← België

Arrest 163302 - - 09/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:200

§ 4van het besluit”.

De vergoeding heeft betrekking op een vergoeding voor analysekosten (art. 5), een vergoeding wegens vernietiging in het buitenland (art. 6) en/of een vergoeding voor terugkeer naar België en voor de vernietiging (art. 7). 1.

  1. Verzoekster bewijst niet dat zij aan het bestuur andere bewijsstuk- ken overgemaakt heeft dan deze gevoegd bij haar aanvraag van 6 oktober
  2. De verwerende partij van haar kant legt een stuk voor waaruit blijkt dat zij op 27 november 2000 om aanvullende stukken verzocht heeft en dat zij die vraag op 12 april 2001 met een aangetekende brief in herinnering gebracht heeft. 1.
  3. Op 22 februari 2002 beslist de minister belast met de landbouw dat verzoeksters aanvraag tot schadevergoeding dient te worden afgewezen. Deze beslissing luidt : DOSSIER 152 - ST. PAUL nv Gelet op het Ministerieel Besluit van 23 december 1999 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige levende dieren en sommige producten van dierlijke oorsprong; Gelet op het dossier ingediend op 6 oktober 1999 door ST. PAUL nv, overeenkomstig artikel 3 §

§4

van bovengenoemd besluit met het oog op het bekomen van een vergoeding voorzien in artikels 5, 6 en 7; Gelet op het feit dat de vergoeding voor analysekosten forfaitair is i vastgesteld op 7000,00 BEF (173,53 ) maximum, exclusief BTW (art. 5 § 3, M.B. van 23 december 1999); Gelet op het hierbij gevoegd gemotiveerd advies van de technische commissie ingesteld bij Ministerieel Besluit van 19 juli 2000 in uitvoering van artikel 9 en 9 bis van het Ministerieel Besluit van 23 december 1999, gewijzigd bij Ministerieel Besluit van 19 juli 2000; Gezien dat advies negatief is (vergadering technische commissie van 22/05/2001); IX-3304-4/7 MOTIVERING voor wat betreft dossier 152/1: De stavingsstukken die bij het dossier dienen gevoegd te worden, zoals vermeld in het aanvraagformulier, zijn onvolledig en/of onduidelijk. De onduidelijkheid vindt haar grondslag in het feit dat de documenten niet identificeerbaar zijn en/of niet zijn opgesteld in één van de drie landstalen of in het Engels (zie formulier voor indiening van een dossier met het oog op een vergoeding van de schade ingevolge de dioxinecrisis). Ook na het aangetekend schrijven van 11/04/2001, waarbij de indiener verzocht werd zijn dossier te vervolledigen, bleef het dossier onvolledig en/of onduidelijk. De Technische Commissie heeft zich bijgevolg, voor het verlenen van haar advies, gebaseerd op de in het dossier aanwezige stukken. De indiening moet vergezeld zijn van afdoende bewijsstukken (art. 3, § 1 M.B. van 23 december 1999) en alle bijkomende gegevens die de Staat nodig acht moeten door de indiener verschaft worden (zie formulier voor indiening). De indiener komt niet in aanmerking voor een vergoeding daar er onvol- doende bewijsstukken ter staving bij het dossier gevoegd werden (art. 4, M.B: van 23 december 1999). voor wat betreft dossiers 152/2 - 6: Alleen dieren en afgeleide producten die vernietigd werden in het buitenland, kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding wegens vernietiging in het buitenland (art. 6, § 1, M.B. van 23 december 1999) en alleen dieren en afgeleide producten die naar België zijn teruggekeerd nadat zij in het buitenland het voorwerp hebben uitgemaakt van bewarende maatregelen en die in België vernietigd zijn, komen in aanmerking voor de in art. 7, § 2 omschreven vergoeding (art. 7, § 1, M.B. van 23 december 1999). De indiening van de dossiers moeten vergezeld zijn van afdoende bewijsstuk- ken (art. 3, § 1 M.B. van 23 december 1999). De verkoper komt slechts in aanmerking voor een vergoeding voor zover de bewijsstukken ter staving bij het dossier gevoegd worden (art. 4, M.B. van 23 december 1999), wat in casu niet het geval is. Het bewijs van vernietiging van de producten werd niet geleverd. BESLUIT dat voor de ingediende dossiers (detail in bijlage) in uitvoering van het M.B. van 23 december 1999, geen vergoeding kan worden uitbetaald.” Dit is de bestreden beslissing. Bij schrijven van 22 februari 2002 wordt zij verzoek- ster toegestuurd. 2.

