id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.156 Rolnummer: A. 174440/X-12915 Zaak: Arrest 163156 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-06 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-01 05:41 Fiche Arrest nr 163.156 van 4 oktober 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.156 van 4 oktober 2006 in de zaak A. 174.440/X-12.
- In zake : Agnes CAUWELIER, die woonplaats kiest bij Advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te 1831 DIEGEM, Berkenlaan 8a tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
- tussenkomende partij : de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT, die woonplaats kiest bij Advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Agnes CAUWELIER op 29 juni 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 28 april 2006 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij aan de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning is verleend voor het bouwen van een asfaltcentrale op een terrein aan de Fabrieksweg te Grimbergen, kadastraal gekend onder Grimbergen 1ste afdeling, sectie I, nr. 49 l3; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.915-1/8 Gelet op de beschikking van 25 augustus 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 29 september 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. VAN HEUVEN die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat G. HAVET die loco Advocaat Ph. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaten C. GYSEN en G. LAENEN die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT met een op 24 juli 2006 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; 2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 3 juni 2005, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een asfaltcentrale op een terrein gelegen te Grimbergen, aan de Fabrieksweg, kadastraal gekend onder Grimbergen, 1ste afdeling, sectie I, nr. 49 l 3; dat tijdens het openbaar onderzoek, gehouden van 9 juni tot 8 juli 2005, een aantal bezwaren zijn ingediend; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen op 16 augustus 2005 een standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de bezwaren en over de aanvraag een gunstig advies heeft gegeven, op voorwaarde dat de aanvrager zich zou houden aan een aantal voorwaarden opgenomen in het advies van de nv Waterwegen en Zeekanaal en in het verslag van de brandweer; dat de gemachtigde ambtenaar op 6 september 2005 een gunstig advies heeft gegeven, mits de aanvrager zou voldoen aan de voorwaarden vervat in het advies van het college van burgemeester en schepenen; dat, bij gebreke van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen binnen de termijn, de tussenkomende partij op 18 oktober 2005 beroep heeft ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant; dat, bij gebreke van een beslissing van de bestendige deputatie binnen de termijn, de X-12.915-2/8 tussenkomende partij andermaal, op 18 januari 2006, beroep heeft ingesteld, deze keer bij de Vlaamse regering; dat, gevraagd door de afdeling stedenbouwkundige vergunningen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap om een "definitief standpunt" te bepalen, het college van burgemeester en schepenen op 30 januari 2006 een ongunstig standpunt heeft ingenomen; dat de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening bij besluit van 28 april 2006 het beroep inwilligt en de gevraagde stedenbouwkundige vergunning verleent, op voorwaarde dat het zogenaamde plan 7/7 ("plan toegangsweg") wordt nageleefd; dat dit besluit het voorwerp vormt van de voorliggende vordering; Overwegende dat tegen het laatstgenoemde besluit van 28 april 2006 door andere verzoekers een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid is ingesteld; dat de Raad van State die vordering bij arrest nr. 160.246 van 16 juni 2006 heeft verworpen, op grond dat uit de uiteenzetting van de verzoekers niet bleek dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kon berokkenen; Overwegende dat de verzoekster in de voorliggende zaak, samen met andere partijen, eveneens een vordering in kort geding heeft ingesteld bij de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, strekkende tot het horen opleggen van een verbod aan de tussenkomende partij om de thans bestreden vergunning ten uitvoer te leggen, totdat de Raad van State uitspraak gedaan zou hebben over de vordering tot schorsing van die vergunning; dat deze zaak verwezen is naar de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven; dat de voorzitter, rekening houdend met het feit dat de betwiste centrale ondertussen reeds in ruime mate gebouwd en bijna volledig afgewerkt was, bij beschikking van 28 augustus 2006 heeft geoordeeld dat "het nadeel dat eisers van de beton- asfaltcentrale zullen ondervinden niet opweegt tegen het nadeel dat verweerster zou ondergaan door het niet volledig kunnen afwerken en in gebruik nemen van de installatie", en dat hij de vordering dienvolgens ongegrond heeft verklaard; 2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij ook een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een milieuvergunning; dat die vergunning in eerste aanleg is verleend door de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant, bij besluit van 8 september 2005, en in hoger beroep door de Vlaamse Minister van Leefmilieu, bij besluit van 23 februari 2006; dat tegen dat laatste besluit bij de Raad X-12.915-3/8 van State een aantal vorderingen tot schorsing en beroepen tot nietigverklaring zijn ingesteld; dat die zaken thans nog hangende zijn;
- Overwegende dat de tussenkomende partij een aantal excepties van onontvankelijkheid van de vordering opwerpt; 3.
