← België

Arrest 163029 - - 02/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.029 Rolnummer: A. 106392/IX-2914 Zaak: Arrest 163029 - - 02/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 05:20 Fiche Arrest nr 163.029 van 2 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.029 van 2 oktober 2006 in de zaak A. 106.392/IX-

  1. In zake :
  2. de NV WARNER-LAMBERT BELGIUM, thans de NV CAPSUGEL,
  3. de NV PFIZER, die woonplaats kiezen bij advocaat P. L’ECLUSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 165 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie, die woonplaats kiest bij advocaten L. DEPRÉ en P. SLEGERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV WARNER-LAMBERT en de NV PFIZER op 26 juni 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 27 april 2001 van de minister van Economie tot afwijzing van de aanvraag tot prijsverhoging voor de terugbetaalbare genees-middelen Lipitor 10 mg/84 tabletten en Lipitor 20 mg/84 tabletten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-2914-1/11 Gelet op de beschikking van 19 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. GILLES die, loco advocaat P. L’ECLUSE verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. SLEGERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  6. De verzoekende partijen zijn ondernemingen die onder meer het vervaardigen van en de handel in farmaceutische producten tot doel hebben. 1.
  7. Als registratiehouder van het geneesmiddel Lipitor verkrijgt de eerste verzoekende partij op 31 oktober 1997 van de minister van Economie de toelating om volgende verkoopprijzen aan publiek toe te passen : Lipitor 10 mg 28 tabletten 1396 BEF; Lipitor 10 mg 84 tabletten 3070 BEF; Lipitor 20 mg 28 tabletten 1953 BEF; Lipitor 20 mg 84 tabletten 4574 BEF; 1.
  8. Met een aangetekende brief van 19 december 2000 wordt namens de eerste verzoekende partij bij het ministerie van Economische Zaken een aanvraag tot prijsverhoging ingediend. In die aanvraag wordt onder meer het volgende gesteld : “We verzoeken om een prijsverhoging voor de grote verpakkingen van Lipitor, namelijk : IX-2914-2/11 Actuele af-fabriek prijs Aangevraagde af-fabriek prijs Lipitor BEF i BEF i 84 x 10 mg 2508,20 62,18 2703,00 67,01 84 x 20 mg 3927,10 97,35 4110,00 101,88 Die aangevraagde prijzen stemmen overeen met de Europese gemiddelde prijzen voor de grote verpakkingen. Indien de groothandel de maximale marge en de apothekers het maximale honorarium toepassen, zullen de verkoopprijzen (inclusief BTW) als volgt zijn : Actuele publiekprijs Aangevraagde publiekprijs Lipitor BEF i BEF i 84 x 10 mg 3070 76,10 3276 81,21 84 x 20 mg 4574 113,39 4768 118,20 De aanvraag tot prijsverhoging is voornamelijk verantwoord door de volgende feiten : . Ondanks de verminderde nieuwe industriële kostprijs van LIPITOR blijft de rentabiliteit van dit product negatief aan de huidige af-fabriek prijs. . Sinds de lancering van LIPITOR 10 mg en 20 mg in mei 1998, is de index der kleinhandelsprijzen met 4,4 % gestegen, wat op zich een deel van de aangevraagde prijsverhoging rechtvaardigt. . De handel in geneesmiddelen in de Europese eenheidsmarkt wordt verstoord door de prijzencontrole in sommige landen. Voor wat de kunstmatige lage prijs van LIPITOR 10 mg en 20 mg in België betreft in vergelijking met sommige andere Europese landen, leidt deze tot niet te verwaarlozen hoeveelheden bestellingen, die niet rechtstreeks vanuit hun land van bestemming, vooral Groot-Brittanië uitgaan, doch in België worden geplaatst, uitsluitend om te kunnen genieten van de kunstmatig lage prijs, en met een grotere winstmarge in Groot-Brittanië worden doorver- kocht. In generlei mate komt dit ten goede aan de eindverbruiker met name de patiënt. . Sinds januari 1999 is de EURO met 25 % in waarde gedaald tegenover de dollar. Als Amerikaans bedrijf, dat actief is op Europees vlak, betekent die waardevermindering van de EURO een winstvermindering voor onze hoofdzetel. We stellen trouwens vast dat de prijzen voor dit product hoger liggen in de landen buiten de EURO-zone. Aan de aangevraagde prijs blijft LIPITOR nog veel goedkoper dan de andere statines, op basis van equipotente dose en beschikbare verpakkingen.” Bij die aanvraag is onder meer een becijferde rechtvaardiging van de voorgestelde prijs gevoegd evenals een vergelijking van de prijzen voor grote verpakkingen die worden toegepast in andere lidstaten van de EU. IX-2914-3/11 1.
