← België

Arrest 163201 - - 05/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.201 Vervangt nummer: ECLI:BE:RSCE:2006:ARR.20061002.5 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.20061002.5 Rolnummer: A. 137820/XII-3885 Zaak: Arrest 163201 - - 05/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-10-15 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-01 05:49 Fiche Arrest nr 163.201 van 5 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.201 van 5 oktober 2006 in de zaak A. 137.820/XII-

  1. In zake : Marc TAYMANS, die woonplaats kiest bij advocaat E. Boydens, kantoor houdende te Hoeilaart, K. Coppensstraat 13 tegen : de STAD LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. Beelen, kantoor houdende te Leuven, Justus Lipsiusstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc Taymans op 12 juni 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van 20 januari 2003 van de gemeenteraad van Leuven houdende de goedkeuring van de vergunningsvoor- waarden betreffende de standplaatsen op de openbare weg voor de verkoop van eetwaren bestemd voor onmiddellijke consumptie voor de periode van 1 augustus 2003 tot en met 31 juli 2009”; Gelet op het arrest nr. 123.938 van 7 oktober 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 6 november 2003 ingediend door de verwerende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-3885-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Valckenborgh, die loco advocaat E. Boydens verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. Beelen, die loco advocaat B. Beelen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten
  3. Overwegende dat de vergunningsvoorwaarden betreffende de standplaatsen op de openbare weg voor de verkoop van eetwaren bestemd voor onmiddellijke consumptie 1 augustus 1997 - 31 juli 2003, goedgekeurd door de gemeenteraad van Leuven op 17 maart 1997, voorzien in twaalf standplaatsen voor de verkoop van frites; dat verzoeker de vergunning voor de uitbating van stand- plaats 1, op het H. Hooverplein, kreeg toegewezen; Overwegende dat op 12 september 2002 het college van burgemeester en schepenen zich aansluit bij het voorstel van 5 september 2002 van de bureauchef Middenstand om standplaats 1 niet meer op te nemen in de nieuwe vergunningsvoorwaarden; dat de bureauchef argumenteert : “Ik wens er uw aandacht op te vestigen dat op dit ogenblik de uitbater van de frituur een rechtsgeding ingespannen heeft tegen de stad Leuven, aangezien hij gedurende drie maanden zijn frituur niet heeft kunnen uitbaten wegens moeilijkheden met de toewijzing en hij daarom een schade vergoeding van i 1 983,15 eist van de stad. Dit rechtsgeding is nog lopende. Niettegenstaande deze feiten lijkt het mij niet opportuun deze frituur opnieuw in concessie te geven aangezien enerzijds alle standplaatsen voor frituren in de binnenstad werden verwijderd en deze frituur toch het plein ontsiert en anderzijds deze frituur dikwijls een obstakel vormt tijdens de opstelling van de Leuvense kermis”; XII-3885-2/13 Overwegende dat de gemeenteraad op 20 januari 2003 de vergunningsvoorwaarden betreffende de standplaatsen op de openbare weg voor de verkoop van eetwaren bestemd voor onmiddellijke consumptie 1 augustus 2003 - 31 juli 2009 goedkeurt; dat zeven standplaatsen voor de verkoop van frites in de vergunningsvoorwaarden worden opgenomen, maar geen standplaats meer op het H. Hooverplein; dat, wat dat laatste betreft, in de aanhef verwezen wordt naar het collegebesluit van 12 september 2002 en gemotiveerd wordt dat “de frituur gelegen Herbert Hooverplein de enige frituur is die nog in het stadscentrum gelegen is”, dat “alle standplaatsen voor frituren gelegen in de binnenstad verwijderd werden”, en dat “enerzijds deze frituur het plein ontsiert en anderzijds dikwijls een obstakel vormt tijdens activiteiten”; Overwegende dat met een brief van 27 januari 2003 het college van burgemeester en schepenen aan verzoeker meedeelt wat volgt : “Op 31 juli 2003 eindigen de vergunningsvoorwaarden voor de standplaatsen op de openbare weg voor de verkoop van eetwaren bestemd voor onmiddel-lijke[e] consumptie. Daar het de bedoeling is van het stadsbestuur om in de nabije toekomst over te gaan tot de volledige heraanleg van het Herbert Hooverplein besliste de gemeenteraad in zitting van 20 januari 2003 standplaats nr. 1 - H. Hooverplein, niet meer op te nemen in de nieuwe vergunningsvoorwaarden. Dit houdt in dat de uitbatingsvergunning van uw frituur een einde neemt op 31 juli
