← België

Arrest 163115 - - 03/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.115 Rolnummer: A. 173405/XII-4778 Zaak: Arrest 163115 - - 03/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-11 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-01 05:40 Fiche Arrest nr 163.115 van 3 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.115 van 3 oktober 2006 in de zaak A. 173.405/XII-

  1. In zake : Stéphane HOFMAN, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat Openbaar Ambt (VSOA) Groep Onderwijs, met zetel te 1070 Brussel, Poincarélaan 72-74 tegen : de ERASMUSHOGESCHOOL BRUSSEL, met zetel te 1070 Brussel, Nijverheidskaai
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Stéphane Hofman op 31 mei 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing dd. 3 april 2006 van de algemeen directeur van de Erasmushogeschool Brussel, volgens dewelke aan verzoeker geen overgangsmaatregelen in de zin van artikel 318, eerste lid, 2/, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap worden toegekend”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; XII-4778-1/6 Gelet op de beschikkingen van 19 juli 2006 houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 september 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat K. Castelein, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Voorgaanden
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Bij beslissing van 28 september 1992 van de raad van bestuur van de hogeschool wordt verzoeker met ingang van 1 oktober 1992 voor het academiejaar 1992-1993 aangesteld als leraar TV belast met pedagogische opdrachten (technologie audiovisuele apparatuur) aan het departement Rits van de Erasmushogeschool Brussel. Voor de academiejaren 1993-1994 en 1994-1995 krijgt verzoeker telkens een heraanstelling voor diezelfde opdracht. Voor het academiejaar 1995-1996 wordt verzoeker aangesteld eerst voor de periode van 1 september 1995 tot 31 december 1995 als leraar TV belast met pedagogische opdrachten (technologie - A.V. apparatuur) en daarna vanaf 1 januari 1996 tot 31 januari 1996 bij arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur als praktijklector. Op 24 januari 1996 wordt verzoeker voor de rest van het lopend academiejaar aangesteld als praktijklector, aanstelling die voor de academiejaren 1996-1997 en 1997-1998 telkens wordt hernieuwd. XII-4778-2/6 Vanaf het academiejaar 1998-1999 wordt verzoeker niet langer aangesteld. 1.
  5. Op 17 mei 1995 wordt een schrijven aan de docenten en leraars TV gericht met in bijlage “onder voorbehoud goedkeuring raad van bestuur Erasmushogeschool” een lijst van de “immuun tijdelijken HOKT” die de overgangsmaatregelen voor het ambt, bekwaamheidsbewijs, salarisschaal genieten en in voorkomend geval werkzekerheid zouden hebben op 1 september 1995 voor het volume van de opdracht waarvan zij op 30 juni 1995 titularis waren. Verzoekende partij voegt bij het inleidend verzoekschrift die brief en stelt correct vast: “Verzoekende partij stond niet in deze lijst vermeld”. Blijkbaar in antwoord op een schrijven van verzoeker waarin hij bij het hogeschoolbestuur zijn vermeende aanspraak op toepassing van de in artikel 318 van het hogescholendecreet van 13 juli 1994 vervatte overgangsbepaling aankaart, deelt de algemeen directeur hem bij schrijven van 24 oktober 2005 mede : “Ik ontving in goede orde uw schrijven dd. 11 oktober 2005 betreffende hoger vermeld onderwerp en om duidelijkheid te brengen in uw dossier geef ik een overzicht van de behandeling van de dossiers van de tijdelijken met overgangsrechten dep. RITS : - Algemene nota nr. 5 dd. 11/01/1995 : het Bestuurs- en Onderwijzend personeel werd gevraagd een dossier in te dienen voor het bepalen van de rechten als immuun tijdelijke en dit op vraag van de ARGO. (zie bijlage) - De personeelsdienst van het RITS maakte dan op basis van de ingediende dossiers de fiches op, die bestemd waren voor de ARGO, van de personeelsleden die voldeden als tijdelijken met overgangsrechten. - Bij brief FR/95/SM/PM149 dd. 17 mei 1995 werden alle leraars HOKT aangeschreven met de vermelding van de personeelsleden die behoorden tot de immuun tijdelijken HOKT (zie bijlage); uw naam werd hier niet vermeld en U heeft dan ook niet gereageerd om te melden dat U niet akkoord was. - Bij beslissing BC/1995/017 dd. 8/9/1995 werden de dossiers van de immuun tijdelijken dep. RITS vastgelegd. U behoorde niet tot de immuun tijdelijke personeelsleden omdat U geen drie jaar dienstanciënniteit had bij de aanvang van het academiejaar 1995-
