← België

Arrest 163187 - - 04/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.187 Rolnummer: A. 160430/XIV-21922 Zaak: Arrest 163187 - - 04/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 05:44 Fiche Arrest nr 163.187 van 4 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.187 van 4 oktober 2006 in de zaak A. 160.430/XIV-21.

  1. In zake : XXX, wonende te 1080 SINT-JANS-MOLENBEEK, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 1 maart 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 28 januari 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 14 maart 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 7 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 september 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. CAPPELLE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-21.922-1/7 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat verzoeker als eerste, tweede en derde middel aanvoert: “Eerste middel Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, schending van het motiverings- beginsel, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het recht van verdediging, schending van het Internationaal verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
  4. De motivering van de Heer Voorzitter van de Vaste Beroepscommissie in de bestreden beslissing is op weinig overtuigende wijze geschied en kan in één zin worden samengevat : " uw asielaanvraag is gebaseerd op redenen die tot de persoonlijke levenssfeer behoren, zodat tot de ongegrondheid van uw asielaanvraag is besloten." Een dergelijke motivering beantwoordt niet aan de vereisten die door de terzake geldende wetgeving worden gesteld. Los van de lager aangehaalde vaststelling van een schending van de motiveringsplicht, dient vastgesteld te worden dat de beslissing niet antwoordt op de in het dringend beroep geformuleerde argument dat de vervolging door de overheid, alsmede strafmaat ten aanzien van dergelijke praktijken ( Zena ) èn haar verregaande gedoogzaamheid ten aanzien van vervolging door de familie, impliceert dat de betrokkene wel degelijk in aanmerking komt voor het statuut van vreemdeling. "5.2 Vervolging door derden wordt beschouwd als behorende tot de werkingssfeer van het Verdrag van Genève indien zij is ingegeven door de in artikel 1 A van het Verdrag vermelde gronden, persoonlijk van aard is en van overheidswege wordt aangemoedigd of gedoogd. Wanneer de overheid passief blijft, moet dergelijke vervolging aanleiding geven tot een individueel onderzoek van elk verzoek om toekenning van de vluchtelin- genstatus, overeenkomstig de nationale rechtspraak, waarbij met name rekening moet worden gehouden met het al dan niet doelbewuste karakter van de constateerde passiviteit”, (Gemeenschappelijk standpunt ( 96/196/JBZ) 4 maart 1996 door de Raad vastgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake de geharmoniseerde toepassing van de definitie van de term "vluchteling" in artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen (PB. L 63, 13 maart 1996)) Dat in casu nooit enig onderzoek verricht is naar de ingeroepen gedoogzaamheid ten aanzien van de praktijken waarvan verzoekende partij het slachtoffer zal zijn in geval van een gedwongen terugkeer. Dat het niet-betwiste verhaal van verzoeker trouwens aantoont dat er geen sprake is van daadwerkelijke bescherming door de overheid nu het juist door de autoriteiten is dat verzoeker gezocht wordt ! Dat er zowel door de Dienst Vreemdelingenzaken, als door het Commissariaat- Generaal, als door de Vaste Beroepscommissie, onvoldoende onderzoek is geleverd naar de vervolging van verzoeker door de autoriteiten in zijn land van herkomst. Dat de beslissing derhalve niet afdoend gemotiveerd is. Tweede middel Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, schending van het motiverings- beginsel, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het recht van verdediging, schending van het Internationaal verdrag betreffende de status XIV-21.922-2/7 van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
  5. Dat de beslissing stelt dat verzoeker geen gegeven aanbrengt dat er op wijst dat er ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1, A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
