id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.155 Rolnummer: A. 173517/X-12853 Zaak: Arrest 163155 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-11 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 05:41 Fiche Arrest nr 163.155 van 4 oktober 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.155 van 4 oktober 2006 in de zaak A. 173.517/X-12.
- In zake :
- Bart LAEREMANS,
- Steven DUPONT,
- Maria BERGER, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. DE ROO, kantoor houdende te 2600 BERCHEM, Herculusstraat 2/1 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
- tussenkomende partij : de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT, die woonplaats kiest bij Advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart LAEREMANS, Steven DUPONT en Maria BERGER op 31 mei 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 28 april 2006 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij aan de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT de voorwaardelijke stedenbouw- kundige vergunning is verleend voor het bouwen van een asfaltcentrale op een terrein aan de Fabrieksweg te Grimbergen, kadastraal gekend onder Grimbergen 1ste afdeling, sectie I, nr. 49 l3; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; X-12.853-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 augustus 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 29 september 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. DE ROO die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat G. HAVET die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaten C. GYSEN en G. LAENEN die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT met een op 21 juni 2006 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; 2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 3 juni 2005, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een asfaltcentrale op een terrein gelegen te Grimbergen, aan de Fabrieksweg, kadastraal gekend onder Grimbergen, 1ste afdeling, sectie I, nr. 49 l 3; dat tijdens het openbaar onderzoek, gehouden van 9 juni tot 8 juli 2005, een aantal bezwaren zijn ingediend; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen op 16 augustus 2005 een standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de bezwaren en over de aanvraag een gunstig advies heeft gegeven, op voorwaarde dat de aanvrager zich zou houden aan een aantal voorwaarden opgenomen in het advies van de nv Waterwegen en Zeekanaal en in het verslag van de brandweer; dat de gemachtigde ambtenaar op 6 september 2005 een gunstig advies heeft gegeven, mits de aanvrager zou voldoen aan de voorwaarden vervat in het advies van het college van burgemeester en schepenen; dat, bij gebreke van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen binnen de termijn, de tussenkomende partij op 18 oktober 2005 beroep heeft ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant; dat, bij X-12.853-2/9 gebreke van een beslissing van de bestendige deputatie binnen de termijn, de tussenkomende partij andermaal, op 18 januari 2006, beroep heeft ingesteld, deze keer bij de Vlaamse regering; dat, gevraagd door de afdeling stedenbouwkundige vergunningen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap om een "definitief standpunt" te bepalen, het college van burgemeester en schepenen op 30 januari 2006 een ongunstig standpunt heeft ingenomen; dat de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening bij besluit van 28 april 2006 het beroep inwilligt en de gevraagde stedenbouwkundige vergunning verleent, op voorwaarde dat het zogenaamde plan 7/7 ("plan toegangsweg") wordt nageleefd; dat dit besluit het voorwerp vormt van de voorliggende vordering; Overwegende dat tegen het laatstgenoemde besluit van 28 april 2006 door andere verzoekers een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid is ingesteld; dat de Raad van State die vordering bij arrest nr. 160.246 van 16 juni 2006 heeft verworpen, op grond dat uit de uiteenzetting van de verzoekers niet bleek dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kon berokkenen; Overwegende dat de verzoekers in de voorliggende zaak, samen met andere partijen, eveneens een vordering in kort geding hebben ingesteld bij de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, strekkende tot het horen opleggen van een verbod aan de tussenkomende partij om de thans bestreden vergunning ten uitvoer te leggen, totdat de Raad van State uitspraak gedaan zou hebben over de vordering tot schorsing van die vergunning; dat deze zaak verwezen is naar de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven; dat de voorzitter, rekening houdend met het feit dat de betwiste centrale ondertussen reeds in ruime mate gebouwd en bijna volledig afgewerkt was, bij beschikking van 28 augustus 2006 heeft geoordeeld dat "het nadeel dat eisers van de beton- asfaltcentrale zullen ondervinden niet opweegt tegen het nadeel dat verweerster zou ondergaan door het niet volledig kunnen afwerken en in gebruik nemen van de installatie", en dat hij de vordering dienvolgens ongegrond heeft verklaard; 2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij ook een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een milieuvergunning; dat die vergunning in eerste aanleg is verleend door de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant, bij besluit van 8 september 2005, en in hoger beroep door de Vlaamse Minister van Leefmilieu, bij besluit van 23 februari 2006; dat tegen dat laatste besluit bij de Raad X-12.853-3/9 van State een aantal vorderingen tot schorsing en beroepen tot nietigverklaring zijn ingesteld, o.m. door de verzoekers in de voorliggende zaak (zaak gekend onder nr. A. 172.552/VII-35.944); dat al die zaken thans nog hangende zijn;
- Overwegende dat de tussenkomende partij een aantal excepties van onontvankelijkheid van de vordering opwerpt; 3.