  9. Met een brief van 6 februari 2001 verstrekt de eerste verzoekende partij op vraag van de verwerende partij nog bijkomende informatie. 1.
  10. De Prijzencommissie voor farmaceutische specialiteiten brengt op 21 februari 2001 een verdeeld advies uit. De afdeling prijzen en mededinging van het ministerie van Economische Zaken adviseert op 13 maart 2001 om de aanvraag tot prijsverhoging af te wijzen. 1.
  11. Met een aangetekende brief van 27 april 2001 wordt namens de minister van Economie het volgende meegedeeld aan de eerste verzoekende partij : “Op datum van 3 januari 2001 heeft de Afdeling Prijzen en Mededinging de aanvraag tot afwijking van de prijsblokkering ontvangen, die u heeft ingediend voor hogergenoemde terugbetaalbare geneesmiddelen op grond van het ministerieel besluit van 14 februari 2001 tot wijziging van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmid- delen. Dit dossier werd behandeld conform de voorschriften van artikel 4 van dit besluit. Overeenkomstig artikel 5septies, § 3, ingevoegd door het ministerieel besluit van 14 februari 2001, deel ik u mee dat ik niet kan ingaan op uw aanvraag en dat de volgende verkoopprijzen bijgevolg geldig blijven : Publieksprijs, BTW inbegrepen Af-fabriekprijs, exclusief BTW in BEF in EUR in BEF in EUR LIPITOR 10 mg 84 comprimés 3.070 76,10 2.508,2 62,18 LIPITOR 20 mg 84 comprimés 4.574 113,39 3.927,1 97,35 Deze beslissing houdt rekening met verschillende elementen : - een verbetering van de financiële resultaten in 1999 t.o.v. 1998; - een daling van de totale kostprijs gepaard gaand met een vermindering van de negatieve marge per conditionering (17 % gemiddeld in 1997 versus 3 % in 2000); - de toegepaste prijzen in België liggen uiteindelijk in de lijn van de Europese prijzen mits uitsluiting van enkele extremen.” Deze beslissing vormt het voorwerp van het onderhavige beroep. 2.1.
  12. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep doordat de minister, in geval van vernietiging van het bestreden besluit, de prijsverhoging toch niet kan toestaan aangezien hij bij het heroverwegen van zijn besluit opnieuw rekening zal moeten IX-2914-4/11 houden met het ministerieel besluit van 14 februari 2001 dat een prijsblokkering invoert voor het jaar 2001, aangezien de verzoekende partijen dat ministerieel besluit van 14 februari 2001 niet bestreden hebben en er ook de onwettigheid niet van inroepen of niet uiteenzetten waarom zij een uitzondering op de prijsblokkering hadden kunnen krijgen; 2.1.