  1. Verzoeker heeft altijd hetzelfde feitenrelaas verteld en ook altijd in alle eerlijkheid verteld waarom hij geen bewijs van de Iranese oproepingen kan voorleggen. De convocaties zijn wel degelijk door zijn moeder verstuurd geweest, maar werden onderschept door de Iranese autoriteiten die blijkbaar de envelop hebben geopend daar zijn moeder de envelop 2 weken later leeg terug ontvangen heeft. Verzoeker wil tevens wijzen op het feit dat de bestreden beslissing geen melding maakt, en bovendien nooit zal kunnen maken, dat er géén convocaties zouden geweest zijn ! Dat er thans blijkbaar alvast geen twijfel meer bestaat omtrent deze verklaringen, maar dat het nu de door verzoekende partij gevolgde reisroute is welke in twijfel wordt getrokken. De Vaste Beroepscommissie heeft dan ook ten onrechte besloten dat verzoeker onwaarheden heeft verteld, en dat aan zijn verhaal geen geloof kan worden gehecht. Bovendien wordt thans in de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor het eerst twijfels geuit over de reisroute die verzoekende partij heeft afgelegd om uit Iran naar België te vluchten. Dat dit echter een flagrante schending van het recht van verdediging uitmaakt nu verzoekende partij procedureel geen mogelijkheid meer heeft om feitelijk verweer te voeren! Derde middel Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, schending van het motiverings- beginsel, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het recht van verdediging, schending van het Internationaal verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
  2. De Vaste Beroepscommissie heeft niet voldoende geïnformeerd naar alle elementen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het dossier en komt schromelijk tekort aan de op haar rustende onderzoeksverplichting. Daarentegen werd door de Vaste Beroepscommissie uit pure routine een weigeringsbe- slissing uitgevaardigd. Indien de Vaste Beroepscommissie zich de moeite zou hebben getroost om de verklaringen van verzoeker grondig door te nemen en te toetsen aan de eerder afgelegde verklaringen en aan de algemeen raadpleegbare informatiebronnen, zou zij hebben vastgesteld dat de meeste, zoniet alle, twijfels die zij, de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-Generaal hadden naar aanleiding van de asielaanvraag, zouden worden weggenomen. Gedaagde partij maakt zich als dusdanig schuldig aan een flagrante overtreding van haar bevoegdheden, daar waar zij niet nagaat of verzoeker effectief een gegronde vrees kan laten gelden voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit of het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging. Verzoekende partij legt stukken voor waaruit blijkt dat op Zena wel degelijk de doodstraf staat ( stuk 12 ). Gedaagde partij gaat dan in de bestreden beslissing aanhalen dat, in tegenstelling tot wat eerst door het Commissariaat-Generaal in haar eerste beslissing ten onrechte werd voorgehouden, zijnde dat Zena wordt bestraft met 99 zweepslagen, inderdaad in Iran de doodstraf staat op de feiten van Zena, zijnde in casu een incestueuze relatie tussen verzoekende partij en zijn halfzus, maar dat daarvoor in de praktijk een strenge bewijslast geldt. Zena wordt inderdaad gestraft met zweepslagen zoals eerst voorgehouden door het Commissariaat-Generaal, indien begaan door man/vrouw die niet gehuwd is. Wanneer Zena wordt begaan tussen bloedverwanten ( incest ), zoals in casu het geval is geweest, is de strafmaat de doodstraf, conform art.99 van de HODOOD-Wet. Ten overvloede voegt verzoeker copie van deze wet bij als stuk
  3. XIV-21.922-3/7 Gedaagde partij gaat dan in de bestreden beslissing aanhalen dat een strenge bewijslast geldt waar in casu niet zou aan voldaan zijn : "Echter, de informatie geeft duidelijk aan dat in dergelijke situaties een strenge bewijslast geldt. Aan deze strenge bewijslast wordt in Uw geval niet voldaan. De vereiste bewijslast stelt, namelijk, dat er vier getuigenissen van vier mannen nodig zijn. Deze getuigenissen moeten gelijklopend zijn en op hetzelfde tijdstip afgenomen worden. Dit principe wordt rigoreus toegepast. In Uw geval, echter, waren slechts drie mannen aanwezig bij de confrontatie, namelijk S., zijn broer A. en zijn zoon M.. Er werd in casu dus niet voldaan aan deze bewijslast. Niets wijst erop dat U omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève onrechtvaardig behandeld zou worden door de Iraanse autoriteiten en een oneerlijk proces zou krijgen." Dat de strenge bewijslast geen wettelijke grondslag heeft en derhalve door verzoekende partij ook niet kan afgedwongen worden ! Dat ook op dit punt de rechten van verdediging van verzoekende partij geschonden werden nu hij ook hiertegen geen feitelijk verweer meer kan voeren. Dat verzoekende partij er alsnog wenst op te wijzen dat nergens in de bestreden beslissing bepaald staat dat de getuigenissen door de 4 mannen moeten plaatsvinden over hetzelfde feit. Gedaagde partij stelt enkel dat de op hetzelfde moment moeten afgenomen worden. Dat het dan ook geen enkel probleem vormt om de getuigenis van M. af te nemen op hetzelfde moment als de getuigenis van S., A. en M.. Dat verzoekende partij dan ook geen enkele garantie heeft!! Dat de argumentatie van gedaagde partij om tot de bestreden beslissing te komen dan ook faalt op dit punt! Dat de bestreden beslissing dan ook op die grond dient te worden nietig verklaard.”; 1.1.
