id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.159 Rolnummer: A. 171042/X-12738 Zaak: Arrest 163159 - - 04/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-09 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 05:43 Fiche Arrest nr 163.159 van 4 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.159 van 4 oktober 2006 in de zaak A. 171.042/X-12.
- In zake : de nv Firma JOS. RULAND, die woonplaats kiest bij Advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
- tussenkomende partij : de stad HASSELT, die woonplaats kiest bij Advocaat H. LAMON, kantoor houdende te 3500 HASSELT, De Schiervellaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de nv Firma JOS. RULAND op 5 mei 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 9 februari 2006 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende de toepassing van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte op de percelen aangegeven op het onteigeningsplan van het goedgekeurd bijzonder plan van aanleg 24, "Stationsomgeving" genaamd, van de stad Hasselt; Gelet op het arrest nr. 157.018 van 28 maart 2006 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur J. STEVENS; X-12.738-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 juni 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. VANDENBERGHE die loco Advocaat B. MARTENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat K. HULPIAU die loco Advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat H. LAMON die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de stad HASSELT met een op 24 mei 2006 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
- Overwegende dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 12 oktober 2004 zijn goedkeuring heeft gegeven aan het bijzonder plan van aanleg 24, "Stationsomgeving" van de stad Hasselt, door de gemeenteraad definitief aangenomen op 25 mei 2004; dat de minister bij datzelfde besluit ook heeft beslist dat het algemeen nut de inname vordert van de percelen aangeduid op het onteigeningsplan en hij de tussenkomende partij machtiging heeft verleend om te onteigenen; dat een perceel toebehorend aan de verzoekster, gelegen aan de Grote Breemstraat en de Tramstraat, kadastraal gekend onder Hasselt, 6de afdeling, sectie F, nr. 110 n, inneming 5 vormt van het onteigeningsplan; Overwegende dat het College van burgemeester en schepenen van de tussenkomende partij op 1 september 2005 een openbaar onderzoek heeft geopend, met het oog op het aanvragen van een machtiging tot onteigening bij hoogdringendheid, ter realisatie van het genoemde bijzonder plan van aanleg; dat X-12.738-2/6 tijdens dit openbaar onderzoek een aantal bezwaren zijn ingediend, o.m. door de verzoekster; dat de gemeenteraad bij besluit van 27 september 2005 heeft beslist een verzoek in te dienen bij de Vlaamse regering, strekkende tot het verkrijgen van de machtiging om volgens de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden over te gaan tot de onteigening van de percelen die zijn aangeduid op het onteigeningsplan gevoegd bij het genoemde bijzonder plan van aanleg, voor zover de stad die percelen niet reeds in der minne verworven heeft; dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 9 februari 2006 beslist dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van de percelen aangeduid op het onteigeningsplan bij het genoemde bijzonder plan van aanleg, en hij aan de tussenkomende partij de gevraagde machtiging tot onteigening verleent, d.w.z. met mogelijkheid tot toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte; Overwegende dat de verzoekster op 15 maart 2006 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het genoemde besluit van 9 februari 2006 heeft gevorderd; dat de Raad van State bij arrest nr. 157.018 van 28 maart 2006 die vordering heeft verworpen, op grond dat de vordering niet voldoet aan het vereiste van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat de verzoekster thans, bij een op 5 mei 2006 ter post aangetekend verzoekschrift, andermaal de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 9 februari 2006 vordert, ditmaal volgens de gewone rechtspleging in kort geding; Overwegende dat ter terechtzitting is gebleken dat de tussenkomende partij de verzoekster sindsdien tot onteigening voor de vrederechter heeft gedagvaard; dat deze vordering op het ogenblik van de sluiting van de debatten nog hangende was;
