← België

Arrest 163028 - - 02/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.028 Rolnummer: A. 79748/IX-1363 Zaak: Arrest 163028 - - 02/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 05:20 Fiche Arrest nr 163.028 van 2 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.028 van 2 oktober 2006 in de zaak A. 79.748/IX-1363. In zake : Ronnie VANEECKHOUTTE, wonende te OOSTENDE, Amsterdamstraat 26/6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Kleine- en Middelgrote Ondernemingen, thans de minister van Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ronnie VANEECKHOUTTE op 10 augustus 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing nr. 570527.161.67 N 01 van 2 juli 1998 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen inzake het sociaal statuut der zelfstandigen waarbij zijn verzoek tot vrijstelling van bijdragen voor de kwartalen 1992/1 tot 1995/2 onontvankelijk verklaard wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 15 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2006; IX-1363-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VANDENABEELE die, loco advocaat F. MOEYKENS verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoeker was herbergier. Hij stelt dat hij ingevolge twee lichte hartaanvallen zijn beroepsactiviteit in 1989 diende stop te zetten. Hij stelt dat hij zijn zaak toen overliet aan R. Delamillieure, doch wegens een betwisting met de brouwerij-eigenaar van het handelsfonds, zag hij zich genoodzaakt ermee in te stemmen dat de herberg op zijn naam uitgebaat werd, hoewel R. Delamillieure voor eigen rekening werkte. Verzoeker betoogt dat hij geen inkomen meer ontving uit de herberg, dat de herberg in 1995 verkocht werd en dat hij al die tijd slechts “op papier” als uitbater heeft gefungeerd; 1.2. Met een brief van 14 mei 1997, uitgaande van het sociaal verzekeringsfonds Maas en Schelde VZW, wordt verzoeker verzocht om een bedrag van 299811 BEF te betalen. Uit de brief en zijn bijlagen kan worden opgemaakt dat verzoeker ingevolge een opsporing in opdracht van de RSVZ, die op basis van de belastingaanslagen vastgesteld had dat verzoeker in de jaren wel degelijk beroepsinkomsten als herbergier had genoten en die ook vastgesteld had dat R. Delamillieure als helpster bij hem in het sociaal statuut der zelfstandigen verzekerd was, moet onderworpen worden aan het sociaal statuut van de zelfstandigen voor de periode van 1 januari 1991 tot 30 juni 1995; 1.3. Met een brief van 20 juni 1997 vraagt verzoeker aan het sociaal verzekeringsfonds om hem stukken te bezorgen met het oog op het bekomen van een vrijstelling van de betaling van de bijdragen die van hem gevraagd worden; IX-1363-2/9 1.4. Met een brief van 15 juli 1997, gericht aan de griffie van de commissie voor vrijstelling van bijdragen voor de zelfstandigen bij het ministerie van Middenstand, vraagt het sociaal verzekeringsfonds dat verzoeker een vrijstelling zou bekomen van de bijdragen vanaf 1990, zoals die in de mededeling aangaande zijn “regularisatie” zijn vermeld; 1.5. Op 18 november 1997 beslist de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen dat verzoekers aanvraag niet ontvankelijk is voor de driemaandelijkse bijdragen van 1/92 tot 2/95, omdat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarde die is gesteld in artikel 88, §2, 2/,

