEND, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van hoofdcommissaris M. DE MESMAEKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker, die op 1 april 2001 benoemd is in de graad van commissaris van politie, wordt bij ministerieel besluit nr. 256 van 29 april 2001, dat in werking getreden is op 1 mei 2001, aangewezen voor de betrekking van directeur van de directie uitrusting bij de algemene directie materiële middelen. Het gaat om een mandaatfunctie. Het betreft een zogenaamde “eerste aanstelling” of “primo- mandaat”, waarvan de voorwaarden en de modaliteiten geregeld worden in het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de federale politie en van de algmene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (hierna : het koninklijk besluit van 31 oktober 2000). Blijkens artikel 8, § 6 van dit koninklijk besluit loopt het mandaat over vijf jaar en is het eenmaal hernieuwbaar. Overeenkomstig artikel 13 van hetzelfde besluit wordt de politieambtenaar-officier die aangesteld wordt in een betrekking waarvoor een graad van hoger officier vereist is, tot hoger officier benoemd “na afloop van het derde jaar dat hij deze betrekking uitoefent, indien hij een gunstige evaluatie kreeg”. Die bepaling is overgenomen in artikel 33 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het IX-5297-2/9 statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (hierna : de wet van 26 april 2002). 1.
- Met een (niet gedateerde) nota met als onderwerp “Tussentijdse evaluatie van de mandatarissen - Bevordering van sommige mandatarissen tot de graad van HCP” wordt onder meer verzoeker uitgenodigd op een vergadering betreffende de tussentijdse evaluatie in het raam van de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie (HCP). Naar aanleiding van die vergadering wordt met een dienstnota van 16 januari 2004 een “Check list primo promo’s directeurs - Art. 33 wet 26 april 2002 : benoeming mandaathouder CP in de graad van HCP na afloop derde jaar uitoefening mandaat mits geen ongunstige evaluatie” opgesteld. Blijkens die check list, die onder meer verwijst naar de omzendbrief GPI 41 van 24 december 2003 grijpt het evaluatiegesprek plaats vanaf het ogenblik dat het mandaat betreffende nadere richtlijnen inzake de evaluatie van bepaalde mandaathouders, drie jaar uitgeoefend is, en deelt de evaluatiecommissie bij het begin van het gesprek haar voorstel van evaluatieverslag mee aan de betrokken commissaris van politie-mandaathouder. 1.
- Met een nota van 22 februari 2005 wordt aan verzoeker een voorstel van evaluatieverslag bezorgd en wordt hij uitgenodigd voor een evaluatie- gesprek op 25 maart
- In het voorstel van evaluatieverslag concludeert de evaluatiecommissie dat verzoeker geen voldoening schenkt in het ambt. Verzoeker dient tegen dat voorstel van evaluatieverslag twee verweerschriften in. 1.
- In haar 20 april 2005 gedateerd eindevaluatieverslag, dat verzoeker op 21 april 2005 ondertekent, concludeert de evaluatiecommissie dat verzoeker geen voldoening schenkt in het ambt. 1.
- Met een brief van 23 augustus 2005 deelt de minister van Binnenlandse Zaken aan verzoeker mee dat de evaluatiecommissie hem, in het kader van zijn tussentijdse evaluatie, op 15 juni 2005 het tussentijds evaluatieverslag heeft meegedeeld dat werd afgesloten door de formulering “voldoet niet in zijn ambt”, en dat verzoeker, al dan niet begeleid door een raadsman, uitgenodigd wordt op een hoorzitting die plaatsvindt op 9 september
- IX-5297-3/9 1.
- Met een brief van 29 augustus 2005 dient verzoeker een aanvraag tot verlenging van zijn mandaat in. 1.
- Op 9 september 2005 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door een afgevaardigde van de minister van Binnenlandse Zaken gehoord in het kader van het al dan niet verlengen van zijn mandaat van directeur ten gevolge van zijn negatieve tussentijdse evaluatie. Uit het proces-verbaal van de hoorzitting blijkt dat de raadsvrouw van verzoeker een bemerking maakt op het vlak van de procedure. Met name merkt zij op dat het koninklijk besluit van 31 maart 2001 betreffende het statuut van de personeelsleden uitdrukkelijk bepaalt dat de tussentijdse evaluatie moet gebeuren vóór het einde van het derde jaar, terwijl verzoeker zijn mandaat heeft aangevat op 1 mei 2001 en het evaluatieverslag dateert van 8 april
- 1.