- Overwegende dat zij ter zitting afstand doet van de exceptie afgeleid uit het feit dat de verzoekers nagelaten zouden hebben om tijdig een beroep tot nietigverklaring in te stellen; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij voorts opwerpt dat de verzoekers geen blijk geven van een persoonlijk, actueel en wettig belang; dat zij ten slotte opwerpt dat het verzoekschrift een ganse reeks middelen, in diverse onderdelen, bevat, "uitgesmeerd over een groot aantal pagina’s", hetgeen niet past in het kader van een schorsingsprocedure, en dat zij daaruit concludeert dat de vordering, bij gebreke van "ernstige" middelen, niet ontvankelijk is; Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen excepties te onderzoeken;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
- Overwegende, wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat uit de gegevens ter terechtzitting, in het bijzonder uit de door de partijen neergelegde foto’s, is gebleken dat de betwiste asfaltcentrale thans bijna volledig afgewerkt is; dat de afwerking evenwel nog niet voltooid is, en dat de inrichting ook nog niet in gebruik genomen is; dat er, mede gelet op de aard van het door de verzoekers ingeroepen nadeel, dan ook nog steeds aanleiding bestaat om de vordering tot schorsing te onderzoeken en in voorkomend geval de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning te bevelen; X-12.853-4/9 Overwegende dat de Raad van State in dit verband meent in het algemeen eraan te moeten herinneren dat het instellen van een vordering tot schorsing niet van rechtswege de schorsing van de bestreden handeling met zich brengt; dat de houder van een vergunning de vergunde werken mag uitvoeren, hangende de schorsingsprocedure, zij het dat hij daardoor het risico op zich neemt dat de werken na verloop van tijd gestaakt zullen moeten worden; Overwegende voorts dat in dit geval de Raad van State zich reeds op 16 juni 2006 over een vordering tot schorsing heeft uitgesproken, en hij deze toen heeft verworpen; 5.
- Overwegende dat de verzoekers in de eerste plaats een nadeel aanvoeren dat zal ontstaan door het vrachtverkeer dat de ontworpen centrale zal genereren, meer bepaald in de wijk Borgt waarin de verzoekers wonen; dat zij stellen dat een aanzienlijke hoeveelheid afgewerkte producten aangevoerd zal worden, zelfs gedurende 10 weekends per jaar, dat dit zware vrachtverkeer zal gebeuren langs de Westvaartdijk, een baan die vandaag reeds ongeschikt is om al het zware vrachtverkeer van en naar het betrokken industriegebied te dragen en die geen verdere groei van het vrachtverkeer aankan, dat het bijkomende verkeer zal zorgen voor bijkomende lawaaihinder en voor een bijkomende verspreiding van stof en fijn stof; Overwegende dat uit het bestreden besluit blijkt dat de verkeersproblematiek niet te onderschatten is; dat uit een door de tussenkomende partij aan de minister voorgelegde studie blijkt dat er circa 45 bijkomende transporten per dag zullen zijn, of m.a.w. circa 90 bijkomende bewegingen per dag, en dat het vrachtverkeer zal plaatsvinden via de Westvaartdijk; dat het college van burgemeester en schepenen tijdens de hoorzitting voor de minister erop gewezen heeft dat de Westvaartdijk, een gemeenteweg, op dat ogenblik niet aangepast was, dat de toestand er zelfs gevaarlijk begon te worden, en dat belangrijke aanpassings-werken vereist waren; dat zij tevens gevraagd heeft te onderzoeken of de gemeentewegen die thans