  13. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat op het ogenblik van de prijsverhogingsaanvraag -3 januari 2001- het ministerieel besluit van 14 februari 2001 nog niet bestond zodat de minister er bij het treffen van zijn besluit dan ook geen rekening mee zal kunnen houden; dat zij ook stellen dat zij de retroactieve toepassing van het ministerieel besluit van 14 februari 2001 op hun aanvraag betwisten -hun vierde en vijfde middel- en dat de verwerende partij te kwader trouw is, aangezien zij hun eigenlijk verwijt dat zij op 19 december 2000 hadden moeten weten dat de minister op 14 februari 2001 de geneesmiddelen aan een prijsblokkering zou onderwerpen en prijsverhogingen enkel zou toestaan mits verantwoording van uitzonderlijke redenen; 2.1.3.
  14. Overwegende dat de overheid, bij het heroverwegen van een door de Raad van State vernietigd besluit, in beginsel rekening moet houden met de reglementering die op het ogenblik van de heroverweging van toepassing is; dat zulks wel anders is wanneer het bestuur een door de Raad van State vernietigde beslissing getroffen heeft in toepassing van een reglement dat aan de overheid een gebonden bevoegdheid verleende en zij er krachtens het vernietigingsarrest toe gedwongen wordt haar beslissing retroactief over te doen; 2.1.3.
  15. Overwegende dat in dit geval de minister van Economische Zaken krachtens artikel 5, § 1, van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmiddelen, discretionair oordeelt over het toestaan van een prijsverhoging, met inachtneming van de gegevens van het hem voorgelegde dossier; dat bovendien, ten aanzien van de vaststelling dat met het ministerieel besluit van 14 februari 2001 -waarbij artikel 5septies in het ministerieel besluit van 29 december 1989 ingevoegd is- voor het gehele jaar 2001 een prijsblokkering ingevoerd is geworden, opgemerkt dient te worden dat die prijsblokkering niet absoluut is maar dat artikel 5septies, § 3, de minister nog altijd de mogelijkheid biedt om in bepaalde uitzonderingsgevallen een afwijking op de prijsblokkering te verlenen en dat in het onderhavige geval de minister zich precies op die bepaling gesteund heeft om het bestreden weigeringsbesluit te treffen; IX-2914-5/11 2.1.3.
  16. Overwegende dat niet blijkt dat de minister, in geval van vernietiging van het bestreden besluit, bij het heroverwegen van zijn beslissing niet anders zal kunnen dan de aanvraag tot prijsverhoging afwijzen omdat de reglementering waar hij toepassing van moet maken hem dat gebiedt; dat de exceptie verworpen wordt; 2.2.
  17. Overwegende dat de verwerende partij er ook op wijst dat de tweede verzoekende partij geen blijk geeft van het vereiste belang en dat haar belang niet actueel is; dat zij betoogt dat de verzoekende partijen het bewijs niet leveren van hun bewering dat de verzoekende partijen “verbonden ondernemingen zijn geworden”, dat de tweede verzoekende partij de registratiehouder van het geneesmiddel LIPITOR wordt en dat zij operationeel verantwoordelijk is voor de eerste verzoekende partij en dat om die redenen het belang van de tweede verzoekende partij “toekomstig en hypothetisch” is; 2.2.
  18. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat zij “verbonden ondernemingen” geworden zijn nu de NV PFIZER in juni 2000 de NV INC. WARNER-LAMBERT COMPANY overgenomen heeft, dat de tweede verzoekende partij registratiehouder van LIPITOR is en dat de NV PFIZER overigens de “operationele verantwoordelijkheid over het bedrijf van de eerste verzoekende partij verworven heeft”; dat zij met hun laatste memorie het bewijs overleggen dat de NV PFIZER in 2004 registratiehouder geworden is van het geneesmiddel LIPITOR en dat hetzelfde bedrijf met de eerste verzoekende partij een lease of businessovereenkomst gesloten heeft; 2.2.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog betoogt dat het, op grond van de stukken die de verzoekende partijen met hun laatste memorie voorleggen, wel nog de vraag is enerzijds of, wegens haar overname, de eerste verzoekende partij thans nog wel enig belang heeft bij het beroep en anderzijds of de tweede verzoekende partij bij het indienen van het beroep wel over het vereiste belang beschikte; dat naar haar oordeel de tweede verzoekende partij, in de mate dat zij als het ware het belang van de eerste verzoekende partij overgenomen heeft, het geding had moeten hervatten; 2.2.4.