  6. Uw dienstanciënniteit bedroeg bij de aanvang van het academiejaar 1995- 1996 : - Van 1/10/1992 tot en met 31/08/1993 = 11 MAAND - Van 1/9/1993 tot en met 31/08/1994 = 12 MAAND - Van 1/9/1994 tot en met 31/08/1995 = 12 MAAND Dus had U één maand dienstanciënniteit te kort om tot de immuun tijdelijke personeelsleden te behoren. Ik maak U als bewijs een kopie van uw indiensttredingen over. In het attest dat werd afgeleverd door de heer Marnix Verduyn zijn voor de academiejaren 1993-1994 en 1994-1995 verkeerde begindata vermeld. Ik hoop dat U met deze uiteenzetting terug klaarheid gekregen hebt in uw dossier”. XII-4778-3/6 Op 24 maart 2006 richt verzoeker zich andermaal tot het hogeschoolbestuur met betrekking tot de toepassing van artikel 318 van het hogescholendecreet. Verzoeker zet uiteen waarom het standpunt van de Erasmushogeschool “dat ik net niet beschik over drie jaar dienstanciënniteit bij de aanvang van het academiejaar 1995-1996 [...] ernstig [kan] worden betwist”, besluit “nogmaals [te] verzoeken deze problematiek ter harte te willen nemen” en wijst er op “dat voorliggend schrijven dient te worden begrepen in de zin van artikel 14, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”. Bij brief van 3 april 2006 antwoordt de algemeen directeur aan verzoeker het volgende : “In aansluiting met mijn schrijven dd. 17/05/1995, 8/07/2003, 24/10/2005 en 8/12/2005 wil ik U nogmaals het volgende mededelen : U kwam niet in aanmerking als immuun tijdelijk leraar HOKT omdat U bij het begin van het academiejaar 1995-1996 nl. op 1/9/1995 geen drie jaar dienstanciënniteit had. (Kopie van aanstelling als bijlage) U kwam nl. in dienst in het RITS op 1/10/
  7. In eerdere briefwisseling werden U reeds alle administratieve stukken en zelfs uw loopbaanfiche overgemaakt zodat U zelf uw dienstanciënniteit kon nakijken. Het attest afgeleverd door de heer Marnix Verduyn, dd. 20/06/2000 heeft niets te maken met uw dossier tijdelijke met overgangsrechten want deze materie werd van kracht op 1/9/
  8. Uit dit verkeerde attest wordt door het Departement Onderwijs afgeleid dat U de drie jaar dienstanciënniteit wel zou kunnen hebben. Vandaar dat U aangeraden werd met de Hogeschool contact op te nemen om de juiste ingangsdatum van het academiejaar 1995-1996 te kennen; deze ingangsdatum was 1/9/1995 en niet 1/10/1995”; Ontvankelijkheid van het annulatieberoep
  9. Overwegende dat uit het feitenrelaas blijkt dat verwerende partij zich reeds in de loop van het jaar 1995 over de toepassing van de overgangsmaatregelen op haar personeel in het algemeen en op verzoeker in het bijzonder heeft uitgesproken en dat verzoeker van het voor hem negatieve resultaat uiterlijk bij de geciteerde brief van 24 oktober 2005 in kennis is gesteld; Overwegende dat verzoeker zich vergist door in het 3 april 2006 gedateerd antwoord op zijn schrijven van 24 maart 2006 een nieuwe weigeringsbeslissing te lezen; dat de algemeen directeur in die brief enkel herinnert -“nogmaals”- aan de vroegere, reeds bestaande beslissing en aan de brieven waarmee aan verzoeker hiervan eerder kennis was gegeven; XII-4778-4/6 Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting betoogt nooit kennis te hebben gekregen van een eerdere eenzijdige en uitvoerbare rechtshandeling van het bevoegde bestuursorgaan die bepaalt of hij al dan niet in aanmerking kwam voor de overgangsmaatregelen en wat de eventuele redenen daarvoor waren; dat dit betoog strijdt met de vaststelling dat aan verzoeker wel degelijk, alleszins in de brief van 24 oktober 2005, is meegedeeld dat “[b]ij beslissing BC/1995/017 dd. 8/9/1995” de dossiers “werden [...] vastgelegd” en dat verzoeker niet in aanmerking kwam “omdat [hij] geen drie jaar dienstanciënniteit had bij de aanvang van het academiejaar 1995- 1996”; Overwegende dat het schrijven van 3 april 2006 kennelijk een loutere mededeling is die slechts herneemt wat eerder reeds aan verzoeker werd te kennen gegeven, zonder zelfs maar over te gaan tot een nieuw onderzoek van verzoekers argumenten en zonder ook maar een nieuw element aan de eerdere beslissing toe te voegen; dat een dergelijke mededeling kennelijk geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling is; dat het beroep tegen “de beslissing dd. 3 april 2006 van de algemeen directeur” kennelijk onontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker voorts vergeefs datgene wat hij in het inleidend verzoekschrift nog voorstelt als een uitdrukkelijke weigeringsbeslissing, ter terechtzitting nog wil laten doorgaan als een stilzwijgende afwijzende beslissing in de zin van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die procedure slechts van toepassing is wanneer een administratieve overheid “verplicht is te beschikken”; dat evenwel de verwerende partij over de toepassing van de overgangsmaatregelen op verzoeker kennelijk op 8 september 1995 beschikt hééft, zoals gezien, en door geen enkele bepaling verplicht is om, bij voorbeeld onder de vorm van een heroverweging, opniéuw te beschikken; dat het beroep ingediend tegen het in dergelijke omstandigheden beweerde stilzitten van die overheid insgelijks kennelijk onontvankelijk is; Overwegende dat de vordering kennelijk niet-ontvankelijk is; Ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing
  10. Overwegende dat de vordering tot schorsing, als accessorium van het annulatieberoep, hetzelfde lot dient te ondergaan, XII-4778-5/6 BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  12. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie oktober 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4778-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.