  1. Overwegende dat de verwerende partij het beroep niet ontvan- kelijk acht omdat verzoekster de uitbetaling van een schadevergoeding nastreeft; dat verzoekster zulks in haar memorie van wederantwoord tegenspreekt en stelt dat zij de vernietiging vordert van een beslissing van de minister van Landbouw, die aan alle voorwaarden voldoet opdat de Raad van State zich over de nietigverklaring zou kunnen uitspreken; 2.2.
  2. Overwegende dat verzoekster de vernietiging beoogt van een administratieve beslissing waarbij haar de vergoeding, ingesteld door het ministerieel besluit van 23 december 1999 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige levende dieren en sommige producten van dierlijke oorsprong (hierna: het ministerieel besluit van 23 december 1999), IX-3304-5/7 geweigerd wordt; dat gewis het uiteindelijk oogmerk van verzoekster erin bestaat van de verwerende partij een vergoeding te verkrijgen voor de verliezen die zij door de dioxinecrisis geleden heeft, maar dat de Raad van State daarom nog niet onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen; dat de algemene bevoegdheid van de justitiële rechter alleen dan de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit wanneer uit de reglementering blijkt dat de vergoeding ingesteld is als een recht voor de betrokkene en het bestuur derhalve geen eigen beoordelingsbevoegheid heeft, ook niet ten aanzien van de voorwaarden die de aanvrager volgens het reglement moet vervullen; dat immers alleen in dat geval de gewone rechter, desgevallend na interpretatie van de betreffende teksten, over alle gegevens beschikt om vast te stellen of de voorwaarden voor de toekenning van de vergoeding vervuld zijn; 2.2.
  3. Overwegende dat het bestreden besluit zijn rechtsgrond vindt in het ministerieel besluit van 23 december 1999; dat dit besluit -artikel 4- bepaalt dat de laatste Belgische verkoper van de dieren en afgeleide producten, aangewezen in artikel 1, “onder de in onderhavig besluit vermelde voorwaarden in aanmerking komt voor een vergoeding voor zover de bewijsstukken ter staving bij het dossier worden gevoegd binnen de termijn vooropgesteld in artikel 3, §

§ 4” (Franse tekst: “...

peut prétendre à une indemnité ...”); dat met die bepaling ten voordele van de bedoelde verkoper een recht op vergoeding wordt ingesteld, wanneer alle reglemen- tair vastgestelde voorwaarden bepaald in het besluit vervuld zijn; Overwegende dat de beoordeling van de voorwaarden die de aanvrager volgens hetzelfde besluit van 23 december 1999 moet vervullen, geen discretionair optreden van het bestuur vereist; dat zulks ook niet het geval is ten aanzien van het bedrag dat toegekend kan worden; dat bijgevolg ook de justitiële rechter, bij wie de betaling van de vergoeding, waarop een aanvrager aanspraak meent te kunnen maken, afgedwongen wordt, kan uitmaken of de betrokkene de gestelde voorwaarden vervult -inzonderheid nagaan of de aanvraag en de bewijsstuk- ken tijdig ingediend zijn en of die bewijsstukken volstaan om het recht te doen ontstaan-, zonder dat hij daarbij het beoordelingsdomein van het bestuur betreedt; 2.2.

  1. Overwegende dat verzoekster geen bepaling aanwijst die Raad van State bevoegd zou maken om kennis te nemen van de geschillen die voortvloeien uit de toepassing van het ministerieel besluit van 23 december 1999; dat bijgevolg enkel de justitiële rechter bevoegd is om de geschillen over de toekenning van de IX-3304-6/7 vergoeding te behandelen, waardoor de bevoegdheid van de Raad van State uitgesloten is;
  2. Overwegende dat de verwerende partij in de kennisgeving aan verzoekster zelf aangestipt heeft dat zij tegen het bestreden besluit een annulatie- beroep kan indienen; dat het, met dat gegeven voor ogen, past de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-3304-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.302 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.