← België

Arrest 163304 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 09/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.304 Rolnummer: A. 132631/IX-3691 Zaak: Arrest 163304 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 09/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-18 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-07-01 06:55 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 163.304 van 9 oktober 2006 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.304 van 9 oktober 2006 in de zaak A. 132.631/IX-3691. In zake : Wilfried DE NIJS, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Wilfried DE NIJS op 3 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "het besluit dd. 28 november 2002 van de Directieraad van OVAM waaruit blijkt dat de heer Wilfried DE NIJS niet beschikt over de vereiste generieke competenties van afdelingshoofd, en het impliciet daarin gelegen besluit om de heer Wilfried DE NIJS niet in aanmerking te nemen voor de aanwijzing van afdelingshoofd van de afdeling 'bodemonderzoek en attestering'"; Gelet op het arrest nr. 119.868 van 26 mei 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partij op 18 juni 2003; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 11 juli 2003 door verzoeker; IX-3691-1/11 Gelet op de kennisgeving aan de verzoekende partij, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het schrijven van de verzoekende partij van 19 augustus 2003, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 17 november 2005, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 19 december 2005, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 11 september 2006; Gezien de aanvullende memorie van verzoeker van 21 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. WIRTGEN die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; IX-3691-2/11 2. Overwegende dat het arrest nr. 119.868 van 26 mei 2003 waarin de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt verworpen, op 18 juni 2003 is betekend op het adres waarop verzoeker keuze van woonplaats heeft gedaan; dat verzoeker op 11 juli 2003 een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, dat is binnen de voorgeschreven termijn van dertig dagen bepaald in voormeld artikel 17, § 4ter; dat het verzoek niet vergezeld was van de vereiste fiscale zegels; dat hij op 14 augustus 2003 een gezegeld exemplaar aan het dossier toevoegt; 3. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoek om te worden gehoord betoogt wat volgt : “I. Bij brief dd. 13 juni 2003 van Uw Griffie is het volgende medegedeeld : ‘U beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van deze mededeling om eventueel een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen. Dit verzoek dient vergezeld te zijn van Belgische fiscale zegels van 175 EUR en van 9 eigenhandig door U eensluidend verklaarde afschriften. Voor het overige wordt Uw aandacht gevestigd op artikel 17, § 4 ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State alsmede op artikel 15 ter, § 1 van het KB van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State, zoals vervangen door art. 2 van het KB van 26 juni 2000 (B.S. 15.07.2000 - tekst zie keerzijde).’ Op de keerzijde van deze brief wordt met geen woord gerept over het zegelen van het verzoekschrift tot voor(t)zetting, laat staan over de eventuele sanctie die zou gelden in geval van het niet-zegelen binnen de termijn. II. ‘(...)’; De Afdeling Wetgeving van Uw Raad heeft omtrent het artikel 70 van het Procedurereglement gesteld dat ‘de gevolgen die aan de ontstentenis van betaling van het recht bij het indienen van het processtuk waardoor het recht opeisbaar wordt, vooraf nauwkeurig omschreven moeten worden”. Het spreekt inderdaad voor zich dat de voorschriften voor de indiening van een verzoekschrift tot voortzetting, die op straffe van onontvankelijkheid zijn voorgeschreven, vooraf duidelijk moeten worden omschreven. Dit is niet het geval, al is het maar omdat