  20. Overwegende dat de eerste verzoekende partij, op het ogenblik van het indienen van de aanvraag tot prijsverhoging door haar dochteronderneming en op het ogenblik van de bestreden beslissing, registratiehouder was van het IX-2914-6/11 geneesmiddel LIPITOR en dat zij daarmee de vergunning bezat om het geneesmiddel in de handel te brengen; dat niet betwist kan worden dat zij uit dien hoofde over het vereiste belang beschikte om een annulatieberoep in te stellen tegen het besluit, waarbij haar een prijsverhoging geweigerd wordt voor een van haar geneesmiddelen; dat de omstandigheid dat zij voor de gehele uitbating van haar onderneming een leasingovereenkomst met de tweede verzoekende partij afgesloten heeft, op zich niet belet dat zij, in de mate dat zij bij het beëindigen van de overeenkomst de geneesmiddelen die in de overeenkomst betrokken zijn opnieuw onder haar beheer zal krijgen, een persoonlijk belang kan doen gelden bij de vernietiging van een beslissing met betrekking tot een van die geneesmiddelen; 2.2.4.
  21. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in een overeen- komst van 29 november 2000 met de tweede verzoekende partij haar geheel actief en passief -lichamelijke en onlichamelijke goederen, met inbegrip van vergunningen en toelatingen voor zover deze in leasing gegeven kunnen worden- in leasing gegeven heeft; dat daarbij overeengekomen is dat de tweede verwerende partij het bedrijf in eigen naam en voor eigen rekening voort zou uitbaten en dat alle formaliteiten die de Belgische Farmaceutische Inspectie vereist voor de wijziging van de vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen binnen de tien weken zouden vervuld worden; dat niets erop wijst dat die formaliteiten niet daadwerkelijk volgens de bepalingen van de overeenkomst, die in werking getreden is op 1 december 2000, vervuld zijn; dat derhalve de tweede verzoekende partij bij de totstandkoming van het bestreden besluit op 27 april 2001, de vereiste hoedanigheid en belang had om dat besluit te bestrijden; Overwegende dat aan de Raad van State geen gegeven wordt voorgelegd waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat de tweede verzoekende partij thans niet meer over het vereiste belang zou beschikken om nog steeds de vernietiging van het bestreden besluit na te streven; 2.2.
  22. Overwegende dat de exceptie niet aangenomen wordt; 3.
  23. Overwegende dat de verzoekende partijen in het eerste middel in essentie de schending aanvoeren van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat de minister op 31 oktober 1997 de verkoopprijs van LIPITOR in verpakking van 84 tabletten vastgesteld heeft met inachtneming van de prijs van de verpakking van 28 tabletten IX-2914-7/11 welke vastgesteld was op basis van het “Europees gemiddelde”, terwijl hij nu in het bestreden besluit stelt dat de toegepaste prijzen in België in de lijn liggen van de Europese prijzen “mits uitsluiting van enkele extremen” maar uit het oog verliest dat het “toepassen van gemiddelden juist in(houdt) dat men ook met zogenaamde extremen rekening houdt”; dat zij van oordeel zijn dat de minister het criterium van de gemiddelde Europese prijs anders dan voorheen en “zonder uitleg, op een oneigenlijke wijze” hanteert; 3.