dienen voor de ontsluiting van de bedrijven langs de westkant van het kanaal niet door een hogere overheid overgenomen zouden kunnen worden; dat ook de minister in het bestreden besluit het bestaan van de verkeersproblematiek lijkt te erkennen; dat hij evenwel van oordeel is dat het onderhoud van de Westvaartdijk tot de gemeentelijke bevoegdheid behoort en dat een eventuele overname van de gemeentewegen door een hogere overheid niet aan de orde is; dat hij voorts opmerkt dat uit inlichtingen ingewonnen bij de technische dienst van de gemeente blijkt dat het X-12.853-5/9 de bedoeling is van het gemeentebestuur om het wegdek van de Westvaartdijk binnenkort te herstellen; dat de tussenkomende partij in haar nota voor de Raad van State opmerkt dat de Westvaartdijk inmiddels, in de maand mei 2006, in opdracht van de gemeente volledig heraangelegd is, met geluidsarme asfalt, en dat de baan niet langer ongeschikt is voor het zware vrachtverkeer; Overwegende dat het bestaan van de verkeersproblematiek aan de Westvaartdijk, ongeacht de mate waarin zij inmiddels een bevredigende oplossing zou hebben gekregen, evenwel niet impliceert dat ook de verzoekers persoonlijk een ernstig nadeel zullen lijden; dat de minister, met een verwijzing naar de genoemde studie voorgelegd door de tussenkomende partij, ervan uitgaat dat het vrachtverkeer "zeker niet door de woonkernen zal gebeuren"; dat de tussenkomende partij in haar nota voor de Raad van State omstandig uiteenzet dat, naast de aanvoer van grondstoffen via het kanaal, er een beperkte afvoer van grondstoffen en een vrij belangrijke afvoer van geproduceerde asfalt via de weg zal zijn, maar dat dit vervoer via de weg uitsluitend over de Westvaartdijk gaat, zowel in noordelijke richting (Verbrande Brug) als in zuidelijke richting (Vilvoorde), en "onder geen enkel beding" door de zuidelijk gelegen dorpskern van de wijk Borgt zal gaan; dat die beschrijving in het licht van de voorgelegde situeringsplannen aannemelijk voorkomt; dat uit de genoemde plannen voorts kan worden afgeleid dat de afstand tussen de woningen van de verzoekers of de school die hun kinderen bezoeken en de Westvaartdijk minstens ongeveer 150 meter bedraagt; dat de verzoekers in die omstandigheden niet aannemelijk maken dat het nadeel dat zij persoonlijk uit de verkeershinder zullen ondervinden, mede gelet op de reeds bestaande verkeershinder ten gevolge van de bestaande industriële omgeving, als ernstig beschouwd kan worden, in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; 5.
- Overwegende dat de verzoekers voorts aanvoeren dat zij hinder zullen ondervinden uit de exploitatie van de vergunde asfaltcentrale; dat zij in dit verband in het bijzonder wijzen op een verhoging van fijn stof in de lucht, op geluids- en geurhinder, en op de uitstoot van gevaarlijke stoffen; Overwegende dat het aldus aangevoerde nadeel uitsluitend verband houdt met de exploitatie van de asfaltcentrale; dat het een nadeel is dat zijn rechtstreekse oorzaak vindt, niet in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning, maar in de onmiddellijke tenuitvoer- legging van de voor de exploitatie vereiste milieuvergunning; te dezen verleend bij X-12.853-6/9 besluit van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2006, waartegen de verzoekers overigens een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld; dat het nadeel ten gevolge van de exploitatie thans niet dienstig kan worden ingeroepen; 5.
