id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.027 Rolnummer: A. 153549/IX-4589 Zaak: Arrest 163027 - - 02/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 05:19 Fiche Arrest nr 163.027 van 2 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.027 van 2 oktober 2006 in de zaak A. 153.549/IX-
- In zake : Marie-Louise EGGERS, p.a. J. EGGERS, wonende te WESTMEERBEEK-HULSHOUT, Stationsstraat 117 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk, die woonplaats kiest bij advocaat A. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marie-Louise EGGERS op 8 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “de weigering d.d. 18 juni 2004 van de heer Minister van Werk en Pensioenen om ook maar enigszins rekening te houden met het hem toegezonden verslag van de psychiater, alhoewel dat verslag een nieuw element vormt in de beslissing van januari 2001 waarbij (zij) ontslagen werd wegens ‘postverlating’”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 22 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; IX-4589-1/7 Gelet op de beschikking van 15 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LINDEMANS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoekster was werkzaam als sociaal controleur bij de Inspectie van de sociale wetten van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, thans de Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. In de loop van het jaar 1999 is verzoekster herhaaldelijk afwezig zonder dat zij daarvoor tijdig een rechtvaardiging indient. Bij ministerieel besluit van 27 juni 2000 wordt zij van rechtswege in non-activiteit geplaatst voor verschillende periodes waarin zij in de loop van april en mei 2000 afwezig was. Bij besluit van de secretaris-generaal van 4 juli 2000 wordt er aan verzoekster loopbaanonderbreking toegestaan van 1 juli tot 31 december
- Met een brief gedateerd op 15 december 2000, die op 3 januari 2001 ontvangen is door de Inspectie van de sociale wetten, vraagt verzoekster om haar loopbaanonderbreking te verlengen met zes maanden. In de brief waarmee de directeur-generaal van de Inspectie van de sociale wetten verzoeksters aanvraag doorstuurt aan de secretaris-generaal adviseert hij negatief over het verzoek om de volgende redenen: - zeer laattijdige aanvraag (gedateerd op 15 december 2000 en gepost op 20 december 2000 om een verlenging te bekomen vanaf 1 januari 2001), IX-4589-2/7 - het geen gevolg geven aan verschillende verzoeken om het haar, voor de uitoefening van de functie van sociaal controleur, toevertrouwde informatica- en communicatiemateriaal in te leveren tijdens haar loopbaanonderbreking, - het zich niet aanbieden op uitnodigingen om gehoord te worden met het oog op een voorstel tot tuchtstraf, - het meermaals zonder toestemming afwezig zijn (ziekteperiodes niet gedekt door geneeskundige getuigschriften en hierdoor van rechtswege in non-activiteit gesteld). Op 10 januari 2001 weigert de secretaris-generaal de gevraagde verlenging van loopbaanonderbreking en deelt hij aan verzoekster mee dat zij onmiddellijk haar dienst moet hervatten. Op 12 januari 2001 antwoordt verzoekster dat zij op 2 januari 2001 de dienst niet heeft hervat omdat zij verlenging van haar loopbaanonderbreking had aangevraagd. Bij beslissing van de secretaris-generaal van 17 januari 2001 wordt verzoekster dan ambtshalve en zonder opzegging ontslagen met ingang van 16 januari 2001 op grond van het feit dat zij op die datum meer dan 10 dagen zonder geldige reden afwezig is. Dit besluit wordt haar betekend bij aangetekend schrijven van 17 januari
- 1.2.
