← België

Arrest 163138 - - 04/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.138 Rolnummer: A. 161099/XIV-22124 Zaak: Arrest 163138 - - 04/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 05:41 Fiche Arrest nr 163.138 van 4 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.138 van 4 oktober 2006 in de zaak A. 161.099/XIV-22.

  1. In zake : XXX, wonende te 3110 ROTSELAAR, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 25 februari 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 januari 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 7 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 september 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-22.124-1/4 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, van Advocaat L. VANLEEUW, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Aangezien verzoeker niet kan akkoord gaan met de bestreden beslissing en dit omwille van onder meer de hierna volgende redenen:
  4. Een eerdere aanvraag als erkenning van verzoeker als vluchteling werd afgewezen. Ondertussen en gedurende zijn verblijf in België heeft verzoeker zich actief menen te moeten inzetten voor de situatie in zijn land. Alzo nam hij deel aan meerdere manifestaties, waaronder de hongerstaking in een kerk te Brussel en in de gebouwen van de universiteit aldaar. Hij werd aldus ook gefilmd en hij fungeerde meermaals als woordvoerder van de demonstranten en dit omwille van zijn goede kennis zowel van onze taal als van de werkelijke toestand waarover het gaat (nl. manifeste en systemati- sche schending van alle mogelijke mensenrechten). Naar aanleiding van deze actie werd de demonstranten door de Belgische autoriteiten toegezegd dat hun toestand zou herzien worden en dat een regeling zou uitgewerkt worden. Dat is achteraf tenslotte niet gebeurd en het waren aldus loze beloften. Bij ons weten werden al deze mensen achteraf toch geweigerd. Aldus deed verzoeker op 26 november 2003 nieuwe aanvraag tot erkenning als vluchteling. Het is deze aanvraag welke op een ongelooflijk snelle manier werd afgewezen; verzoeker had toen geen andere mogelijkheid dan beroep aan te tekenen bij de Vaste Beroepscommissie.
  5. Dit beroep werd per beschikking van 18 januari 2005 afgewezen
  6. Er wordt voorgehouden dat het verzoekschrift (beroep) niet aan de substantiële vereisten voldoet omdat het niet gemotiveerd was. Op de zitting werd nochtans een geschreven toelichting voorgelegd dewelke eveneens bij het verzoekschrift reeds was gevoegd. Deze toelichting was nochtans de persoonlijke en door verzoeker zelf geschreven uitleg waarom hij hoger beroep wenst in te stellen. Zij diende evenwel als bijlage te worden beschouwd. Wanneer dit stuk (of de kopij ervan) nogmaals wordt neergelegd ter zitting van 18.01.2005 gebeurde dit slechts volledigheidshalve en diende er alleszins rekening mee gehouden te worden., hetgeen nu niet gebeurde. Aldus werd op een louter vormelijke wijze en zonder te moeten of willen rekening houden met de werkelijke grieven van verzoeker zijn vraag afgewezen. Zulks was tenslotte het gemakkelijkste.... (...) OM DEZE REDENEN, en alle andere aan te halen in de verdere loop van de procedure, en hier uitdrukkelijk voorbehouden, BEHAGE HET DE RAAD VAN STATE, Het annulatieberoep van verzoeker ontvankelijk en gegrond te verklaren; Te zeggen voor recht dat de Vaste Beroepscommissarie voor de Vluchtelingen in haar beslissing dan ook per beschikking van 18.01.2005 volkomen ten onrechte heeft geïnterpreteerd en toegepast en een beslissing heeft genomen op basis van een onjuist motief.”; XIV-22.124-2/4 1.
  7. Overwegende dat in de mate uit het middel kan worden afgeleid dat verzoeker de schending van de motiveringsplicht aanvoert, het moet worden verworpen; dat artikel 4, eerst lid, 5/, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bepaalt: “Het verzoekschrift ingediend door de vreemdeling of zijn advocaat bevat: (...) 5/ een uiteenzetting van de feiten en middelen”; dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn van substantiële aard is; dat de niet-naleving van deze vereiste de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft; dat het beroep slechts voldoet aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, 5/ van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 wanneer uit de gewone lezing van het beroepschrift blijkt dat minstens één duidelijke en voldoende nauwkeurige grief tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt aangevoerd; dat in zijn beroepschrift van 2 juni 2004 verzoeker het volgende vermeldt: “(...) Wij zullen ten spoedigste het nodige doen om uw Commissie de motivering van het beroep te laten kennen”; dat men lezing van dergelijk beroepschrift immers volkomen in het ongewisse blijft nopens de precieze aard van de tegen de beslissing in eerste aanleg aangevoerde grieven; dat uit het administratief dossier -in tegenstelling tot wat verzoeker beweert- geenszins blijkt dat een toelichting bij het beroepschrift van 2 juni 2004 werd gevoegd; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook volkomen terecht heeft overwogen dat het voorliggend verzoekschrift “niet aan de voormelde substantiële vereiste voldoet” en dat, wat de ter zitting neergelegde geschreven toelichting betreft, “wanneer het verzoekschrift een zodanige uiteenzetting niet bevat dit vormgebrek niet kan worden verholpen door een relaas van de feiten en een uiteenzetting van de middelen na het verstrijken van de termijn gesteld voor het indienen van het beroep (...) en blijft elk middel aangevoerd in een aanvullend verzoekschrift dat buiten de voorgeschreven termijn werd ingediend onontvankelijk (...)”; dat het enig middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is;
  8. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. XIV-22.124-3/4 Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.124-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.