  1. a)van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; 1.6. Omdat de bovenstaande beslissing werd genomen zonder dat verzoeker werd gehoord, niettegenstaande hij hierom uitdrukkelijk had verzocht, wordt op 2 juli 1998 een nieuwe beslissing met dezelfde inhoud genomen. Dit is de bestreden beslissing , die als volgt gemotiveerd is: “(...) Gelet op het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 15, 17 en 22; Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 80 tot 94 bis; Gelet op artikel 17, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : ‘De zelfstandigen die zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, kunnen volledige of gedeeltelijke vrijstelling aanvragen van de verschuldigde bijdragen door zich te wenden tot de in artikel 22 voorziene Commissie’; Gelet op artikel 88, § 1 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘De onderworpenen die een vrijstelling wensen te bekomen en de personen bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38, die van hun solidaire verantwoordelijkheid wensen ontheven te worden, moeten een aanvraag indienen (...)’; Gelet op artikel 88, § 2 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘Opdat de aanvraag van een onderworpene ontvan- kelijk zou zijn, dient er te worden voldaan aan de twee volgende voorwaarden: 1/ de aanvraag moet worden ingediend bij de sociale verzekeringskas waaraan de bijdragen, waarvoor vrijstelling wordt gevraagd, verschuldigd zijn, hetzij bij een ter plaatse neer te leggen verzoekschrift, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven (...); 2/ de aanvraag dient gedaan te zijn binnen de twaalf maanden. Naar gelang van het geval, begint deze termijn te lopen: IX-1363-3/9
  2. a)vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarop de door de aanvraag beoogde bijdrage betrekking heeft;
  3. b)onverminderd het in littera
  4. c)bepaalde, vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene in de loop waarvan een afrekening van een bijdragenregularisatie werd verstuurd, voor wat betreft het bijdragesupplement dat die regularisatie met zich brengt;
  5. c)vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarop de in de afrekening van een bijdrageregularisatie vervatte bijdrage betrekking heeft voor wat betreft het bijdragesupplement dat die regularisatie met zich brengt, indien deze voortkomt van een begin of hervatting van een beroepsbezigheid en de onderworpene zich bij een sociale verzekeringskas heeft laten aansluiten na 31 december van het derde kalenderjaar volgend op datgene in de loop waarvan de bezigheid een aanvang nam of hervat werd; (...)’; Gelet op de aanvraag ingediend op 21/06/1997 en geregistreerd op 23/06/1997; Overwegende dat deze aanvraag op de volgende driemaandeljkse bijdragen betrekking heeft: van 1/1992 t.e.m. 2/1995; Gelet op de andere stukken van het dossier; Overwegende dat de aanvraag niet aan de in voornoemd artikel 88, § 2, 2/,
  6. a)gestelde voorwaarde voldoet voor de volgende driemaandelijkse bijdragen: van 1/1992 t.e.m. 2/1995; Gelet op het feit dat betrokkene uitdrukkelijk gevraagd had gehoord te worden tijdens de zitting en overwegende dat betrokkene evenwel geen uitnodiging heeft ontvangen voor de zitting, wordt de beslissing uitgesproken ter zitting van 18/11/1997 vernietigd en wordt er opnieuw uitspraak gedaan; Gehoord betrokkene in zijn uiteenzetting;” 2.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel aanvoert dat hij een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen had ingediend voor de kwartalen 1/1991 tot 2/1995 maar dat met het bestreden besluit enkel uitspraak gedaan wordt over de bijdragen voor de kwartalen 1/1992 tot 2/1995, zodat deze “materiële misslag” de ongeldigheid van het bestreden besluit teweegbrengt; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat over de bijdragen voor 1991 geen uitspraak gedaan is -net zomin als over de bijdragen voor 1990-omdat de invordering ervan verjaard was en dat er overigens met opzet in het bestreden besluit niet gesproken wordt over deze bijdragen, aangezien uit de vaststelling dat de aanvraag ten aanzien van de bijdragen van 1992 en volgende jaren niet ontvankelijk is, volgt dat dit ook voor de voorgaande jaren het geval is; 2.3. