id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.153 Rolnummer: A. 171873/X-12784 Zaak: Arrest 163153 - - 04/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 05:41 Fiche Arrest nr 163.153 van 4 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.153 van 4 oktober 2006 in de zaak A. 171.873/X-12.
- In zake : Jenny VERSTRAETE-VAN HOLLEBEKE, die woonplaats kiest bij Advocaat S. RONSE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 8 B tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jenny VERSTRAETE- VAN HOLLEBEKE op 7 april 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 25 januari 2006, waarbij aan de Technische Dienst Waterlopen van de provincie West-Vlaanderen een stedenbouwkundige vergunning wordt toegekend voor het bouwen van een waterspaarbekken langs de Roobeek - WL.7.22 - waterloop 2e categorie ter hoogte van de Izegemsestraat te Ardooie, op percelen kadastraal bekend onder Ardooie, 1ste afdeling, sectie E, nrs. 1532c, 1532d en 1534b, en van een "beslissing" van de Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening "van onbekende datum waarbij wordt geoordeeld dat de beslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 21 april 2005 tot weigering van de stedenbouwkundige vergunning (...) kan geherevalueerd worden"; Gezien de nota van de verwerende partij; X-12.784-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 juni 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. RONSE die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat P. LOUAGE die loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat J. GOETHALS die loco Advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen met een op 10 mei 2006 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; dat de provincie West-Vlaanderen als tussenkomende partij wordt aangewezen;
- Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 16 december 2004, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een waterspaarbekken langs de Roobeek (WL.7.22 - waterloop 2de categorie), ter hoogte van de Izegemsestraat te Ardooie, op een terrein kadastraal gekend onder Ardooie, 1ste afdeling, sectie E, nrs. 1532 c, 1532 d en 1534 b; dat het college van burgemeester en schepenen over de aanvraag een gunstig advies heeft gegeven; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij besluit van 21 april 2005 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat de tussenkomende partij bij schrijven van 17 mei 2005 bij de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening een "administratief beroep" heeft ingesteld tegen die beslissing, en hem heeft gevraagd de bestreden beslissing te "herzien"; dat de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen aan de minister een X-12.784-2/6 nota heeft voorgelegd, in de vorm van een ontwerp van schrijven aan de tussenkomende partij, waarin geconcludeerd werd dat er voldoende argumenten leken te zijn die de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar moesten toelaten zijn beslissing te herevalueren; dat de minister bij schrijven van 2 december 2005 aan de directeur-generaal van de Administratie van Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM) meedeelde dat hij akkoord kon gaan met de argumenten opgenomen in de bedoelde nota, waarin, zoals gezegd, gesteld werd dat een herevaluatie van de zaak mogelijk was; dat dit standpunt van de minister door de directeur-generaal bij schrijven van 19 december 2005 aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren van AROHM West-Vlaanderen is meegedeeld; dat de directeur-generaal bij schrijven van dezelfde dag aan de tussenkomende partij heeft gesuggereerd om voor verdere afspraken omtrent het dossier contact te nemen met de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar; dat de tussenkomende partij daarop bij schrijven van 16 januari 2006 de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar heeft verzocht de gevraagde vergunning te verlenen, en dat zij bij dat schrijven de ongewijzigd gebleven aanvraag heeft gevoegd; dat deze hernieuwde aanvraag door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar is ontvangen op 17 januari 2006; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij besluit van 25 januari 2006 de gevraagde vergunning verleent; Overwegende dat de verzoekster een woning betrekt aan de Izegemsestraat, op een terrein gelegen naast dat waarop de bestreden vergunning betrekking heeft;