  4. Na deze datum dient u uw frituur dan ook van het openbaar domein te verwijderen”; Het belang van verzoeker 2.
  5. Overwegende dat verwerende partij verzoeker belang bij het beroep ontzegt; dat zij in de memorie van antwoord betoogt dat hij geen enkel subjectief voorkeurrecht kan laten gelden op het behoud van zijn standplaats ná 31 juli 2003, dat de overheid steeds de macht en de bevoegdheid heeft om een standplaatsvergunning op te heffen, dat het nieuwe reglement niet in twaalf, maar slechts zeven standplaatsen voor de verkoop van frites voorziet, dat verzoeker zijn frituur op 13 augustus 2003 op eigen initiatief van het openbaar domein heeft verwijderd en dat reeds in 2001 aan verzoeker is meegedeeld dat de standplaats op het Herbert Hooverplein in de nieuwe vergunningsvoorwaarden niet meer zou worden opgenomen; dat verwerende partij daar in de laatste memorie nog aan toevoegt dat verzoeker geen enkel voordeel of nuttig effect kan halen uit een XII-3885-3/13 vernietiging “gezien een vernietiging geenszins de verplichting voor verwerende partij met zich meebrengt om alsnog een standplaats toe te kennen aan verzoekende partij”; 2.
  6. Overwegende dat de verwerende partij, door niet meer de standplaats op het Herbert Hooverplein in de vergunningsvoorwaarden op te nemen, verzoeker de mogelijkheid ontneemt om een nieuwe vergunning te verkrijgen voor de uitbating van zijn frituur aldaar; dat indien zij het Herbert Hooverplein wel weer in de vergunningsvoorwaarden had opgenomen, hij dan zelfs over het recht zou hebben beschikt, op grond van het artikel 37 ervan, om zich de vergunning voor de standplaats bij voorkeur boven de meestbiedende inschrijver te doen verlenen, door “binnen de 14 dagen na de opening van de aanbiedingen een gelijkwaardig bod te doen als de inschrijver wiens bod door het college van burgemeester en schepenen werd weerhouden”; Overwegende dat, evident, de afschaffing van de standplaats verzoeker nadelig beïnvloedt op het stuk van het cliënteel en van zijn marktpositie; dat een en ander tot nul wordt herleid; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat verzoeker, ook al heeft hij -met de woorden van de verwerende partij- “geen enkel subjectief voorkeurrecht [te] laten gelden op de toekenning van een standplaats na 31 juli 2003”, zich niettemin benadeeld mag voelen doordat de standplaats op het Herbert Hooverplein uit de nieuwe vergunningsvoorwaarden is weggelaten; dat daar geen afbreuk aan doet het feit dat hij, juist vanwege de aangevochten gemeenteraads- beslissing van 20 januari 2003 en op uitdrukkelijke aanmaning van de verwerende partij (stuk 5 van het administratief dossier en stuk 40 bij de memorie van wederant- woord), zich gedwongen heeft gezien zijn frituur na 31 juli 2003 van het plein te verwijderen; dat ook de beweerde aankondiging van de verwerende partij, in 2001, dat de standplaats zou vervallen niet van aard is verzoekers belang in het gedrang te brengen, al was het maar omdat de aankondiging door niets bewezen wordt en verzoeker ze met klem betwist; Overwegende ten slotte, wat het te verwachten voordeel van een eventuele vernietiging betreft, dat het na een annulatiearrest te verlenen rechtsherstel mee bepaald wordt door het vernietigingsmotief; dat indien, zoals hierna gebeurt, de weglating van de standplaats op het Herbert Hooverplein wordt vernietigd bij gebrek aan deugdelijke motieven, de verwerende partij dan niet vóórt de standplaats uit de XII-3885-4/13 vergunningsvoorwaarden zou mogen weglaten op grond van de oorspronkelijke motieven; dat zij, met andere woorden, ten gevolge van het gezag van gewijsde van het annulatiearrest er toe gehouden zal zijn hetzij om opnieuw te beslissen de standplaats weg te laten, maar dan op grond van nieuwe, deugdelijker motieven, hetzij om de standplaats alsnog in de vergunningsvoorwaarden op te nemen; Overwegende dat de exceptie ongegrond is; Het voorwerp van het beroep
  7. Overwegende dat de gemeenteraadsbeslissing van 20 januari 2003 verzoeker alleen benadeelt in zoverre zij de weigering omvat om nog de standplaats op het Herbert Hooverplein in de vergunningsvoorwaarden op te nemen; dat die weigering van de rest van de beslissing afsplitsbaar is; dat verwerende partij in de laatste memorie terecht vraagt de vernietiging in voorkomend geval tot de bedoelde weigering te beperken; dat het voorwerp van het beroep dienovereenkomstig wordt afgelijnd; De grond van de zaak 4.
