← België

Arrest 163301 - - 09/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.301 Rolnummer: A. 125137/IX-3452 Zaak: Arrest 163301 - - 09/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-19 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 06:13 Fiche Arrest nr 163.301 van 9 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.301 van 9 oktober 2006 in de zaak A. 125.137/IX-3452. In zake : Elza RYCKAERT, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : 1. de minister van Pensioenen, 2. de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Elza RYCKAERT op 8 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 mei 2002 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep van wijlen haar echtgenoot Karel DE CONINCK tegen de beslissing van 28 mei 1999 van de minister van Pensioenen om zijn toerekenbare invaliditeit niet te verhogen zoals gevraagd, om hem geen amputatiever- goeding toe te kennen en om de vergoeding voor hulp van derden te behouden; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-3452-1/9 Gelet op de beschikking van 5 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ch. DE RYCKE die, loco advocaat G. VERMEIRE verschijnt voor de verzoekende partij, en van eerste attaché van Financiën, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.1. Karel DE CONINCK (/ 22/1/1920) vraagt op 31 mei 1943 een vergoedingspensioen aan wegens sciatiek linker been, opgelopen bij een ongeval - trap van een slaand paard op heup en linkerdijbeen - op 9 februari 1940, toen hij als soldaat-milicien zijn dienstplicht vervulde. Deze aanvraag wordt door de commissie voor vergoedingspen- sioenen op 20 oktober 1954 wegens “gebrek aan bewijzen van oorzakelijk verband met het aangehaald dienstfeit” verworpen. 1.2. Naar aanleiding van een vraag tot herziening van 29 december 1958 wordt het oorzakelijk verband met de dienst op 13 juni 1960 door de commissie voor vergoedingspensioenen erkend. Betrokkene krijgt met ingang van 1 december 1958 een vergoedingspensioen toegekend berekend op 30% invaliditeit voor “gedeeltelijke verlamming van linker nervus ischiadicus alsook een lichte parese van de nervus femoralis (artikelen 623a en 622b gecombineerd rationele raming)”. IX-3452-2/9 1.3. Wegens verergering van de aandoening wordt de invaliditeit in 1961 verhoogd tot 40% en vervolgens met ingang van 1 oktober 1969 tot 60% (volledige verlamming van linker nervus ischiadicus en uitgesproken parese van linker nervus femoralis artikelen 623a en 623b bij rationele raming). 1.4. Op 5 december 1990 kent de commissie voor vergoedings- pensioenen Karel DE CONINCK vanaf 1 september 1987 een “bijzondere vergoeding voor hulp van een derde persoon (eerste categorie, tweede graad)” toe. De commissie overweegt dat de situatie van betrokkene gelijkgesteld kan worden met een geamputeerde. 1.5. Op 23 december 1998 dient Karel DE CONINCK opnieuw een aanvraag tot herziening wegens verergering van zijn aandoening in. Hij vraagt “minimum 80% invaliditeit voor de verlamming van (zijn) linker been en gelijkstelling met amputatie en verhoging voor hulp van derden”. 1.6. Na advies van de gerechtelijk-geneeskundige dienst (GGD) - die van oordeel is dat de toestand van het aanrekenbaar letsel ongewijzigd is en dat de verergering van de lichamelijke situatie “uitsluitend te wijten (

  1. is)aan latere niet vergoedbare vreemde factoren” - beslist de minister van Pensioenen op 28 mei 1999 dat er geen aanleiding bestaat tot herziening van de eerdere beslissingen en dat betrokkene niet gerechtigd is om de amputatievergoeding voorzien bij artikel 12
  2. a)van de gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen te bekomen. 1.7. Op 27 juli 1999 tekent Karel DE CONINCK tegen deze beslissing hoger beroep aan. Hij overlijdt op 21 april 2000. 1.8. De beroepskamer van de GGD raamt in haar protocol van 17 mei 2000 de invaliditeit wegens “volledige verlamming van de nervus ischiadicus links en uitgesproken parese van de linker nervus femoralis” op 70%. Deze raming steunt op volgende gerechtelijk-geneeskundige bespreking : “De heer De Coninck Karel vertoont inderdaad een totale paralyse van de n. ischiadicus links en een uitgesproken parese van de n. femoralis links. De andere kwalen die belanghebbende claimt nl. rugklachten, PSH rechter schouder alsook zijn diabetes mellitus type 2, de matige nierinsufficiëntie en de neurogene blaas staan niet in verband met het trauma opgelopen op 9/2/1940, zijn dus niet aanrekenbaar en worden hier dus ook niet getaxeerd; zij evolueren voor eigen rekening. IX-3452-3/9 Raming: Volgens art. 623a 40% art. 624b cfr. art. 620 20% art. 622b 12% Bij rationele raming 70% De heer De Coninck Karel komt niet in aanmerking voor een amputatiever- goeding zoals bepaald in artikel 12a van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen (SWVP).” De categorie en graad van de vergoeding voor hulp van een derde persoon blijft ongewijzigd. 