id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.187 Rolnummer: A. 160430/XIV-21922 Zaak: Arrest 163187 - - 04/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 05:44 Fiche Arrest nr 163.187 van 4 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.187 van 4 oktober 2006 in de zaak A. 160.430/XIV-21.
(2), van het Vluchtelingenverdrag een kandidaat-vluchteling, om als vluchteling te worden erkend, een gegronde vrees voor vervolging moet hebben omwille van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging; dat in casu verzoeker niet aantoont dat hij, daargelaten de vraag of zijn relaas geloofwaardig is, omwille van één van voormelde redenen zou worden vervolgd, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zonder een kwalificatiefout te maken terecht opmerkt dat aangezien de XIV-21.922-4/7 aangehaalde feiten niet bewezen zijn, “er dan ook geen reden is om uitspraak te doen over de toepasselijkheid van het vluchtelingenverdrag op niet bewezen feiten”; dat overigens niet blijkt dat verzoeker voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een verweermiddel, ontleend aan de convocaties die betrokkene zou hebben gekregen, heeft opgeworpen, zodat zij geenszins verplicht was daaromtrent een redengeving in haar beslissing op te nemen; dat het bovendien uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de door hem gedane vaststellingen van die aard zijn dat geen geloof kan worden gehecht aan het asielrelaas en of de door verzoeker aangehaalde feiten bewezen zijn; dat door het hoger beroep de zaak voor een volledig nieuw onderzoek aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd, hetgeen, onder meer, impliceert dat zij op eigen gronden uitspraak kan doen en een niet eerder ingeroepen weigeringsmotief (in casu het gebrek aan bewijs van de reisweg) mag hanteren en er daarbij niet toe gehouden is de motieven op grond waarvan zij voornemens is het beroep af te wijzen vooraf ter kennis te brengen van de vreemdeling; dat uit de bestreden beslissing overigens blijkt dat verzoeker ter zitting ondervraagd werd over het concrete verloop van zijn reis tussen Maku en Turkije en dat hij “ter zitting geen verklaring geeft” voor de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vastgestelde verschillen in zijn opeenvolgende verklaringen omtrent zijn reisweg; dat verzoeker tevens zowel middels zijn beroepschrift van 8 maart 2004 als ter zitting van 28 januari 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de mogelijkheid heeft gehad om zich te verweren op de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen omtrent de bestraffing van de door hem gepleegde feiten; dat het eerste, tweede en derde middel, in de mate ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, schending van het motiverings- beginsel, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het recht van verdediging, schending van het Internationaal verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
- Dat er bovendien een schending is van het redelijkheidsbeginsel. Dat verzoeker zijn eerste negatieve beslissing heeft ontvangen amper enkele uren na zijn interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken! Dat deze uiterst korte termijn zelfs te kort is om ook maar enig onderzoek te voeren, laat staan enig redelijk onderzoek... Dat er dan maar liefst bijna 6 maanden zijn verstreken tussen de eerste negatieve beslissing door de Dienst Vreemdelingenzaken en de bevestigende beslissing door het Commissariaat-Generaal. Vervolgens neemt het Commissariaat-Generaal dan op 18/12/2003 dan de beslissing dat de asielaanvraag van verzoeker alsnog ontvankelijk wordt bevonden en dat verder onderzoek noodzakelijk is (stuk 7), welke aan verzoeker betekend wordt op 24/12/
- Uiteindelijk wordt verzoeker dan gehoord door het Commissariaat-Generaal op 13/02/2004, waarna dan een negatieve beslissing volgt op 19/02/
- De zaak wordt dan uiteindelijk pas behandeld door de Vaste Beroepscommissie op 28/01/2005! XIV-21.922-5/7 Dat verzoeker gerechtigd is om een beslissing te horen vellen betreffende zijn asielaanvraag binnen een redelijke termijn. Dat in casu de redelijke termijn overschre- den is geweest.”; 1.2.
- Overwegende dat het vierde middel onontvankelijk is omdat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er door de wet enkel mee belast is na te gaan of de vreemdeling beantwoordt aan de voorwaarden welke met het oog op een erkenning als vluchteling worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden; dat geen enkele verdrags- of wetsbepaling noch beginsel haar toelaat een vreemdeling als vluchteling te erkennen omdat zijn asielaanvraag niet binnen een bepaalde termijn werd behandeld;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-21.922-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.922-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div