  8. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldig- heidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel; dat hij in het verzoekschrift onder meer uiteenzet dat volgens de kennisgeving van 27 januari 2003, de reden voor de afschaffing van de standplaats op het Herbert Hooverplein zou zijn dat in de nabije toekomst werken uitgevoerd zouden worden, dat er ook al in de vergunningsvoorwaarden vanaf 31 juli 1997 sprake was van in de nabije toekomst geplande werken, dat echter de werken nog steeds niet aangevangen zijn en dat het feitelijk bestaan van de motieven dan ook niet naar behoren bewezen is; Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat het middel uitgaat van “een volledig foutieve voorstelling der feiten”; dat in essentie wordt toegelicht dat naar de motivering van de gemeenteraadsbeslissing van 20 januari 2003 moet worden gekeken, dat enkel die motieven, waarvan verzoeker “zeer goed op de hoogte was”, kunnen worden getoetst, dat daarin nergens wordt verwezen naar uit te voeren werken als reden om niet langer in een standplaats op het Herbert XII-3885-5/13 Hooverplein te voorzien, dat die werken “totaal los” staan van het verdwijnen van de standplaats op het plein: “Het één heeft niets met het andere te maken”; Overwegende dat verzoeker het daar in de memorie van wederantwoord niet mee eens is; dat hij voorts, ingaand op “de motivering zoals beslist in de bestreden beslissing zelf”, doet gelden dat het niet zo is dat alle standplaatsen voor frituren in “de binnenstad” verwijderd werden, dat het motief van de ontsiering van het plein manifest het gelijkheidsbeginsel schendt en elke feitelijke grondslag mist, en dat ook het motief dat de standplaats een obstakel vormt tijdens de Leuvense kermis zonder feitelijke grondslag is; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie meent dat de in de gemeenteraadsbeslissing vermelde motieven wel toereikend zijn en wel met de werkelijkheid overeenstemmen: “De auditeur haalt in haar verslag aan [dat] de invulling die verwerende partij geeft aan het begrip ‘binnenstad’ niet overeenstemt met de invulling die aan dit begrip gegeven wordt in het ruimtelijk structuurplan van de stad Leuven; Hier dient benadrukt te worden dat het ontwerp van het ruimtelijk structuur- plan van de stad Leuven slechts voorlopig werd vastgesteld op 21 mei 2003 (stuk 28) en dat de definitieve goedkeuring van het ruimtelijk structuurplan slechts volgde op 09.02.2004 (stuk 29); De bestreden beslissing dateert aldus van vóór de voorlopige vaststelling van het ontwerp van het ruimtelijk structuurplan en van lang voor de definitieve vaststelling ervan, zodat de inhoud van dit ruimtelijk structuurplan geenszins bindend kon zijn voor verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing; De term ‘binnenstad’ in de bestreden beslissing dient begrepen te worden als ‘stadscentrum’, namelijk het werkelijke centrum van de stad waar de belangrijk- ste en meest bekende gebouwen en pleinen gevestigd zijn en welke ook het meest bekend zijn bij het publiek; Dat de term ‘binnenstad’ als ‘stadscentrum’ dient begrepen te worden blijkt uit de context van de bestreden beslissing : ‘Aangezien van alle frituren die opnieuw opgenomen worden in de vergun- ningsvoorwaarden de frituur gelegen Herbert Hooverplein de enige frituur is die nog in het stadscentrum gelegen is; Aangezien alle standplaatsen voor frituren in de binnenstad verwijderd werden.’ Deze passage betekent duidelijk dat de frituur op het H. Hooverplein de enige is die nog in het echte stadscentrum gelegen is gezien alle andere frituren in dat stadscentrum (of hier ‘binnenstad’) verwijderd werden; Men kan moeilijk verwerende partij verwijten dat zij in de bestreden beslissing geen rekening heeft gehouden met de betekenis die aan de term ‘binnenstad’ gegeven wordt in een veel later tot stand gekomen ruimtelijk structuurplan; Het H. Hooverplein is één van de drukste en meest bekende pleinen van Leuven en ligt tussen het zeer belangrijke Ladeuzeplein en het stadspark, waardoor we zonder meer kunnen stellen dat dit een van de voornaamste plaatsen van de stad Leuven is, wat helemaal niet kan gezegd worden van de XII-3885-6/13 standplaats op het Sint-Jacobsplein, de Kruisstraat en de Minckelerstraat (verzoekende partij spreekt in de memorie van antwoord ten onrechte van de Vaartstraat) tegenover de Nerviërsstraat (stuk 27); Verwerende partij is in de bestreden beslissing dus wel degelijk op grond van deugdelijk[e] motieven tot de bestreden beslissing kunnen komen, gezien er wel degelijk een groot verschil is tussen de functie en ligging van het H. Hooverplein t.o.v. het Sint-Jaco[b]splein en de Kruisstraat; Wat betreft de frituur aan de Vaart kan verwerende partij zich geenszins akkoord verklaren met de stelling van de auditeur dat het verschil in behandeling tussen deze frituur en de frituur van verzoekende partij niet redelijk verantwoord zou zijn; Vooreerst dient benadrukt te worden dat de ligging van de frituur aan de Vaart totaal niet te vergelijken is met de ligging van het H. Hooverplein, gezien de frituur aan de Vaart ver buiten het werkelijke centrum van de stad ligt, op een plaats waar deze frituur veel minder storend is dan zou bijvoorbeeld wel zou zijn in de stadskern nu vooralsnog de Vaartkom zeker niet het mooiste plekje is in de stad Leuven (veel oude verlaten industriële panden); Deze mening was het Hof van Beroep te Brussel ook toegedaan : ‘Sommige standplaatsen waarnaar Marc Taymans refereert en in het bijzonder dit aan het Prins Regentplein te Kessel-Lo, bevinden zich, zoals uit de voorgelegde stukken blijkt, niet in de binnenstad, of konden gedurende een bepaalde periode niet worden gebruikt wegens werkelijk uitgevoerde werken, of zijn gelegen in een omgeving die helemaal niet overeenstemt met deze van de binnenstad (cf. deze aan het stapelhuis van de Vaart)’ Het is het geheel van motieven dat ertoe geleid heeft dat de frituur aan het H. Hooverplein niet langer toegelaten werd (ligging, esthetiek, praktische problemen), waarbij het essentieel is dat het Hooverplein in het echte stadscen- trum ligt en de frituur aan de Vaart alsook deze op het Sint-Jacobsplein, de Kruisstraat en de Minckelerstraat (verzoekende partij spreekt in de memorie van antwoord ten onrechte van de Vaartstraat) tegenover de Nerviërsstraat niet; Bovendien zijn de gebouwen en pleinen aan de Vaart van veel minder historische en culturele waarde dan de omgeving van het druk bezochte Hooverplein, zodat een verschillende behandeling van deze frituren volledig verantwoord is; Ook de motivering dat de frituur op het Hooverplein voor problemen zorgde tijdens evenementen is wel degelijk gegrond; De vergelijking tussen de vaststaande frituur op het Hooverplein met de verplaatsbare frituren en andere eetgelegenheden die geplaatst worden bij evenementen (en die dan ook deeluitmaken van dat evenement zoals bijvoor- beeld de smoutbollenkraam, de escargotkraam... bij de kermis, de pannenkoe- kenkraam, de glühweinkraam... bij de kerstmarkt) kan niet gevolgd worden; De problemen situeerden zich immers bij de opstelling van evenementen zoals Leuven kermis, waarmee duidelijk bedoeld wordt dat de frituur in de weg stond bij de opbouw (of “opstelling”) van de attracties of standen; Een verplaatsbare frituur welke wordt geplaatst bij een evenement kan uiteraard verplaatst worden wanneer ze in de weg staat of kan op het plein worden geplaatst op plek waar ze geen last veroorzaakt bij de opstelling van een evenement, wat totaal onmogelijk was met de vaste frituur van verzoekende partij”; 4.2.