Uw Raad in de zaak NUYENS heeft gesteld dat men enkel door de samenlezing van 3 verschillende bepalingen tot de bedoelde onontvankelijkheidssanctie ‘kan’ komen, althans ‘in principe’. En dan nog, wordt er een prejudiciële vraag aan de Algemene Vergadering van de Afdeling Administratie van Uw Raad gesteld. Te noteren is dat hierbij wordt gewezen op art. 70 en 71 van het Procedure- reglement, bepalingen waarnaar niet wordt verwezen in de brief dd. 13 juni 2003 die verzoekende partij heeft ontvangen. Redelijkerwijze kan men dus niet staande houden dat de verzoekende partij op een nauwkeurige wijze in kennis is gesteld van de principiële onontvankelijk- heidssanctie die Uw Raad meent te kunnen afleiden uit de samenlezing van 3 bepalingen. III. Inzake het aanbrengen van de fiscale zegels geldt als algemene regel dat een tijdig maar niet-gezegeld ingediend verzoekschrift tot schorsing of nietig- verklaring, ontvankelijk wordt bevonden voor zover de zegels binnen een IX-3691-3/11 redelijke termijn (nà het verloop van de termijn voor de indiening van het verzoekschrift) worden aangebracht. Inzake de beroepen tot nietigverklaring laat de Raad van State toe dat voor het zegelen van een dergelijk verzoekschrift de verschuldigde zegels nog worden aangebracht binnen een redelijke termijn - vijftien dagen - na de aanmaning daartoe door de griffie, omdat in dat geval niet duidelijk is of de verzoekende partij wist dat het plakken van de zegels in principe binnen de beroepstermijn diende te gebeuren. De Raad van State verbindt aan het zegelen van een verzoekschrift tot schorsing evenmin de sanctie van onontvankelijkheid, voor zover binnen een redelijke termijn na het verstrijken van de termijn om het verzoekschrift in te dienen, de zegels worden gekleefd of aan de Griffie worden toegezonden. Hetzelfde geldt voor de verzoekschriften in uiterst dringende noodzakelijk- heid : zo’n verzoekschrift wordt op de rol gebracht, zelfs indien het vereiste zegelrecht niet is gekweten, waarna de procedure haar gewone verloop kent. Wanneer in een arrest over de kosten van de schorsingsprocedure uitspraak wordt gedaan, en de zegels niet werden aangebracht in de loop van de schorsingsprocedure, zal het zegelrecht worden geïnd door toedoen van de hoofdgriffier. Maar ook inzake de tussenkomst - wanneer de Griffie de belanghebbende derde het verzoekschrift ter kennis brengt met de vermelding dat voor een i bedrag van 125 zegelrechten moeten worden aangebracht op een verzoek- schrift tot tussenkomst - stelt het Vademecum : 18. 1. Op het verzoekschrift tot tussenkomst is voor 5.000 frank aan zegels aangebracht. Deze tussenkomst doet geen enkel probleem rijzen. 19. 2. Op het verzoekschrift tot tussenkomst zijn geen of onvoldoende zegels aangebracht. De griffie licht de personen in die belang hebben bij de beslechting van de zaak en dezen kunnen tussenkomen. Aangezien de griffie er in die brief op wijst dat op het verzoekschrift tot tussenkomst voor zo veel keer 5.000 frank aan zegels moet worden aangebracht als er verzoekers tot tussenkomst zijn, stuurt zij geen rappelbrief wanneer zij vaststelt dat op het verzoekschrift tot tussenkomst geen of onvoldoende zegels zijn aangebracht. Blijkbaar is de redenering inzake de tussenkomst gelijk aan die inzake de voor(t)zetting : ‘dat wanneer het echter gaat om een verzoek tot voortzetting zoals in het onderhavige geval, die mogelijkheid niet wordt geboden omdat verzoeker door de griffie vooraf wordt gewaarschuwd dat het verzoek tot voortzetting van de procedure gezegeld dient te zijn; dat zulks ook in dezen is geschied;’ In beide gevallen zendt de Griffie van Uw Raad geen rappelbrief, vermits de betrokkene al op de hoogte zou zijn gebracht (van) de noodzaak het verzoek- schrift te zegelen (zonder (dat) er evenwel sprake is van een termijn waarbinnen de zegels moeten worden aangebracht). In tegenstelling tot wat geldt voor het ongezegeld verzoekschrift tot tussenkomst, bepaalt het Vademecum in art. 27.1.