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de inspectie hem voor het jaar 1991 als zelfstandige beschouwd heeft, dat de verjaring van de invordering der bijdragen niet belet dat hij voor die periode nog steeds vrijstelling van bijdragen kan vragen en dat de commissie bijgevolg over die vraag uitspraak diende te doen; IX-1363-4/9 Overwegende dat hij in zijn laatste memorie stelt dat hij belang heeft bij dit middel, aangezien verschillende gevolgen verbonden zijn aan de verjaring van de invordering enerzijds en de kwijtschelding van betaling van de bijdragen anderzijds, nu in geval van kwijtschelding zijn pensioenrechten blijven bestaan; 2.4.1. Overwegende dat buiten betwisting staat dat de invordering van de bijdragen voor het jaar 1991 -en 1990- overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van het koninklijk besluit nr 38 op het ogenblik van het bestreden besluit verjaard was; dat de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen evident geen vrijstelling dient te geven van de betaling van bijdragen die het bestuur krachtens de wet toch niet meer kan invorderen; dat, waar verzoeker verwijst naar het behoud van zijn pensioenrechten, hem tegengeworpen moet worden dat artikel 94bis van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen (hierna: het Algemeen Reglement) precies op het vlak van de pensioenrechten een uitzondering maakt op de regel dat de bijdragen, waarvoor de Commissie vrijstelling heeft verleend, “als betaald beschouwd” worden; dat in ieder geval de vaststelling dat de bestreden beslissing onwettig zou zijn om de redenen die verzoeker in het middel aanvoert niet hoeft te leiden tot de vernietiging van het gehele besluit, met name niet in zoverre er uitspraak wordt gedaan over zijn aanvraag voor de jaren 1/1992 tot 2/1995; 2.4.2. Overwegende dat verzoeker geen belang aantoont bij het aanvoeren van het middel; 3.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel betoogt dat het bestreden besluit zijn aanvraag tot vrijstelling voor de kwartalen 1/1992 tot 2/1995 onontvankelijk verklaart in toepassing van artikel 88, § 2, 2/,
  7. a)van het Algemeen Reglement, maar dat zulks niet terecht is, nu hij slechts op 7 mei 1997 voor het eerst in kennis gesteld is van de verplichting om regularisatiebijdragen te betalen, er hem voordien nooit bijdragen voor die kwartalen gevraagd zijn en hij dan ook niet eerder de vrijstelling van betaling kon aanvragen; dat naar zijn oordeel de Commissie voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van zijn aanvraag rekening had moeten houden met artikel 88, § 2, 2/,
  8. b)van het Algemeen Reglement, naar luid waarvan de aanvraag tot vrijstelling verstuurd moet worden binnen de twaalf maanden na de verzending van de afrekening van de bijdragenregularisatie, en dat zij in dat geval vastgesteld zou kunnen hebben dat, nu hijzelf steeds het nodige heeft gedaan om in IX-1363-5/9 regel te blijven met zijn sociaal statuut en er hem regularisatiebijdragen worden aangerekend die -voor het eerst- worden gevorderd voor een periode die zes jaar in de tijd teruggaat, de twaalf maanden waarover hij beschikte om de vrijstelling van bijdragen te vragen, aangevangen is op 1 juli 1997; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de Raad van State in meerdere arresten over analoge gevallen (nr. 70.875 van 19 januari 1998 inzake MEURS; nr. 69.323 van 3 november 1997 inzake PLATTEUW) artikel 88, § 2, 2/, geïnterpreteerd heeft zoals de Commissie dat in het bestreden besluit gedaan heeft en dat de Commissie bijgevolg terecht toepassing gemaakt heeft van artikel 88, § 2, 2/,
  9. a)van het koninklijk besluit van 19 december 1967; dat zij betoogt dat artikel 88, § 2, 2/,