- Op 18 september 2001 schrijft de vader van verzoekster de minister van Tewerkstelling en Arbeid aan met de vraag om terug te komen op het ontslag van zijn dochter omdat haar gedrag, dat tot het ontslag heeft geleid, het gevolg was van pesterij en van een ziektetoestand die volgens hem nochtans door haar oversten was gekend. Op 8 februari 2002 antwoordt de minister dat uit een onderzoek is gebleken dat er niet lichtzinnig werd overgegaan tot het ontslag maar dat zowel de directie als de collega’s gepoogd hebben verzoekster te helpen bij het uitvoeren van haar taken maar dat verzoekster daarop na een tijd niet meer wou ingaan. Zij stelt verder dat verzoekster niet inging op de vraag om haar informatica-uitrusting in te leveren wegens haar loopbaanonderbreking en dat zij, toen de verlenging van de loopbaanonderbreking werd geweigerd, niet reageerde en daarom ambtshalve werd IX-4589-3/7 ontslagen. De minister besluit dat gelet op deze omstandigheden en het feit dat de beroepstermijn is verstreken zij geen mogelijkheid ziet om de beslissing nog ongedaan te maken. 1.2.
- Verzoeksters vader vraagt op 17 december 2001 de federale ombudsman om bemiddeling. Het college van federale ombudsmannen vraagt in een brief van 26 februari 2003 aan de minister van Werkgelegenheid te willen onderzoeken of alsnog kan worden teruggekomen op de beslissing. Na een negatief antwoord van de minister van 12 juni 2003 argumenteert het college van federale ombudsmannen in een brief van 2 juli 2003 dat de administratie bij het begin van de loopbaanonderbre- king duidelijk op de hoogte was van de psychische problemen van verzoekster en dat het in die context niet van een voorzichtig en behoorlijk optreden getuigde om het gebrek aan reactie van verzoekster op de brieven die aan haar werden gericht, te beschouwen als een teken van onwil vanwege de betrokkene. Het verwijst ook naar een medisch verslag waaruit blijkt dat verzoekster ten tijde van haar ongewettigde afwezigheid en ontslag handelde in een toestand van ziekte die normaal functioneren niet toeliet. Het is van mening dat de administratie, wanneer zij van een dergelijk medisch verslag op de hoogte wordt gebracht, op zijn minst de gegrondheid ervan hoort te onderzoeken. 1.2.
- Op 31 december 2003 schrijft verzoekster zelf de minister van Werk aan. Zij vraagt opnieuw dat op zicht van het psychiatrisch verslag dat eerder werd overgemaakt, haar ontslag zou worden ingetrokken. Op 27 april 2004 herinnert zij aan haar brief van 31 december 2003 en drukt zij de hoop uit om tegen 15 mei 2004 een antwoord te mogen ontvangen. 1.2.
- Intussen laat de federale ombudsman, die ook opnieuw bij de minister van Werk had aangedrongen, op 3 maart 2004 aan verzoeksters vader weten dat de minister van Werk bevestigt dat er niet kan worden teruggekomen op het ontslag. Hij deelt mee dat daarmee het dossier wordt afgesloten maar dat volgens hem het optreden van de minister onbehoorlijk bestuur uitmaakt en een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. 1.2.
- Ten slotte schrijft verzoeksters vader, als gevolmachtigde van zijn dochter, op 3 juni 2004 de minister van Werk aan. Hij geeft het relaas van de stappen IX-4589-4/7 die er al werden ondernomen om het ontslag van zijn dochter te laten intrekken waarbij hij het standpunt terzake van de federale ombudsman weergeeft. Hij voegt een nieuw verslag van 18 april 2004 van Dr. Liessens bij waarin deze besluit dat verzoekster op het ogenblik van haar ontslag ontegensprekelijk in een toestand verkeerde die adequaat en logisch reageren op verschillende situaties niet toeliet en stelt de minister alzo “formeel in kennis van een nieuw gegeven”. Zijn conclusie is dat de beslissing waarbij verzoekster werd ontslagen werd genomen zonder dat het ministerie beschikte over alle gegevens van de zaak en hij vraagt de minister om zijn beslissing te herzien. Hij besluit als volgt: “ Indien deze beslissing ons niet bereikt uiterlijk op vrijdag 18 juni 2004 zullen wij dit beschouwen als een weigering en het geschil aanhangig maken bij de Raad van State of bij de burgerlijke rechtbank”;
- Omdat geen antwoord op de brief van 3 juni 2004 wordt gekregen dient verzoekster op 8 juli 2004 het onderhavig annulatieberoep in. 2.