- Overwegende dat de verzoekers ook nog een visueel nadeel aanvoeren; dat zij opmerken dat het gaat om "een staal- en buizenconstructie van liefst 40 meter hoog", terwijl de andere reeds op het industrieterrein aanwezige vestigingen bestaan uit afvalverwerkende bedrijven met een beperkte en zeer lage bebouwing, dat het zicht van de verzoekers op een uitgesproken natuurlijke omgeving, gelet op hun ligging aan het natuurgebied Ter Tommen, zal worden aangetast; Overwegende dat o.m. uit de voorgelegde foto’s en de plannen blijkt dat de vergunde constructie in beginsel van aard is om een belangrijke wijziging in het landschap te kunnen aanbrengen; dat de eigenlijke installatie immers een hoogte heeft van 29,78 meter, en de schouw van de verwerkingsinstallatie zelfs een hoogte heeft van 39,20 meter; Overwegende dat deze algemene vaststellingen echter niet volstaan om te concluderen dat de vergunde constructie voor de verzoekers een ernstig visueel nadeel doet ontstaan; dat de verzoekers toegeven dat hun woningen niet grenzen aan de bouwsite, en zij zich ertoe beperken in het algemeen te stellen dat zij "desalniettemin (wonen) in de onmiddellijke omgeving van de vestiging die door de bestreden beslissing wordt vergund"; dat uit plannen neergelegd door de tussenkomende partij blijkt dat de afstand van de woningen van de eerste verzoeker, de tweede verzoeker en de derde verzoekster tot de grens van het perceel waarop de centrale wordt ingeplant respectievelijk circa 1370 meter, circa 805 meter en circa 576 meter bedraagt; dat deze afstanden door de verzoekers niet worden tegengesproken; dat uit de door de tussenkomende partij neergelegde foto’s met zicht richting bouwsite, genomen vanuit de omgeving van de woningen van de verzoekers, lijkt te volgen dat er voor de verzoekers geen of bijna geen visuele impact van de centrale in het algemeen of van de schouw in het bijzonder zal zijn, gelet o.m. op de bebossing die er tussen elk van hun woningen en de centrale is; dat de verzoekers in de gegeven omstandigheden niet aannemelijk maken dat de visuele impact die het oprichten van de betrokken installatie tot gevolg zal hebben van die aard is dat deze voor hen als een ernstig nadeel kan worden beschouwd; X-12.853-7/9 5.
- Overwegende dat de verzoekers ten slotte aanvoeren dat de bouwwerken zelf aanleiding zullen geven tot een onafwendbaar gezondheidsrisico; dat zij erop wijzen dat, in het kader van de bouwwerken, onvermijdelijk perforaties aangebracht zullen worden in de ondergrondse folies die zijn geplaatst op het vervuilde terrein dat destijds door een andere exploitant is gebruikt, dat het grondwater daardoor vervuild dreigt te geraken; Overwegende dat het de Raad van State voorkomt dat, gelet op de stand van de werkzaamheden, het aangevoerde nadeel niet meer beperkt of vermeden kan worden door een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning; Overwegende, wat er ook van zij, dat de tussenkomende partij erkent dat in de jaren ’90 afdekkende folies zijn aangebracht, in het kader van de sanering van de site, en dat waarschijnlijk diverse doorboringen ervan voor de uitvoering van de vergunde werken nodig zullen zijn; dat de tussenkomende partij in haar nota voor de Raad van State evenwel omstandig uiteenzet welke voorzorgsmaatregelen zij van plan is te nemen, om te vermijden dat het grondwater door de perforaties vervuild zou geraken; dat de verzoekers hiertegenover geen enkel concreet element stellen; dat de Raad van State er in de gegeven omstandigheden dan ook niet toe kan komen om het aangevoerde nadeel, zelfs zo het nog te beperken of te vermijden zou zijn, als ernstig te beschouwen; 5.
- Overwegende dat uit het vorenstaande blijkt dat de uiteenzetting van de verzoekers geen concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: X-12.853-8/9 Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.853-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.155 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.896 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.221.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div