  24. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit de redenen vermeldt waarom de prijsverhoging geweigerd wordt, dat de minister bij de prijsbepaling niet altijd hetzelfde criterium moet hanteren maar dat hij discretionair beslist op basis van objectieve en verifieerbare criteria die hij in het dossier aantreft, dat die criteria steeds wijzigen in functie van de economische omstandigheden en dat bijgevolg een beslissing niet onwettig is omdat zij anders gemotiveerd is dan een vorige; dat zij dan verduidelijkt dat de minister in dit geval over objectieve en verifieerbare gegevens beschikte, aangezien de verzoekende partijen zelf de financiële resultaten van de jaren 1998 en 1999 hebben voorgelegd evenals de gegevens op het vlak van de vermindering van de negatieve marge per conditionering en dat ook de vergelijking met de prijzen in andere Europese landen gemakkelijk te verifiëren is; dat zij besluit dat de prijs van het geneesmiddel “niet op arbitraire wijze, zonder enige aanwijsbare reden of motivering gebeurd is”; 3.
  25. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat het criterium dat hier gehanteerd wordt bij de vaststelling van de prijs van een geneesmiddel zonder voorafgaande waarschuwing en zonder aanwijsbare reden verschilt van het criterium dat eerder ten aanzien van datzelfde geneesmiddel werd aangenomen; dat zij herhalen dat het motief van de aansluiting bij de prijzen in andere Europese landen “mits uitsluiting van enkele extremen” geen objectief of verifieerbaar criterium is, dat immers de minister niet vermeldt welke “extremen” hij voor ogen heeft en dat ook niet blijkt volgens welke “op voorhand (...) bepaalde criteria de minister heeft geoordeeld”; dat zij daar nu aan toevoegen dat het bestaan van zogenaamde objectieve en verifieerbare criteria nog niet betekent dat die criteria correct zijn, dat het gehanteerde criterium niet afdoende is -het hanteren van een gemiddelde impliceert precies dat de extremen meegerekend worden- en dat zij besluiten dat de bestreden beslissing de formele motiveringswet op een dubbel niveau miskent, enerzijds doordat de minister niet aanduidt waarom hij voor eenzelfde IX-2914-8/11 geneesmiddel nu een nieuw criterium gaat hanteren en anderzijds doordat het gehanteerde criterium niet verifieerbaar, objectief en afdoende is; 3.
  26. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat de bestreden beslissing dagtekent uit een periode waarin een prijsblokkering gold en dat de motivering van het bestreden besluit dan ook onderzocht moet worden vanuit de -eerder beperkte- vraag of uitzonderlijke omstandigheden een prijsaanpassing rechtvaardigden; dat zij van oordeel is dat het bestreden besluit daaraan voldoet en dat de minister niet kennelijk onredelijk geoordeeld heeft dat er geen reden was om van de prijsblokkering af te wijken wegens de drievoudige reden van de verbeterde financiële resultaten van de onderneming, de vermindering van de kostprijs van het geneesmiddel en “een redelijk gemiddelde Europese prijs”; 3.5.
  27. Overwegende dat het bestreden besluit de prijsverhogingsaanvraag weigert met verwijzing naar volgende “elementen”: “- een verbetering van de financiële resultaten in 1999 t.o.v. 1998; - een daling van de totale kostprijs gepaard gaande met een vermindering van de negatieve marge per conditionering (17% gemiddeld in 1997 versus 3% in 2000); - de toegepaste prijzen in België liggen uiteindelijk in de lijn van de Europese prijzen mits uitsluiting van enkele extremen.” 3.5.
  28. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen het bestuur ertoe verplicht in zijn individuele beslissingen de juridische en de feitelijke gegevens te vermelden die het tot dat bepaald besluit hebben gebracht en dat die motivering afdoende moet zijn, in die zin dat zij de betrokkene in staat moet stellen uit te maken of verzet ertegen kans op slagen heeft; dat, wat betreft de motivering van beslissingen over de goedkeuring van prijsverhogingen van geneesmiddelen, ook rekening gehouden moet worden met artikel 315 van de programmawet van 22 december 1989 waarin bepaald is dat de motivering gebaseerd moet zijn op “objectieve en verifieerbare criteria”; dat bovendien overeenkomstig artikel 5 van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmiddelen, de minister zijn beslissing moet motiveren “door de elementen van het dossier die hij doorslaggevend acht”; IX-2914-9/11 3.5.