1.9. Op 21 mei 2002 neemt de commissie van beroep voor vergoe- dingspensioenen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep van wijlen Karel DE CONINCK “ontvankelijk en gegrond” wordt verklaard en waarbij betrokkene met ingang van 1 december 1998 een definitief pensioen, berekend op een invaliditeit van 70% wordt verleend, evenals een bijzondere vergoeding voor hulp van een derde persoon (eerste categorie, tweede graad). Deze beslissing wordt in het bijzonder verslag aldus verantwoord : “Overwegende dat bij beslissing van 09/07/1970 van de Minister die de vergoedingspensioenen onder zijn bevoegdheid heeft een invaliditeit van 60% werd erkend ingevolge schadelijke feiten die zijn gebeurd gedurende en door het feit van de dienst voor de volgende aandoeningen: verlamming linker nervus ischiadicus en uitgesproken parese van linker nervus femoralis; Overwegende dat de Commissie zich aansluit bij het advies van de GGDB die de invaliditeit op 70% schatte, waardoor er een verergering overeenkomstig artikel 37 van de SWVP is vastgesteld; Betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 12 a vereist voor het bekomen van een amputatievergoeding;” 2.1. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord opmerkt dat de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen geen memorie van antwoord ingediend heeft, hoewel “zij de eigenlijke tegenpartij is” en dat, wat de memorie van antwoord ingediend door de Belgische Staat betreft, het haar niet duidelijk is op grond waarvan de auditeur-generaal van Financiën namens de minister van Pensioenen en de minister van Landsverdediging de memorie van antwoord heeft kunnen indienen; IX-3452-4/9 2.2. Overwegende dat de commissie van beroep voor vergoedings- pensioenen opgetreden is als een administratief rechtscollege, dat niet zelf de verdediging van zijn beslissingen op zich neemt; dat die verdediging namens de Belgische Staat gevoerd wordt door de minister die administratief voor de commissie instaat; dat het ministerieel besluit van 21 maart 1997 de auditeurs-generaal van de administratie der Pensioenen van het ministerie van Financiën aanwijst om de procedurestukken inzake de bij de Raad van State aanhangige geschillen inzake vergoedingspensioenen te ondertekenen; dat de memorie van antwoord rechtsgeldig ingediend is; 3.1. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsverplichting, van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 12a en 37 van de gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen; dat zij in het derde onderdeel van het middel stelt dat de commissie van beroep zich niet behoorlijk van haar taak gekweten heeft doordat er geen eigen onderzoek uitgevoerd is aangaande de punten die vermeld waren in de herzieningsaanvraag -met name rugklachten, incontinentie, reflexen en vibratiezin in het rechterbeen, parese van voet en tenen- en doordat er niet wordt uiteengezet waarom de ingeroepen klachten geen verband hebben met het trauma opgelopen in 1940; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat in een procedure aangaande de verergering van een letsel alleen onderzocht moet worden of er elementen aanwezig zijn die op medisch vlak een hogere invaliditeit rechtvaardi- gen, dat de commissie van beroep het advies van de gerechtelijk-geneeskundige dienst van beroep (GGDB) moet volgen voor wat de vaststelling van het invaliditeits- percentage betreft en dat zij haar beslissing genoegzaam motiveert wanneer zij, geplaatst voor uiteenlopende conclusies van geneesheren, de con-clusies van de GGDB tot de hare maakt; dat zij ook stelt dat verzoekster eigenlijk aan de Raad van State vraagt om medische stukken te interpreteren, hetgeen niet toegelaten is; 3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord stelt dat niet blijkt dat de aangeklaagde secundaire rugklachten medisch-wetenschap- pelijk onderzocht werden, dat de commissie van beroep een eigen onderzoeks- en appreciatiebevoegdheid heeft, dat zij zich niet klakkeloos moet houden aan het verslag van de GGD maar dat zij bevoegd is om de feitelijke medische bewijspro- blematiek te beoordelen; IX-3452-5/9 Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie er nog op wijst dat de ellende die Karel DE CONINCK ondergaan heeft -zijn rugklachten, te weten “verkromming en bultvorming” en zijn nierinsufficiëntie als gevolg van de medicatie- “het uitsluitend en natuurlijk gevolg is van de verergering als gevolg van de oorspronkelijk opgelopen oorlogstrauma’s”, dat zulks reeds in een geneeskundig verslag van 27 maart 1961 was vermeld en dat ook de GGD reeds op 13 januari 1970 heeft gesproken over “meer pijn in de rug en het linker been”; 3.4.1. Overwegende dat de aanvraag tot herziening wegens verergering, ingediend op 23 december 1998, gestaafd was