  10. b)het specifiek geval beoogt van de “bijdragesupplementen ingevolge regularisatie”, waarbij, na het betalen van voorlopige bijdragen ingevolge het bekend raken van het referentie-inkomen, aan de zelfstandige supplementen gevraagd worden, dat in dit geval geen voorlopige bijdragen werden gevorderd noch betaald, aangezien de bijdragen die van verzoeker in 1997 gevorderd zijn definitieve bijdragen zijn, berekend op basis van de toen reeds bekende inkomsten voor de referteperiode; 3.3. Overwegende dat verzoeker repliceert dat het rekeninguittreksel dat hem op 17 april 1997 bezorgd werd duidelijk vermeldt dat het om een “regularisatie” gaat en dat er een “bijkomende verhoging” van 7% wordt in vastgesteld, zodat het niet opgaat thans te beweren dat er van hem “definitieve bijdragen” en geen “regularisatiebijdragen” gevraagd worden, terwijl hij nooit voorlopige bijdragen betaald heeft omdat hij toen geen zelfstandige meer was; dat hij ook stelt dat het standpunt van de verwerende partij tot gevolg heeft dat hij, in de omstandigheden waarin hij zich bevindt, nooit een vrijstelling van bijdragen zal kunnen verkrijgen; dat hij ter adstructie van zijn stelling ook verwijst naar arresten van de Raad van State (nr. 46.919 van 20 april 1994 inzake SCHOLLAERT en nr. 32.319 van 24 maart 1989 inzake KLOPFERT); Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog benadrukt dat de inschrijving van R. Delamillieure als zelfstandig helpster bij hem niet van hemzelf uitgaat, dat daar dan ook niet mag uit afgeleid worden dat hij niet te goeder trouw was en dat, nu hij zijn zelfstandige activiteit had stopgezet en zijn inschrijving in het handelsregister had opgezegd -want slechts op papier is hij de uitbating van de herberg verder blijven zetten-, het hem redelijkerwijze onmogelijk was om, alvorens IX-1363-6/9 de betalingsuitnodiging ontvangen te hebben, te weten of te vermoeden dat hij bijdragen als zelfstandige moest betalen; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker met een brief van 14 mei 1997 in kennis gesteld is van zijn onderwerping, tussen 1 januari 1991 en 30 april 1995, aan het sociaal statuut der zelfstandigen en dat hij daarbij gesommeerd is de verschuldigde bedragen te betalen, voor zover die nog invorderbaar waren; dat hij op 21 juni 1997 een aanvraag heeft ingediend om van de betaling van deze bijdragen vrijgesteld te worden; 3.4.2. Overwegende dat artikel 88, § 2, 2/ van het Algemeen Reglement ten tijde van de bestreden beslissing luidde : "§ 2. Opdat de aanvraag van een onderworpene ontvankelijk zou zijn, dient er te worden voldaan aan de twee volgende voorwaarden : (...); 2/ de aanvraag dient gedaan te zijn binnen de twaalf maanden. Naar gelang van het geval, begint deze termijn te lopen :
  11. a)vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarop de door de aanvraag beoogde bijdrage betrekking heeft;
  12. b)onverminderd het in littera
  13. c)bepaalde, vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene in de loop waarvan een afrekening van een bijdrageregularisatie werd verstuurd, voor wat betreft het bijdragesupplement dat die regularisatie met zich brengt; (...)"; Overwegende dat de Raad van State in het arrest RETSIN, nr. 83.854 van 6 december 1999, dat in de lijn ligt van de door de verwerende partij aangehaalde arresten, geoordeeld heeft wat volgt : “Overwegende dat de algemene regel, gesteld in littera a), bepaalt dat de termijn van twaalf maanden begint te lopen vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarop de bijdrage betrekking heeft; dat littera
  14. b)in een uitzondering op deze algemene regel voorziet voor het specifiek geval dat het gaat om een bijdragesupplement ten gevolge van een regularisatie : in dit geval begint de termijn pas te lopen vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene in de loop waarvan een afrekening van deze bijdrageregularisatie wordt verstuurd; dat de toepassing van littera