  9. Overwegende dat, zoals gezien, verwerende partij haar beslissing om de standplaats op het Herbert Hooverplein niet meer in de nieuwe vergunnings- voorwaarden op te nemen, aan verzoeker ter kennis heeft gebracht middels een door XII-3885-7/13 de bevoegde schepen mee ondertekende brief van 27 januari 2003 waarin staat geschreven : “Daar het de bedoeling is van het stadsbestuur om in de nabije toekomst over te gaan tot de volledige heraanleg van het Herbert Hooverplein besliste de gemeenteraad in zitting van 20 januari 2003 standplaats nr. 1 - H. Hooverplein, niet meer op te nemen in de nieuwe vergunningsvoorwaarden”; Overwegende dat verwerende partij, door de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant uitdrukkelijk gevraagd naar haar opmerkingen met betrekking tot verzoekers klacht ter zake, in een, alweer door de bevoegde schepen mee ondertekende brief van 21 maart 2003, onder meer antwoordde : “Het gemeentereglement wordt bijzonder goed gemotiveerd, niet alleen met het argument dat het H. Hooverplein zal worden heraangelegd (zoals vermeld in de brief waarmee het nieuwe reglement u ter kennis werd gebracht), maar ook door vele andere argumenten waaruit onder meer blijkt dat in het verleden andere standplaatsen werden afgeschaft. De afschaffing van een standplaats is dus geen unicum waarvan de heer Taymans het ‘slachtoffer’ is geworden. Voor de volledigheid vermeldt het gemeenteraadsbesluit houdende de nieuwe vergunningsvoorwaarden voor standplaatsen van onder meer frituren de volgende argumenten : - voor de standplaats gelegen in de Bosstraat te Wilsele werd geen nieuwe concessie toegekend aan de inschrijver omdat deze nog standplaatsrecht verschuldigd was aan de stad. - de gemeenteraad in zitting van 14 juni1999 besloot de standplaats gelegen op de Vismarkt te Leuven af te schaffen. - het college van burgemeester en schepenen besliste in zitting van 12 mei 1999 de standplaats gelegen aan het Ymeriacomplex te Wijgmaal te ontnemen aan de huidige uitbater en niet meer in concessie te geven. - van alle frituren die opnieuw opgenomen worden in de vergunningsvoorwaar- den is de frituur gelegen Herbert Hooverplein de enige frituur die nog in het stadscentrum gelegen is. - alle standplaatsen voor frituren gelegen in de binnenstad werden dus verwijderd. - deze frituur ontsiert het plein en vormt dikwijls een obstakel tijdens de activiteiten”; Overwegende dat het bijgevolg ongeloofwaardig is dat het verdwijnen van de standplaats op het Herbert Hooverplein hoegenaamd niets te maken heeft met een geplande heraanleg van het plein; dat, in zoverre dat motief niet overeen te brengen is met de motieven in de gemeenteraadsbeslissing van 20 januari 2003 zelf, de conclusie dan klaarblijkelijk moet zijn dat de bestreden beslissing niet alle motieven ervan vermeldt; XII-3885-8/13 Overwegende, tevens, dat verzoeker het motief van de voorgeno- men heraanleg van het plein terecht gebrek aan feitelijke juistheid verwijt; dat met een brief van 5 mei 2006 de raadsman van verwerende partij meedeelt dat de bedoelde werken nooit hebben plaatsgevonden en “ook niet gepland [zijn] in de nabije toekomst”; 4.2.
  10. Overwegende, wat de motieven betreft die de gemeenteraads- beslissing van 20 januari 2003 expliciet vermeldt, dat verzoeker er pas voor het eerst in de memorie van wederantwoord kritiek op levert; dat verzoeker ter verantwoor- ding daarvan meedeelt dat hij aanvankelijk, op grond van de brief van 27 januari 2003 waarmee de verwerende partij hem ervan bericht dat de standplaats op het Hooverplein wordt afgeschaft, van mening was dat de enige reden daarvoor de heraanleg van het plein was; Overwegende dat de verwerende partij die uitleg betwist omdat de brief van 27 januari 2003 slechts een “begeleidend schrijven” zou zijn geweest bij de “integrale beslissing van de gemeenteraad”, wat verzoeker zogezegd “zelf toegeeft”; Overwegende dat de meer vermelde brief van 27 januari 2003 direct noch indirect naar enige bijlage verwijst; dat voorts de Raad van State nergens leest dat verzoeker zou toegeven dat bij de brief een afschrift van de gemeenteraads- beslissing van 20 januari 2003 was gevoegd; dat ten slotte de brief niet zodanig is gesteld dat verzoeker redelijkerwijze moest vermoeden dat hij niet alle motieven van de meegedeelde beslissing deed kennen; dat bijgevolg niet opgaat de redenering van verwerende partij dat, indien de bestreden beslissing niet bij de brief stak, verzoeker dan wel een afschrift ervan zou hebben opgevraagd, wat hij niet heeft gedaan; Overwegende dat verzoekers uitleg overtuigt; dat zijn kritiek op de motieven in de beslissing van 20 januari 2003 tijdig is; 4.2.