met een attest van de behandelende geneesheer van Karel DE CONINCK, waarin de ontwikkeling van de eerder aangenomen kwaal -de “volledige verlamming van de nervus ischiadicus links en uitgesproken parese van de nervus femoralis”- sedert het laatste deskundig onderzoek werd geschetst; dat volgens dit attest de evolutie over jaren geleid (heeft) tot volgende vastgestelde letsels: “- de gang alleen mogelijk met dubbele steun; - atrofie van li-been met omtrek van 25cm links ten opzichte van 31cm rechts (10cm boven patella-basis) en 15cm onder de patella 36cm links en 41cm rechts; - zware parese van extensie en flexie van voet en tenen; - Areflexie in de onderste ledematen; - Toenemende pijn in re-schouder na traumata door recidiverend vallen; - Tast- en pijnprikgevoel gedeeltelijk uitgevallen over li-been; - Vibratiezin volledig verdwenen ter hoogte van beide onderste lede- maten; - Tekenen van poly-neuropathie in de hand gewerkt door diabetes mellitus, niet insuline gebonden; - Matige nierinsufficiëntie met letsels van neurogene blaas en recidiverende problemen van incontinentie maken het dragen van prothese-apparaat van li-been herhaaldelijk onmogelijk met aanleiding tot recidiverend vallen en PSH van rechterschouder; - Achteruitgang van de fysieke toestand en toenemende rugklachten ten gevolge van secundaire diffuse spondylarthrose en discarthrose L5-S1 verminderen sterk zijn zelfredzaamheid.” dat de geneesheer besluit : “het is duidelijk dat de verergering van de neurologische aandoening gebonden aan de veroudering van de patiënt en versterkt door de intercurrente inwendige aandoeningen aanleiding geeft tot een herziening van zijn oorlogsin- validiteit waarvan de letsels bewezen zijn (...)”; 3.4.2. Overwegende dat in het verslag van 19 februari 1999 van de GGD met betrekking tot de voormelde bemerkingen van de behandelend geneesheer van Karel DE CONINCK vastgesteld is dat “de vermeerderde klachten aan onderste IX-3452-6/9 ledematen, rug, schouders, urinewegen, algemene toestand” volledig het gevolg zijn van latere vreemde factoren (diabetes, rigiditeit en bevingen, neurogene blaas, degeneratieve letsels en matige nier-insufficiëntie ten gevolge van diabetes) terwijl de “toestand van zijn aanrekenbaar letsel ongewijzigd (is)”; dat de GGDB in zijn verslag gesteld heeft dat de reeds eerder aangenomen letsels resulteren in een invaliditeit van 70%, maar dat de “andere kwalen die belanghebbende claimt (...) niet in verband staan met het trauma opgelopen op 9/2/1940, (dat zij) dus niet aanreken- baar zijn en dus ook niet getaxeerd worden”; Overwegende dat de commissie van beroep zich bij het verslag van de GGDB aangesloten heeft, zonder eigen bijkomende motivering; 3.4.3. Overwegende dat de commissie van beroep, wanneer zij een negatieve beslissing neemt over een vraag tot herziening waarin melding gemaakt wordt van een verergering wegens bijkomend vastgestelde kwalen, moet aanduiden waarom deze nieuwe kwalen, waarvan zij het bestaan aanvaardt, niet als een verergering van de oorspronkelijk weerhouden letsels kunnen worden beschouwd; dat de omstandigheid dat het letsel pas later ontstaan is of zich gemanifesteerd heeft, of zelfs dat het ook te maken heeft met het ouder worden van de betrokkene, nog niet betekent dat het geen uitstaans heeft met het aanvankelijk opgelopen trauma; Overwegende dat de algemeen en vaag gestelde verwijzing in de conclusies van de GGDB dat de kwalen van verzoeker “niet in verband staan met het trauma opgelopen op 9/2/1940”, de Raad van State niet toelaat uit te maken of de commissie van beroep, wat het oorzakelijk verband betreft tussen de kwalen die door de behandelend geneesheer als een verergering van de invaliditeit werden aangebracht en het oorspronkelijk trauma, wel correct haar discretionaire beoordelingsbevoegd- heid uitgeoefend heeft; dat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd is; dat het middel gegrond is, IX-3452-7/9 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 21 mei 2002 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep van wijlen de echtgenoot van Elza RYCKAERT, Karel DE CONINCK, tegen de beslissing van 28 mei 1999 van de minister van Pensioenen om zijn toerekenbare invaliditeit niet te verhogen zoals door hem gevraagd, om hem geen amputatiever- goeding toe te kennen en om de vergoeding voor hulp van derden te behouden. Artikel 2. Dit arrest zal in de registers van bovenvermelde commissie van beroep worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel 3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde commissie van beroep voor vergoedingspensioenen. Artikel 4. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3452-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-3452-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.301 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.