- Overwegende dat de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van de thans voorliggende vordering opwerpt, afgeleid uit het rechterlijk gewijsde van het genoemde arrest nr. 157.018 van 28 maart 2006; dat de tussenkomende partij aanvoert dat de verzoekster thans een vordering tot schorsing instelt, gericht tegen dezelfde handeling als die welke het voorwerp uitmaakte van de vordering die aanleiding heeft gegeven tot het genoemde arrest, en met aanvoering van een identiek nadeel; X-12.738-3/6 Overwegende dat de verzoekster hierop antwoordt dat het gaat om twee verschillende procedures, met twee verschillende toepassingsvoorwaarden, en dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel bovendien niet helemaal op dezelfde wijze is omschreven als in de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat de verzoekster met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel thans laat gelden wat volgt: "De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat het perceel van verzoekende partij onteigend zal worden. Zoals supra werd aangetoond werd de machtiging tot onteigening ingegeven door redenen andere dan de hoogdringendheid en het algemeen nut. Door de onteigening wordt verzoekende partij alle kansen het perceel zelf verder te exploiteren ongedaan gemaakt. In de mate door verzoekende partij een stedenbouwkundig attest nr. 2 werd aangevraagd d.d. 30 januari 2006 met betrekking tot de afbraak van de kolenhaven en het bouwen van appartementen, handels- en kantoorruimtes met inbegrip van een ondergrondse garage (stuk 7), zal de verdere exploitatiemogelijkheid van het bewuste perceel onmogelijk worden. Ieder verder initiatief met betrekking tot het bewuste perceel wordt verzoekende partij dan ook ontnomen. Dat verzoekster met het perceel, dat thans het voorwerp uitmaakt van het bestreden besluit, nog initiatieven voorstond, blijkt genoegzaam uit de ingediende aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundig attest. Het bestreden besluit impliceert meteen het einde van het bestaan van verzoekende partij aangezien geen alternatief wordt aangeboden om haar activiteiten verder te zetten. Het lijdt geen twijfel dat zonder de schorsing alle activiteiten van verzoekende partij stopgezet dienen te worden. Door uw Raad werd meermaals (...) gesteld dat het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel genoegzaam bewezen is in geval 'de voorgenomen onteigening betrekking heeft op de gehele locatie en uit geen enkel gegeven uit het dossier kan worden opgemaakt dat verzoekster ondanks die onteigening zou kunnen blijven beschikken over de faciliteiten die haar momenteel door haar eigendom worden geboden'. In casu vormt de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zelf dan ook aan verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het nadeel is tevens moeilijk te herstellen aangezien de geldelijke vergoeding de gedwongen verhuizing van de activiteiten en de geplande werkzaamheden op het perceel in de omschreven omstandigheden niet goedmaken. In de veronderstelling dat de gewone procedure voor de Raad gevolgd moet worden, zou een vernietiging niet meer effectief zijn aangezien de door de Stad Hasselt op het perceel geplande parking alsdan voltooid zou zijn. Het nadeel, verbonden aan de onmiddellijke tenuitvoerlegging, is dus in het geheel niet te herstellen. Aangezien de onteigening een definitief karakter heeft en als zodanig een nadeel veroorzaakt dat ernstig en onherstelbaar is (...), dringt een schorsing van het bestreden besluit zich op. De aanwezigheid van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van verzoekende partij staat derhalve onbetwistbaar op rechtstreekse, persoonlijke en individuele wijze vast (...)"; X-12.738-4/6 Overwegende dat de verzoekster, na de verwerping van de door haar ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, thans in wezen hetzelfde nadeel aanvoert als het nadeel dat zij reeds in de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft aangevoerd; dat de toevoegingen, in het hoger aangehaalde citaat uit het verzoekschrift in cursief weergegeven, geen nieuwe gegevens bevatten, doch enkel bijkomende argumenten bevatten ten gunste van de ernst en het moeilijk te herstellen karakter van dat nadeel; Overwegende dat, nu een nadeel wordt aangevoerd waarover de Raad van State zich reeds in het arrest nr. 157.018 heeft uitgesproken, de Raad zonder rechtsmacht is om zich andermaal over de vordering uit te spreken, minstens het gezag van gewijsde verbonden aan dat arrest belet dat de vordering opnieuw wordt onderzocht; dat de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie gegrond is; BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de stad Hasselt in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-12.738-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.738-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.159 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.018 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.673 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.