id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.220 Rolnummer: A. 171599/XII-4692 Zaak: Arrest 163220 - - 05/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-12 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 05:57 Fiche Arrest nr 163.220 van 5 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.220 van 5 oktober 2006 in de zaak A. 171.599/XII-
- In zake : Alphonse WIJNANTS, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, kantoor houdende te 1050 Brussel, Lang Levenstraat 27-29 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 16, dat woonplaats kiest bij advocaat G. Van den Eynde, kantoor houdende te Geel, Diestseweg
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Alphonse Wijnants op 13 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van 7 december 2005 waarbij de raad van bestuur van scholengroep 16 de kandidatuur van verzoeker voor het ambt van directeur van het K.T.A. 1 te Hasselt afwijst en waarbij Marleen Blévi waarnemend aangesteld wordt in dit ambt”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 september 2006; XII-4692-1\5 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat S. Cauwenberghs, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van de vordering tot schorsing de volgende zijn : Verzoeker is vast benoemd leraar van de scholengroep 16 van het Gemeenschapsonderwijs en hij fungeert sedert 1 juli 2002 als waarnemend directeur van het KTA1 Hasselt. Op 26 september 2005 beslist de raad van bestuur “de waarnemende aanstelling van de heer Wijnants als directeur van het KTA 1 Hasselt te beëindigen en de heer Wijnants met ingang van 1 oktober 2005 te verwijderen uit het directieambt van het KTA 1 Hasselt”. Bij arrest nr. 157.541 van 13 april 2006 verwerpt de Raad van State een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing, wegens het ontbreken van een genoegzaam aangetoond moeilijk te herstellen en ernstig nadeel. Verzoeker en M. Blévy stellen zich vervolgens kandidaat voor de waarnemende aanstelling in het ambt van directeur van het KTA 1 Hasselt. Verzoeker wordt door de jury met 86 punten als eerste gerangschikt, M. Blévy krijgt 80 punten toegekend en is dus tweede. Op 7 december 2005 beslist het college van directeurs (CVD), ofschoon de beoordeling van de jury “door het CVD niet in twijfel [wordt] getrokken”, om geen enkele kandidaat voor te dragen en vraagt het om een nieuwe oproep te plaatsen. XII-4692-2\5 Diezelfde dag reeds neemt de raad van bestuur kennis van het voorstel, overweegt hij onder meer dat verzoeker niet geschikt is voor de thans openstaande functie en dat een vertrouwensbreuk is ontstaan die een goede samenwerking op directieniveau onmogelijk maakt en beslist hij om de kandidatuur van verzoeker af te wijzen en om M. Blévi waarnemend aan te stellen in het ambt van directeur KTA1;
- Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat verwerende partij, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, in de nota met opmerkingen opwerpt dat verzoeker “enkel argumenteert dat het MTHEN volgt uit de verwijdering uit het ambt, beslissing dewelke niet het voorwerp is van huidige procedure, doch van de procedure bij de Raad van State gekend onder referte G./A.168.189/XII-4588”; Overwegende dat de Raad van State verwerende partij bijvalt; dat, inderdaad, verzoeker bijzonder uitvoerig overheen meerdere -om die reden jammer genoeg niet genummerde- bladzijden uiteenzet waarom de tenuitvoerlegging van de bestreden maatregel hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel doet ondergaan maar hij zich daarbij kennelijk van zaak vergist; dat hij immers geheel zijn betoog haakt aan de verwijdering uit het ambt en het nadeel dat die maatregel hem berokkent; dat die beslissing niet het voorwerp vormt van de huidige vordering, maar wel van verzoekers beroep gekend onder rolnummer A. 168.189/XII-4588; dat overigens, als gezien, over die zaak reeds voorlopig uitspraak is gedaan op 13 april 2006 en thans, ook al is de procedure ten gronde nog hangende, de verwijderingsmaatregel uitvoerbaar en uitgevoerd is; XII-4692-3\5 Overwegende dat bij de hier voorliggende zaak de beslissing wordt bestreden waarbij, gegeven twee kandidaten die de aanstelling ambiëren, niet verzoeker, maar een andere kandidaat tijdelijk waarnemend wordt aangesteld in een ambt; dat, ter voldoening van de gestelde schorsingsvoorwaarde, het nadeel dat verzoeker wil doen gelden rechtstreeks verband moet houden met de tenuitvoerlegging van die beslissing; Overwegende dat wie zich voor een benoeming c.q. waarnemende aanstelling in een openbaar ambt kandidaat stelt er rekening moet mee houden dat hij wordt voorbijgezien; dat die vaststelling, zoals te dezen, ook geldt wanneer hij door een jury wel als de beste wordt voorgedragen doch de benoemende overheid met die keuze niet akkoord gaat; dat het moreel nadeel dat hiermee gepaard gaat in de regel voldoende hersteld wordt door de morele genoegdoening die een, overigens met terugwerkende kracht geldende, nietigverklaring van een benoeming of aanstelling verleent; dat het dan ook niet moeilijk herstelbaar voorkomt; dat verzoeker door de vernietiging normaal gezien een nieuwe kans heeft om in het geambieerde ambt te worden aangesteld; dat daarenboven het te dezen niet eens gaat om een vaste benoeming, maar om een waarnemende aanstelling in een ambt waarvan de titularis is gedetacheerd, zodat die titularis op ieder ogenblik kan terugkomen om zijn ambt weder op te nemen; dat het gebrek aan stabiliteit van een dergelijke tijdelijke, precaire aanstelling normaal uitsluit dat het mislopen van wat slechts een kans is op zo een aanstelling, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan onderbouwen; Overwegende dat het aan verzoeker toekomt om de Raad ervan te overtuigen dat het in dit geval uitzonderlijk anders moet zijn; Overwegende evenwel dat verzoeker, door in het verzoekschrift enkel op de eerdere verwijdering uit zijn ambt te focussen, waarvan daarenboven reeds door de Raad van State met het gezag van een schorsingsarrest is geoordeeld dat er geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit voortvloeit, en door niet in te gaan op het nadeel dat hij specifiek zou ondergaan door de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing, een uitzonderlijke afwijking van wat hiervoor als de regel in herinnering is gebracht niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk maakt; dat verzoeker ter terechtzitting nog wel andere argumenten formuleert, zoals zijn vorderende leeftijd en de trage rechtsgang voor de Raad van State en de vrees door de afwijzing bij sollicitaties in andere scholengroepen persona non grata te worden; dat met die argumenten evenwel geen rekening mag worden gehouden, daargelaten XII-4692-4\5 of ze dienstig zijn om de schorsingsvoorwaarde te beoordelen, omdat verzoeker ze reeds in het inleidend verzoekschrift had kunnen, en moeten, kenbaar maken; Overwegende dat niet voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf oktober 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4692-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.220 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.