- Overwegende dat zij ter zitting afstand doet van de exceptie afgeleid uit het feit dat de verzoekster nagelaten zou hebben om tijdig een beroep tot nietigverklaring in te stellen; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij voorts opwerpt dat de vordering buiten de termijn is ingesteld; dat zij ten slotte opwerpt dat de verzoekster geen blijk geeft van een persoonlijk, actueel en wettig belang; Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen excepties te onderzoeken;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
- Overwegende, wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat uit de gegevens ter terechtzitting, in het bijzonder uit de door de partijen neergelegde foto’s, is gebleken dat de betwiste asfaltcentrale thans bijna volledig afgewerkt is; dat de afwerking evenwel nog niet voltooid is, en dat de inrichting ook nog niet in gebruik genomen is; dat er, mede gelet op de aard van het door de verzoekster ingeroepen nadeel, dan ook nog steeds aanleiding bestaat om de vordering tot schorsing te onderzoeken en in voorkomend geval de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning te bevelen; X-12.915-4/8 Overwegende dat de Raad van State in dit verband meent in het algemeen eraan te moeten herinneren dat het instellen van een vordering tot schorsing niet van rechtswege de schorsing van de bestreden handeling met zich brengt; dat de houder van een vergunning de vergunde werken mag uitvoeren, hangende de schorsingsprocedure, zij het dat hij daardoor het risico op zich neemt dat de werken na verloop van tijd gestaakt zullen moeten worden; Overwegende voorts dat in dit geval de Raad van State zich reeds op 16 juni 2006 over een vordering tot schorsing heeft uitgesproken, en hij deze toen heeft verworpen; 5.
- Overwegende dat de verzoekster in de eerste plaats een visueel nadeel aanvoert; dat zij aangeeft dat zij woont op 200 meter van de asfaltcentrale, dat het gaat om een industrieel gebouw van 40 op 25 meter, met een hoogte van 40 meter, en met een 45 meter lange uitloop van ongeveer 3 meter breedte, dat de visuele impact van het gebouw nog vermeerderd zal worden door de rookpluim die uit de schoorsteen zal vrijkomen, dat zij thans vanuit de achterbouw van haar woning, in het bijzonder haar slaapkamer, en vanuit haar tuin een fraai en uniek uitzicht heeft op het groen in de verte, dat zij door de bouw van de vergunde constructie dit zicht zal verliezen, dat de asfaltcentrale immers in de verte boven de bomenrij zal uitkomen en dat zij aldus zal moeten uitkijken op een industriële hoogbouw; Overwegende dat o.m. uit de voorgelegde foto’s en de plannen blijkt dat de vergunde constructie in beginsel van aard is om een belangrijke wijziging in het landschap te kunnen aanbrengen; dat de eigenlijke installatie immers een hoogte heeft van 29,78 meter, en de schouw van de verwerkingsinstallatie zelfs een hoogte heeft van 39,20 meter; Overwegende dat deze algemene vaststellingen echter niet volstaan om te concluderen dat de vergunde constructie voor de verzoekster een ernstig visueel nadeel doet ontstaan; dat om te beginnen de afstand van haar woning tot de vergunde constructie gerelativeerd lijkt te moeten worden: zo de verzoekster weliswaar woont op een afstand van ongeveer 200 meter tot de grens van het perceel waarop de centrale wordt ingeplant, lijkt uit een door de tussenkomende partij voorgelegd plan te volgen dat de verzoekster woont op een afstand van 327 meter tot de schouw van de centrale; dat bovendien, volgens de verklaringen van de X-12.915-5/8 verzoekster zelf, er een groen scherm is tussen haar woning en de site waarop de asfaltcentrale gebouwd wordt; dat uit een door de