  11. Overwegende dat luidens een eerste van die motieven “de frituur gelegen Herbert Hooverplein de enige frituur is die nog in het stadscentrum gelegen is” en “alle standplaatsen voor frituren gelegen in de binnenstad verwijderd werden”; XII-3885-9/13 Overwegende dat verzoeker dit tegenspreekt, met een verwijzing naar onder meer de standplaats op het Sint-Jacobsplein en in de Kruisstraat; dat hij aan de hand van het ontwerp van het ruimtelijk structuurplan Leuven betoogt dat onder “binnenstad” immers verstaan moet worden het stadsdeel gelegen binnen de ring; Overwegende dat de verwerende partij reageert dat met “binnen- stad” het “stadscentrum” wordt bedoeld - althans het stadscentrum zoals zij het in haar stuk 27 zelf heeft afgebakend, omvattend “de zone van de stad [...] dewelke door de modale Leuvenaar als het echte stadscentrum wordt beschouwd”, welke zone “de grootste concentratie van belangrijke pleinen, gebouwen en bezienswaardig- heden telt van de stad” en “waarschijnlijk ook bij mensen van buiten Leuven het meest bekend [is] en [...] druk bezocht [wordt] door toeristen”; dat volgens haar noch het Sint-Jacobsplein, noch de Kruisstraat in dat stadscentrum liggen, maar wel het Herbert Hooverplein; Overwegende dat verzoeker dit dan weer “een persoonlijke a posteriori interpretatie van de -uiteraard partijdige- raadsman van de stad Leuven” noemt; dat de auditeur van haar kant er op wijst dat het ruimtelijk structuurplan Leuven het Sint-Jacobsplein wel degelijk tot “de middeleeuwse kern” rekent, waar het langparkeren voor bezoekers moet worden afgeschaft; Overwegende dat, naar uit het voorgaande moet worden afgeleid, de verwerende partij het Sint-Jacobsplein de ene keer wel in de binnenstad/het stadscentrum situeert en de andere keer niet; dat zij voor die divergentie geen andere verklaring geeft dan dat de inhoud van het ruimtelijk structuurplan “geenszins bindend” was bij het nemen van de gemeenteraadsbeslissing van 20 januari 2003 omtrent de standplaatsen; dat dit niet voldoet; dat de beslissing over de standplaatsen in wezenlijk dezelfde periode is genomen als die waarin de besluitvorming over het ruimtelijk structuurplan plaatshad; dat een overheid er toe gehouden is in haar beoordeling een minimum aan consistentie aan de dag te leggen, op het gevaar af zich aan willekeur schuldig te maken; dat de verwerende partij de noties “binnenstad” of “stadscentrum” dan ook niet zomaar de ene of de andere invulling kan geven naargelang het haar goed uitkomt; XII-3885-10/13 Overwegende dat in de gegeven omstandigheden het motief dat de frituur op het Herbert Hooverplein de enige is die nog in de binnenstad/het stadscentrum overschiet, draagkracht ontbeert; 4.2.