- Bij koninklijk besluit van 7 februari 2006 wordt het mandaat van verzoeker als directeur van de directie van de uitrusting bij de algemene directie materiële middelen van de federale politie voortijdig beëindigd aangezien hij geen voldoening schenkt in het ambt. Dat koninklijk besluit, dat het voorwerp uitmaakt van het onder- havig beroep, wordt met een aangetekende brief van 21 februari 2006 ter kennis gebracht van verzoeker en wordt op dezelfde datum bij uittreksel bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad. 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn enig middel betoogt dat “de bestreden beslissing gebaseerd (is) op een laattijdige - en derhalve nietige - tussen- tijdse evaluatie - schending van artikel 107 van de wet van 7 december 1998, de artikelen VII.III.88-VII.III.91 RPPol en van artikel 33 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van het personeel van de politiediensten”; dat hij uiteenzet dat artikel 107 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP) als principe stelt dat het mogelijk is een mandaat vroegtijdig te beëindigen wanneer uit het evaluatieverslag blijkt dat betrokkene geen voldoening schenkt in zijn functie, dat artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 april 2002 houdende specifieke statutaire bepalingen met betrekking tot personen aangesteld in bepaalde betrekkingen van de federale politie, de lokale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (hierna : het koninklijk besluit van 19 april 2002) het hoofdstuk over de periodiciteit van de evaluaties van de IX-5297-4/9 mandaathouders uit het RPPol van toepassing maakt op primo-mandaathouders als verzoeker, dat artikel VII.III.89 RPPol bepaalt dat een mandaathouder tussentijds geëvalueerd wordt “in de loop van het derde en het achtste jaar van het lopend mandaat”, dat in zijn concreet geval het mandaat van directeur van de directie van de uitrusting aangevangen is op 1 mei 2001 en het derde jaar van zijn mandaat ten einde liep op 1 mei 2004 zodat de evaluatie op dat ogenblik afgelopen moest zijn, terwijl zij nog niet eens aangevangen was; dat hij besluit dat de evaluatie een noodzakelijk element is om een mandaat te beëindigen, dat een onregelmatigheid in de evaluatie de geldigheid aantast van de beslissing die erop steunt en dat de Raad van State in het arrest nr. 145.014 van 25 mei 2005 inzake BERRENDORF over die problematiek reeds uitspraak gedaan heeft; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen de stelling van verzoeker betwist en volgende redenering opbouwt : uit artikel 13 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 volgt dat een primo- mandaathouder die, zoals verzoeker, commissaris van politie is en die slechts na een gunstige evaluatie tot hoofdcommissaris benoemd kan worden, moet geëvalueerd worden op basis van “de eerste drie verstreken jaren van zijn mandaat” en dat hij na die evaluatie met terugwerkende kracht zal benoemd worden; ook de omzendbrief GPI 41 stelt duidelijk dat de voorzitter van de evaluatiecommissie de nodige maatregelen neemt om de evaluatie zo vlug mogelijk te laten gebeuren “eenmaal het mandaat drie jaar uitgeoefend (werd)”; zo het koninklijk besluit van 19 april 2002 aldus de evaluatieprocedure van het RPPol van toepassing gemaakt heeft op de primo-mandaathouders, dan blijft toch de termijn van drie jaar, ingesteld door artikel 13 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 onverkort van toepassing; artikel 13 is door artikel 33 van de wet van 26 april 2002 bekrachtigd en het was “duidelijk de wil van de wetgever (...) dat de mandaathouders geëvalueerd zouden worden over een volledige periode van drie verstreken jaren en de bevordering tot hoofdcommissaris slechts toe te kennen na verloop van drie jaar én mits een gunstige evaluatie (...) over die verlopen periode van drie jaar”; die interpretatie is, bekeken in het licht van de eenmaking van de politiestructuren waarbij de vereiste van de evaluatie over drie verlopen jaren afgewogen moet worden aan de gewone procedure waarbij commissarissen van politie bevorderd kunnen worden tot hoofdcommissaris, ook redelijk; de verwijzing naar het arrest BERRENDORF is niet dienstig, aangezien de omstandigheden totaal verschillend zijn in de zin dat het daar een “klassieke tussentijdse evaluatie (betrof) van een mandaathouder die reeds lange tijd IX-5297-5/9 hoofdcommissaris van politie was en een mandaat bekleedde”, terwijl hier een “specifieke overgangsregeling” aan de orde is; 2.3.
- Overwegende dat artikel 13 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 bepaalt dat de politieofficier, die in het kader van dat besluit aangesteld is in een mandaatfunctie waarvoor een graad van hoger officier vereist is, benoemd wordt in de graad van hoger officier “na afloop van het derde jaar dat hij deze betrekking uitoefent”; dat deze bepaling overgenomen is in artikel 33 van de wet van 26 april 2002, naar luid waarvan de commissaris van politie die wordt aangewezen voor een mandaat bevorderd wordt tot hoofdcommissaris van politie “na afloop van het derde jaar dat hij dit mandaat uitoefent en indien hij geen ongunstige evaluatie kreeg”; Overwegende dat artikel 107 WGP bepaalt dat een mandaat voortijdig beëindigd kan worden “wanneer op grond van een evaluatie door de evaluatiecommissie blijkt dat betrokkene in zijn ambt geen voldoening schenkt”; Overwegende dat de evaluatie van het politiepersoneel dat in een mandaatfunctie aangesteld is geregeld is in het RPPol (de artikelen VII.III.86 tot VII.III.109); dat het koninklijk besluit van 19 april 2002 een aantal van die bepalingen van toepassing gemaakt heeft op de mandaatfuncties, bedoeld in het koninklijk besluit van 31 oktober 2000; dat artikel VII.III.89, eerste lid, aldus bepaalt dat tijdens de duur van het mandaat een ‘tussentijdse evaluatie’ geschiedt ‘in de loop van het derde en het achtste jaar van het lopende mandaat’; 2.3.