  4. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat de schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen om drie redenen, te weten omdat -zoals genoegzaam wordt toegelicht- hij noch zijn reisweg, noch het ogenblik dat hij in België aankwam bewijst, omdat -in tegenstelling tot wat verzoeker meent- geen geloof kan worden gehecht aan zijn asielrelaas daar de tegenstrijdigheden omtrent de duur van zijn incestueuze relatie met zijn halfzus en de omstandigheden waarin zij zich bevonden toen ze betrapt werden rechtstreeks verbonden zijn met de kern van dit relaas en omdat de aangehaalde feiten niet bewezen zijn zodat er ook geen reden is om uitspraak te doen over de toepasselijkheid van het Vluchtelingenverdrag op niet bewezen feiten; dat de bestreden beslissing aldus afdoende met redenen is omkleed; dat verzoeker er overigens aan voorbijgaat dat overeenkomstig artikel 1, A
(2), van het Vluchtelingenverdrag een kandidaat-vluchteling, om als vluchteling te worden erkend, een gegronde vrees voor vervolging moet hebben omwille van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging; dat in casu verzoeker niet aantoont dat hij, daargelaten de vraag of zijn relaas geloofwaardig is, omwille van één van voormelde redenen zou worden vervolgd, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zonder een kwalificatiefout te maken terecht opmerkt dat aangezien de XIV-21.922-4/7 aangehaalde feiten niet bewezen zijn, “er dan ook geen reden is om uitspraak te doen over de toepasselijkheid van het vluchtelingenverdrag op niet bewezen feiten”; dat overigens niet blijkt dat verzoeker voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een verweermiddel, ontleend aan de convocaties die betrokkene zou hebben gekregen, heeft opgeworpen, zodat zij geenszins verplicht was daaromtrent een redengeving in haar beslissing op te nemen; dat het bovendien uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de door hem gedane vaststellingen van die aard zijn dat geen geloof kan worden gehecht aan het asielrelaas en of de door verzoeker aangehaalde feiten bewezen zijn; dat door het hoger beroep de zaak voor een volledig nieuw onderzoek aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd, hetgeen, onder meer, impliceert dat zij op eigen gronden uitspraak kan doen en een niet eerder ingeroepen weigeringsmotief (in casu het gebrek aan bewijs van de reisweg) mag hanteren en er daarbij niet toe gehouden is de motieven op grond waarvan zij voornemens is het beroep af te wijzen vooraf ter kennis te brengen van de vreemdeling; dat uit de bestreden beslissing overigens blijkt dat verzoeker ter zitting ondervraagd werd over het concrete verloop van zijn reis tussen Maku en Turkije en dat hij “ter zitting geen verklaring geeft” voor de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vastgestelde verschillen in zijn opeenvolgende verklaringen omtrent zijn reisweg; dat verzoeker tevens zowel middels zijn beroepschrift van 8 maart 2004 als ter zitting van 28 januari 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de mogelijkheid heeft gehad om zich te verweren op de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen omtrent de bestraffing van de door hem gepleegde feiten; dat het eerste, tweede en derde middel, in de mate ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn; 1.2.
  1. Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, schending van het motiverings- beginsel, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het recht van verdediging, schending van het Internationaal verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
  2. Dat er bovendien een schending is van het redelijkheidsbeginsel. Dat verzoeker zijn eerste negatieve beslissing heeft ontvangen amper enkele uren na zijn interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken! Dat deze uiterst korte termijn zelfs te kort is om ook maar enig onderzoek te voeren, laat staan enig redelijk onderzoek... Dat er dan maar liefst bijna 6 maanden zijn verstreken tussen de eerste negatieve beslissing door de Dienst Vreemdelingenzaken en de bevestigende beslissing door het Commissariaat-Generaal. Vervolgens neemt het Commissariaat-Generaal dan op 18/12/2003 dan de beslissing dat de asielaanvraag van verzoeker alsnog ontvankelijk wordt bevonden en dat verder onderzoek noodzakelijk is (stuk 7), welke aan verzoeker betekend wordt op 24/12/
  3. Uiteindelijk wordt verzoeker dan gehoord door het Commissariaat-Generaal op 13/02/2004, waarna dan een negatieve beslissing volgt op 19/02/
  4. De zaak wordt dan uiteindelijk pas behandeld door de Vaste Beroepscommissie op 28/01/2005! XIV-21.922-5/7 Dat verzoeker gerechtigd is om een beslissing te horen vellen betreffende zijn asielaanvraag binnen een redelijke termijn. Dat in casu de redelijke termijn overschre- den is geweest.”; 1.2.
  5. Overwegende dat het vierde middel onontvankelijk is omdat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er door de wet enkel mee belast is na te gaan of de vreemdeling beantwoordt aan de voorwaarden welke met het oog op een erkenning als vluchteling worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden; dat geen enkele verdrags- of wetsbepaling noch beginsel haar toelaat een vreemdeling als vluchteling te erkennen omdat zijn asielaanvraag niet binnen een bepaalde termijn werd behandeld;
  6. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-21.922-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.922-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.