tussenkomende partij voorgelegde foto, genomen vanaf de plaats van de woning van de verzoekster, kan worden afgeleid dat het grootste deel van de constructie aldus aan het zicht van de verzoekster onttrokken zal zijn; dat de verzoekster in feite vooral, zo niet uitsluitend, klaagt over de schouw die boven de bomen in de verte zal uitsteken; dat de tussenkomende partij er weliswaar op wijst dat het terrein waarop de installatie wordt opgericht 15 meter lager ligt dan de woning van de verzoekster, maar dat zij niet ontkent dat de schouw wel degelijk in het gezichtsveld van de verzoekster zal komen te staan; dat uit de reeds genoemde foto evenwel blijkt dat de visuele impact van een telescoopkraan met een hoogte van 39 meter, opgesteld op de plaats waar de asfaltcentrale wordt opgericht, niet van die aard is landschapsbepalend te zijn, gelet o.m. op de aanwezigheid, in de onmiddellijke omgeving, van een goed zichtbare hoogspanningsmast van 61 meter; dat de door de verzoekster neergelegde foto’s en simulaties aan die conclusie geen afbreuk doen; dat, zonder de visuele hinder voor de verzoekster te willen minimaliseren, de Raad van State toch moet besluiten dat de verzoekster in de gegeven omstandigheden niet aannemelijk maakt dat de visuele impact die het oprichten van de betrokken installatie, en in het bijzonder van de schouw, tot gevolg zal hebben, van die aard is dat deze voor haar als een ernstig nadeel kan worden beschouwd, in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; 5.
- Overwegende dat de verzoekster voorts aanvoert dat haar woon- en leefklimaat zal worden aangetast; dat zij met name wijst op de volgende vormen van hinder die de asfaltcentrale met zich zal brengen: verspreiding van milieuverontreinigende en gezondheidsbedreigende, zelfs uitgesproken kanker- verwekkende stoffen, geurhinder, verspreiding van fijn stof, en geluidshinder; Overwegende dat het aldus aangevoerde nadeel uitsluitend verband houdt met de exploitatie van de asfaltcentrale; dat het een nadeel is dat zijn rechtstreekse oorzaak vindt, niet in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning, maar in de onmiddellijke tenuitvoer- legging van de voor de exploitatie vereiste milieuvergunning; te dezen verleend bij besluit van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2006, waartegen overigens een aantal vorderingen tot schorsing en beroepen tot nietigverklaring zijn ingesteld; dat het nadeel ten gevolge van de exploitatie thans niet dienstig kan worden ingeroepen; X-12.915-6/8 5.
- Overwegende dat de verzoekster ten slotte aanvoert dat de nieuwe bedrijvigheid onvermijdelijk aanleiding zal geven tot een bijkomend verkeer op de reeds drukke en onaangepaste weginfrastructuur in de nabije omgeving, en dat de verkeersgenererende effecten het evenwicht in de leefomgeving totaal zullen verstoren; Overwegende dat de verzoekster niet aangeeft in welk opzicht zijzelf, persoonlijk, hinder zal ondervinden van het toegenomen vrachtverkeer; dat haar uiteenzetting op dit ogenblik onvoldoende concreet is om het voor de Raad van State mogelijk te maken te concluderen dat zij een ernstig nadeel zal lijden; 5.
- Overwegende dat uit het vorenstaande blijkt dat de uiteenzetting van de verzoekster geen concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de bvba VERHAEREN BETON EN ASFALT in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-12.915-7/8 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.915-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.156 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.897 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.881 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div