  29. Overwegende dat, bij afwezigheid van vooraf in het algemeen vastgestelde “objectieve en verifieerbare criteria” waarmee bij een beslissing over een prijsverhogingsaanvraag rekening gehouden zou moeten worden, de minister bij het nemen van het bestreden besluit over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikte; dat, wegens de verplichting om een beslissing over de aangevraagde prijsverhoging te steunen op objectieve en verifieerbare criteria, de minister krachtens de op hem rustende wettelijke motiveringsverplichting wel in zijn eindbeslissing moet aangeven welke criteria hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij de gegevens van het dossier dat hem voorgelegd is te dien aanzien beoordeelt; dat de omstandigheid dat de minister zich ook diende te houden aan de bepalingen van het ministerieel besluit van 14 februari 2001 tot wijziging van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de terugbetaalbare geneesmiddelen, waarbij voor het gehele jaar 2001 een verbod werd ingesteld om de prijzen te verhogen, -tenzij in de uitzonderingsgevallen waarin een afwijking op de prijsblokkering “door bijzondere redenen wordt gerechtvaardigd”- hem van die verplichting niet vrijstelde; 3.5.
  30. Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar de toepassing van artikel 5septies, § 3, van het ministerieel besluit van 29 december 1989 en voorts de “elementen” opsomt waarom de aanvraag geweigerd wordt; dat die vermeldingen het bestreden besluit formeel motiveren; dat evenwel de vraag rijst of die motivering afdoende is in het licht van de wettelijke voorwaarde dat het besluit de objectieve en verifieerbare criteria moet bevatten waarop de minister zijn beslissing steunt en dat moet blijken op welke wijze de ministeriële beslissing die criteria toepast; dat, vanuit dat oogpunt, de verwerende partij in haar laatste memorie niet relevant aanvoert dat de drie vermelde motieven gezamenlijk het bestreden besluit onderbouwen, aangezien hier in de eerste plaats de vraag aan de orde is of het besluit ieder objectief en verifieerbaar criterium aanwijst dat de minister heeft gehanteerd om de aanvraag tot prijsverhoging te verwerpen en de afwezigheid van dergelijk criterium de beslissing vitieert, zeker nu uit niets blijkt dat aan het derde vermelde motief een zuiver bijkomstig karakter toegemeten is; 3.5.
  31. Overwegende dat het derde “element” -motief- dat in het bestreden besluit vermeld wordt -met name dat de actuele Belgische prijzen “in de lijn liggen van de Europese prijzen mits uitsluiting van enkele extremen”- niet toelaat uit te maken welke extremen in dit concreet geval werden uitgesloten en dat, meer nog, daaruit niet opgemaakt kan worden welk criterium de verwerende partij gehanteerd IX-2914-10/11 heeft om die vaststelling te maken; dat het bestreden besluit aldus geen melding maakt van een verifieerbaar criterium op grond waarvan de verwerende partij bepaalde extremen in de “Europese prijzen” heeft kunnen weren; dat in die zin de verzoekende partijen terecht aanvoeren dat het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd is waar het nu een aantal “extremen” van de Europese prijzen buiten beschouwing laat om de prijsverhoging te weigeren op grond van het motief dat de actuele prijs “in de lijn (ligt) van de Europese prijzen”; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  32. Vernietigd wordt de beslissing van 27 april 2001 van de minister van Economie tot afwijzing van de aanvraag tot prijsverhoging voor de terugbetaalbare geneesmiddelen Lipitor 10 mg/84 tabletten en Lipitor 20 mg/84 tabletten. Artikel
  33. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-2914-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.029 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.