- Overwegende dat de partijen niet betwisten dat de evaluatie, waarin het bestreden besluit zijn grondslag vindt, de periodieke tussentijdse evaluatie is, bedoeld in artikel VII.III.89 RPPol; Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 145.014 van 25 mei 2005 inzake BERRENDORF gesteld heeft dat die bepaling het bestuur ertoe verplicht de evaluatie af te sluiten vooraleer drie jaar van het mandaat verstreken zijn; dat die interpretatie voor het onderhavige geval wordt bijgevallen; dat zulks betekent dat de verwerende partij vanaf 1 mei 2004 geen rechtsgeldige beslissing over de evaluatie van verzoeker meer kon treffen; dat de onregelmatigheid van de evaluatie tot gevolg heeft dat de bestreden beslissing om het mandaat van verzoeker te IX-5297-6/9 beëindigen, die in deze evaluatie haar noodzakelijke grondslag vindt, op haar beurt onregelmatig is; 2.3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij erop wijst dat, anders dan in de zaak BERRENDORF, de evaluatie van verzoeker kaderde in het systeem van primo-benoemingen, waarin commissarissen van politie in een mandaat kunnen aangesteld worden dat organiek voorbehouden is aan titularissen van de graad van hoofdcommissaris en waarin de mogelijkheid is voorzien van een benoeming in de graad van hoofdcommissaris, voor zover het mandaat gedurende drie jaar naar behoren uitgeoefend werd; dat volgens haar in dergelijk geval de evaluatie plaats moet vinden na afloop van het derde jaar van het mandaat, dat die opstelling strookt met de bedoeling van de regelgever en dat zij ook redelijk is, in acht genomen de voorwaarden waaraan de commissarissen van politie in het reguliere systeem moeten voldoen om tot hoofdcommissaris bevorderd te kunnen worden; 2.3.3.
- Overwegende dat de stelling van de verwerende partij dat de evaluatie moet gebeuren op basis van drie volle dienstjaren gewis niet onlogisch is, maar dat artikel VII.III.89 RPPol zich tegen het aannemen ervan verzet; dat noch artikel 13 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, noch artikel 33 van de wet van 26 april 2002, belet dat een politieofficier tot hoofdcommissaris bevorderd wordt op basis van een evaluatie opgemaakt vooraleer het derde jaar van het mandaat verstreken is; dat de Raad van State de bedoeling van de regelgever -waarvan de verwerende partij overigens geen enkel concreet bewijs levert- niet mag laten primeren op de duidelijke tekst van artikel VII.III.89 RPPol; dat evenzo de “redelijkheid” waarop de verwerende partij zinspeelt geen reden kan zijn om reglementaire bepalingen terzijde te schuiven; 2.3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij ook verwijst naar de omzendbrief GPI 41 waarin uitdrukkelijk gesteld wordt dat de evaluatie plaats moet vinden “eenmaal het mandaat drie jaar uitgeoefend”; dat evenwel de bepalingen van een omzendbrief geen deugdelijke grondslag kunnen vormen om van de reglementering af te wijken; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker terecht aanvoert dat, in het licht van artikel VII.III.89, zijn evaluatie te laat tot stand gekomen is; dat, zoals reeds in het hogervermeld arrest BERRENDORF aangenomen, die laattijdige evaluatie geen enkel rechtsgevolg mag krijgen zodat de beslissing om het mandaat te beëindigen, die IX-5297-7/9 precies haar grondslag vindt in deze evaluatie, onregelmatig is; dat het middel gegrond is; dat de argumenten die de vertegenwoordiger van de verwerende partij ter terechtzitting nog aanvoert niet van aard zijn om de kennelijke gegrondheid van het middel opnieuw in vraag te stellen;
- Overwegende dat de vernietiging van het bestreden besluit tot gevolg heeft dat de vordering tot schorsing geen voorwerp meer heeft, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 7 februari 2006 waarbij voortijdig een einde wordt gesteld aan het mandaat van Carlos DE WALSCHE van directeur van de directie van de uitrusting bij de algemene directie materiële middelen van de federale politie. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-5297-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS griffier De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5297-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.