- Overwegende dat verzoekster de nietigverklaring vordert van de “beslissing” van de minister van Werk waarbij deze weigert gevolg te geven aan haar vraag van 3 juni 2004 om haar ambtshalve ontslag wegens postverlating te heroverwegen, rekening houdend met het psychiatrisch verslag van 18 april 2004 dat zij hem heeft voorgelegd; dat zij, voor het bestaan van deze “beslissing”, stelt dat de minister niet binnen de door haar vastgestelde termijn geantwoord heeft op de vraag die zij daaromtrent op 3 juni 2004 aan de minister had gericht; Overwegende dat de minister van Werk niet geantwoord heeft op de vraag van 3 juni 2004; dat het verzoekschrift dan ook gericht is tegen een stilzwijgend tot stand gekomen beslissing; dat het annulatieberoep tegen stilzwijgend tot stand gekomen beslissingen mogelijk gemaakt is door artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarin ook de voorwaarden zijn vastgesteld waaronder dergelijk beroep ingesteld kan worden; 2.
- Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie betoogt dat het beroep niet gericht is tegen een weigeringsbesluit als bedoeld in artikel 14, § 3, van de Raad van State-wet, maar tegen een beslissing waarbij geweigerd wordt een eind te stellen aan een toestand van onbehoorlijk bestuur; dat zij betoogt dat in dit geval de verplichting van de overheid “om iets te doen” pas ontstaan is door het toezenden van het medisch verslag en het bijhorend verzoek om hiermee rekening te houden -en dus niet volgt uit een of andere reglementaire bepaling- en dat, door met IX-4589-5/7 die stukken geen rekening te houden, de verwerende partij “een toestand van onbehoorlijk bestuur (schept)” die zij op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel -een ongeschreven rechtsnorm- moet beëindigen, zodat de definitieve weigering om dat te doen met een annulatieberoep bestreden kan worden; 2.
- Overwegende dat, zo met verzoekster aangenomen zou moeten worden dat het bestreden besluit niet behoort tot de categorie beslissingen die, naast de formele beslissingen waarnaar artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verwijst, door de bijzondere bepaling van artikel 14, § 3, onder het vernietigingstoezicht van de afdeling administratie gebracht is, vastgesteld moet worden dat verzoekster niet aantoont welke wetsbepaling de Raad van State dan wel bevoegd verklaart om de bestreden beslissing, die in ieder geval gekoppeld is aan het stilzitten van het bestuur, te beoordelen; dat verzoekster ook ten onrechte van oordeel is dat de nieuwe gegevens, die zij aan het bestuur voorgelegd heeft, voor de verwerende partij de juridische verplichting hebben doen ontstaan om de aangelegen- heid te heroverwegen en desgevallend terug te komen op een definitief geworden beslissing; dat die verplichting immers enkel bestaat wanneer een formele regel zulks voorschrijft; dat zij niet vervat ligt in de algemene verplichting van het bestuur om, bij het voorbereiden van de beslissingen die het wenst te nemen, de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen; Overwegende dat, in het licht van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vastgesteld moet worden dat verzoekster niet aantoont dat de verwerende partij de juridische verplichting had om een beslissing te nemen over haar vraag, te weten het heroverwegen van haar -definitief geworden- ambtshalve ontslag in het licht van nieuwe gegevens; dat voorts verzoekster ook voorbijgegaan is aan het wettelijk voorschrift dat het stilzitten van het bestuur slechts mag gezien worden als een stilzwijgende beslissing, waartegen annulatieberoep ingesteld kan worden, wanneer vier maanden verstreken zijn sinds de aanmaning, aangezien de aanmaning dagtekent van 3 juni 2004 en het annulatiebe- roep ingediend is op 8 juli 2004; 2.
- Overwegende dat het beroep ratione materiae niet ontvankelijk is, IX-4589-6/7 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-4589-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.027 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.