  15. b)veronderstelt dat er voorlopige bijdragen worden betaald, welke naderhand worden geregulariseerd; dat in de onderhavige zaak geen voorlopige bijdragen werden gestort noch opgevorderd; dat de bijdragen, waarvoor de vrijstelling werd aangevraagd, geen bijdragesupplementen waren, doch de definitieve bijdragen voor de jaren 1992 tot en met 1995; dat, alhoewel op het betalingsbericht van 30 november 1996 (...) bovenaan ‘regularisatie bijdragen sociaal statuut’ wordt vermeld, er in werkelijkheid geen regularisatiebijdrage mee werd opgevorderd; dat, aangezien de inkomsten voor de jaren 1992 tot en met 1995 toen bekend waren, men in staat was onmiddellijk de definitieve IX-1363-7/9 bijdragen voor die jaren te berekenen; dat op een aanvraag tot vrijstelling van een definitieve bijdrage artikel 88, § 2, 2/,
  16. a)van het koninklijk besluit van 19 december 1967 toepasselijk is; (...)” 3.4.3. Overwegende dat de Raad van State zich voor de onderhavige zaak bij die lezing van artikel 88, § 2, 2/ aansluit; dat, aangezien de bijdrage waarop de aanvraag betrekking heeft niet slaat op een “bijdragesupplement dat (
  17. de)regularisatie met zich brengt” -en dat derhalve aansluit op een voorlopige bijdrage berekend overeenkomstig artikel 41 van het Algemeen Reglement- maar op een eerste -en definitieve- bepaling van de verschuldigde bijdrage als gevolg van de vaststelling dat verzoeker tussen 1 januari 1991 en 30 april 1995 een zelfstandige beroepsactiviteit uitgeoefend heeft -in die zin wordt zijn situatie geregulariseerd-, artikel 88, § 2, 2/,
  18. b)niet op de aanvraag van verzoeker toegepast kan worden zodat de ontvankelijkheid van die aanvraag onderzocht moest worden in het licht van artikel 88, § 2, 2/,
  19. a)van het Algemeen Reglement; dat het Algemeen Reglement aan de Commissie geen appreciatiebevoegdheid verleent bij het beoordelen van de ontvankelijkheid van de aanvraag; dat dan ook niet onderzocht moet worden of verzoeker, doordat hij te goeder trouw gehandeld heeft, zich toch niet zou kunnen beroepen op artikel 88, § 2, 2/,
  20. b)van het Algemeen Reglement; dat het middel niet gegrond is; 4.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel aanvoert dat de Commissie voor Vrijstellingen geen rekening gehouden heeft met de concrete gegevens van de zaak, te weten dat hij in 1989 zijn café-uitbating overgedragen heeft aan R. Delamillieure maar dat de moeilijkheden die de brouwerij-eigenaar ter zake maakte tot gevolg gehad hebben dat, ondanks het feit dat hij wegens gezondheidsredenen geen beroepsactiviteit meer kon uitoefenen, de vergunning op zijn naam is blijven staan en dat hij om te voldoen aan de eisen van de BTW- en de belastingadministratie na schrapping een nieuwe inschrijving in het handelsregister genomen heeft, zonder nog iets met de zaak te maken te hebben; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de Commissie zich beperkt heeft tot de ontvankelijkheid van de aanvraag en zij zich bijgevolg “niet ten gronde kon uitspreken”, dat de problemen in verband met de verzekeringsplicht als zelfstandige tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren, dat de Commissie er steeds van uit gaat dat wie vrijstelling van bijdragen aanvraagt over de hoedanigheid van zelfstandige beschikt en dat zij zich daarom niet uit te spreken had over de feitelijke gegevens waarop verzoeker doelt; dat zij betoogt IX-1363-8/9 dat in ieder geval de Raad van State niet bevoegd is om in de plaats van de Commissie een uitspraak te doen over de hoedanigheid van zelfstandige; 4.3. Overwegende dat bij de bespreking van het tweede middel uiteengezet is dat de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen terecht toepassing gemaakt heeft van artikel 88, § 2, 2/,
  21. a)en dat zij dienovereenkomstig de aanvraag van verzoeker met reden niet ontvankelijk verklaard heeft; dat zij de argumentatie van verzoeker niet mocht betrekken bij het onderzoek van die ontvankelijkheid; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1363-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.