- Overwegende dat de verweerster en de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opwerpen, in zoverre deze is gericht tegen de tweede bestreden beslissing, zijnde de beslissing van de Minister van Ruimtelijke Ordening waarbij wordt geoordeeld dat de beslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 21 april 2005 geherevalueerd kan worden; dat de genoemde partijen aanvoeren dat deze handeling niet voor beroep vatbaar is; Overwegende dat de bedoelde beslissing van de minister, medegedeeld bij schrijven van 2 december 2005 aan de directeur-generaal van AROHM, in werkelijkheid een louter standpunt van de minister is, zonder rechtsgevolgen; dat een dergelijk standpunt, dat op zich niet griefhoudend kan zijn, niet vatbaar lijkt te zijn voor een beroep tot nietigverklaring of voor een vordering tot schorsing; dat de exceptie in deze stand van het geding gegrond lijkt; X-12.784-3/6 Overwegende dat de vordering hierna slechts onderzocht wordt in zoverre ze betrekking heeft op de eerste bestreden beslissing, zijnde het besluit van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 25 januari 2006 waarbij de gevraagde stedenbouwkundige vergunning wordt verleend;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekster in de eerste plaats aanvoert dat het bouwproject bijzonder grootschalig van aard is en een duidelijke visuele impact heeft, dat de verzoekster thans een uitgesproken mooi en ver zicht heeft op een agrarisch landschappelijk waardevol gebied, dat zij geconfronteerd zal worden met een omvangrijk waterspaarbekken met een lengte van 260 meter en een variërende breedte van 30 tot 70 meter en een ecologisch bekken van ongeveer 30 op 50 meter, en dat de bouw van het spaarbekken een wezenlijke verandering van de aard van het betrokken gebied tot gevolg heeft; dat de verzoekster voorts aanvoert dat de bekkens tijdens de droge zomermaanden veelvuldig gebruikt zullen worden door verscheidene bedrijven, en dat heel wat op- en afrijdend verkeer van vrachtwagens en tractoren te verwachten valt; dat de verzoekster ten slotte aanvoert dat de aanleg van twee omvangrijke waterbekkens geur- en insectenhinder zal meebrengen; Overwegende, wat betreft de aangevoerde visuele hinder en verandering van de aard van de omgeving, dat uit de bij het plan gevoegde foto’s blijkt dat de waterbekkens zullen worden aangelegd op een terrein dat thans gebruikt wordt als weide en akker, en dat dit terrein gedurende een groot deel van het jaar aan het zicht vanuit de woning van de verzoekster onttrokken is door een rij hoge bomen; dat het wel mogelijk is dat de verzoekster in de winterperiode een ruimer zicht op het eigenlijke waterspaarbekken en in mindere mate ook op het kleinere ecologische bekken zal hebben; dat het dan nog de vraag is of het zicht op de waterbekkens moet onderdoen, wat de esthetische beleving betreft, voor het bestaande zicht op een wei- en akkerland; dat de tussenkomende partij in dit verband betoogt dat "het zicht op (een) waterspaarbekken, al is het uiteraard anders, ... op zijn minst even fraai en X-12.784-4/6 rustgevend (is) als het zicht op grazende dieren of op twee meter hoge maïs"; dat, afgezien van de zuiver subjectieve beleving, de verzoekster niet aannemelijk maakt, in het licht van de concrete kenmerken van de omgeving, dat de hinder die zij in visueel opzicht meent te zullen ondergaan objectief als ernstig kan worden omschreven; Overwegende, wat betreft de aangevoerde verkeershinder, dat de verzoekster uitsluitend verwijst naar het op- en afrijden van vrachtwagens en tractoren in de omgeving van de waterafnameput; dat deze put blijkens de ter terechtzitting besproken gegevens op ongeveer 100 meter van de woning van de verzoekster ligt; dat de waterafname daarenboven slechts zal plaatsvinden tijdens de zomermaanden, en dan nog voor zover er een periode van droogte is; dat de verzoekster niet aannemelijk maakt dat de sporadische hinder die zij op een zekere afstand van haar woning zal ondervinden, als ernstig kan worden omschreven; Overwegende ten slotte, wat betreft de aangevoerde geur- en insectenhinder, dat de verzoekster geen enkel concreet gegeven aanbrengt tot staving van haar bewering terzake, welke overigens door de verweerder en de tussenkomende partij tegengesproken wordt;
- Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de provincie West-Vlaanderen in het administratief kort geding wordt ingewilligd. X-12.784-5/6 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.784-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.153 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.136 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.