  12. Overwegende dat de bestreden weigering ter motivering voorts aanvoert dat de frituur op het Herbert Hooverplein “het plein ontsiert”; dat met verzoeker evenwel wordt vastgesteld dat, blijkens het hiervoor sub 1 vermelde voorstel van de bureauchef Middenstand, ook van de frituur aan de Vaart, tegenover het Openbaar Stapelhuis, wordt gezegd dat zij “het plein en de omgeving ontsiert”; dat het de verwerende partij er niet van weerhoudt de standplaats te handhaven “aangezien er in de onmiddellijke omgeving geen andere oplossing is en anders deze uitbaters hun broodwinning volledig verliezen”; dat niet betwist wordt dat ook voor verzoeker de uitbating op het Herbert Hooverplein zijn enige beroepsactiviteit betreft en dat ook hij niet over een oplossing in de onmiddellijke omgeving beschikt; dat hij zich niettemin niet in een gelijke goedgunstige meedogendheid mag verheugen; dat, meer nog, zelfs niet blijkt dat tenminste verwerende partij bij de afschaffing van zijn vroegere standplaats die gegevens in overweging heeft genomen; dat dit euvel niet post factum kan worden goedgemaakt; 4.2.
  13. Overwegende, wat het argument betreft dat de frituur op het Herbert Hooverplein “dikwijls een obstakel vormt tijdens activiteiten”, dat hiermee gerefereerd wordt aan de kermis en de kerstmarkt; dat daarop, volgens verwerende partij, wel plaats is voor “andere eetgelegenheden” zoals onder andere een smoutbollenkraam, een escargotkraam, een pannenkoekenkraam en zelfs een frietkraam, op voorwaarde evenwel dat ze verplaatsbaar zijn; dat, nog steeds volgens de verwerende partij, een vást frietkraam immers niet verplaatst kan worden wanneer het “in de weg” staat “bij de opbouw (of ‘opstelling’) van de attracties of standen”; Overwegende dat het, begrijpelijkerwijze, “totaal onmogelijk” is om een vaste frituur te verplaatsen wanneer ze in de weg staat; dat echter niet begrepen wordt, en de verwerende partij evenmin met de minimaal vereiste precisie toelicht, waarom een dergelijke frituur niet in de opstelling van de kermis of de markt zou kunnen worden ingepast, zodat zij dan niét in de weg staat en zodat haar onverplaatsbaarheid geen moeilijkheid oplevert; XII-3885-11/13 4.2.
  14. Overwegende, volledigheidshalve, dat in zoverre uit de sub 4.2.
  15. aangehaalde verantwoording jegens de gouverneur moet worden opgemaakt dat de verwerende partij zich voor de afschaffing van de standplaats op het Herbert Hooverplein tevens gesteund zou hebben op “argumenten waaruit onder meer blijkt dat in het verleden andere standplaatsen werden afgeschaft”, ook dit motief gebrekkig is; dat, op de keper beschouwd, de verdwijning van de frituren op die andere standplaatsen steeds blijkt terug te gaan op het in gebreke blijven van de standhouder om het vereiste standplaatsgeld te betalen; dat dit, zoals verzoeker in de memorie van wederantwoord beklemtoont, eveneens geldt voor de standplaats op de Vismarkt; dat de bureauchef Middenstand ter zake op 5 september 2002 schreef dat in afwachting van werken -die blijkens een verklaring van 5 mei 2006 van de raadsman van verwerende partij nog altijd niet hebben plaatsgehad- aan de standplaatshouder “een precaire toelating [werd] verleend om de standplaats verder uit te baten op voorwaarde dat het standplaatsgeld tijdig betaald werd” en dat de precaire toelating niet verlengd werd “[a]angezien dit standplaatsgeld niet betaald werd”; Overwegende dat er verzoeker, daarentegen, geen wanbetaling aan te wrijven is; dat het in die omstandigheden misplaatst is de afschaffing van zijn standplaats op het Herbert Hooverplein mee te motiveren met een verwijzing naar de weglating van de standplaatsen aan de Bosstraat te Wilsele, op de Vismarkt en aan het Ymeriacomplex te Wijgmaal; 4.2.
  16. Overwegende dat de afschaffing van de standplaats voor de verkoop van eetwaren bestemd voor onmiddellijke consumptie op het Herbert Hooverplein niet genoegzaam verantwoord is; dat het tweede middel, zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  17. Vernietigd wordt de beslissing van 20 januari 2003 van de gemeenteraad van Leuven tot goedkeuring van de vergunningsvoorwaarden betreffende de standplaatsen op de openbare weg voor de verkoop van eetwaren bestemd voor onmiddellijke consumptie voor de periode van 1 augustus 2003 tot en XII-3885-12/13 met 31 juli 2009, in zoverre geweigerd wordt daarin een standplaats in te schrijven op het Herbert Hooverplein. Artikel
  18. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf oktober 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3885-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.201 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.123.938 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.