  2. a)dat het aanbrengen van de zegels binnen de 30-dagen termijn in geval van voortzetting wél een ontvankelijkheidsvoorwaarde is. Het is verzoekende partij niet duidelijk op grond van welke overwegingen deze ontvankelijkheidsvoorwaarde in het Vademecum - dat op zich beschouwd geen juridische rechtsregels bevat - is opgenomen. Enkel al na lezing van het bovenstaande overzicht, blijkt dat niet valt in te zien waarom het verzoek tot voor(t)zetting op het vlak van de termijn van betaling van de zegelrechten op een andere wijze zou moeten worden behandeld, dan in geval van het verzoek tot schorsing, tot nietigverklaring, en tot tussenk- omst. IX-3691-4/11 De uitzondering op de algemene regel moet in elk geval restrictief worden geïnterpreteerd. IV. Verzoekende partij betwist dat uit art. 71, eerste lid, van het Procedure- reglement (de voormelde rechten worden betaald door middel van plakzegels aangebracht in hun geheel, naargelang van het geval ‘
  3. a)op het origineel van het verzoekschrift;
  4. b)op het origineel van de vordering tot schorsing of de vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij artikel 70, § 1, tweede lid’) de verplichting kan worden afgeleid - zoals Uw Raad doet - om een behoorlijk gezegeld verzoek tot voortzetting van de procedure binnen dertig dagen (art. 17, § 4ter gecoördineerde wetten) in te dienen. Verzoekende partij meent dat art. 17, § 4ter van de gecoördineerde wetten inderdaad enkel vereist dat een verzoek tot voor(t)zetting binnen de 30-dagen termijn wordt ingediend. Het voorschrift inzake de zegels (art. 71 Procedurereglement) blijkt volgens de Raad van State immers allerminst naar de letter te moeten worden opgevat. Waar art. 71 Procedurereglement bijv. vereist dat de zegels moet(
  5. en)worden aangebracht op het origineel van verzoekschrift, schrijft het Vademecum voor dat de zegels evenzo op een apart blad kunnen worden aangebracht of nog, dat de zegels van het gezegeld verzoekschrift tot nietigverklaring geacht worden te gelden voor het tegelijkertijd maar ongezegeld ingediend verzoekschrift tot schorsing. Waar art. 71 Procedurereglement bijv. vereist dat de zegels in hun geheel op het verzoekschrift moet(
  6. en)worden aangebracht, stelt het Vademecum een regularisatiemogelijkheid open voor onvoldoende gezegelde verzoekschriften. In al deze gevallen geldt nochtans als verjaringstermijn, de 60-dagen termijn bedoeld in art. 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarbinnen een verzoekschrift overeenkomstig de bepalingen van art. 71 Procedurereglement moet worden ingediend. Uw Raad is dus van oordeel dat het voorschrift van art. 71 Procedure- reglement niet moet worden samengelezen met art. 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (en dus niet met het art. 4, derde lid van het Procedurereglement), en dus niet relevant is om de ontvankelijkheid ratione temporis te beoordelen. De juridische grondslag om de sanctionering te beoordelen van het niet- naleven van de verjaringstermijn van 30 dagen van art. 17, § 4ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is eveneens art. 71 Procedurereglement. Nochtans meent de Raad van State dat art. 71 Procedure- reglement wél relevant is om de ontvankelijkheid ratione temporis van het verzoekschrift tot voor(t)zetting te bepalen, zelfs indien art. 17, § 4ter van de gecoördineerde wetten - evenmin als art. 19 van de gecoördineerde wetten - enig verband legt tussen het zegelrecht en de termijn voor indiening van een verzoekschrift. Art. 70, tweede lid van het Procedurereglement, noch art. 15bis en 15ter van het Procedurereglement Kort Geding doen iets af van deze stelling. Noch de gecoördineerde wetten, noch het Procedurereglement, noch het Procedurereglement Kort Geding bepalen op welk tijdstip de fiscale zegels dienen te worden aangebracht op het verzoekschrift tot voortzetting. Volgens een constante rechtspraak en volgens het Vademecum (zie hoger) is een binnen de termijn ingediend verzoekschrift niet ongeldig enkel en alleen doordat het verschuldigde recht niet binnen de termijn voor het indienen van het verzoekschrift is gekweten, maar volstaat het dat het recht binnen een redelijke termijn wordt gekweten. De redelijke termijn loopt vanaf het tijdstip dat verzoekende partij er kennis van heeft dat haar verzoekschrift niet gezegeld is, zodat te dezen die redelijke termijn uiteraard werd geëerbiedigd. IX-3691-5/11 Verzoekende partij stelt dat de termijn die wordt toegestaan voor het aanbrengen van zegels bij het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring en schorsing minstens ook moet gelden voor het indienen van het verzoek tot voortzetting van de procedure in nietigverklaring. Dit geldt des te meer daar voor het verzoekschrift tot tussenkomst de regeling van de verzoeken tot nietigverklaring cq. schorsing ook geldt, terwijl de tussenkomende partij - precies zoals een tot voortzetting verzoekende partij - weet voor welk bedrag het verzoekschrift moet worden gezegeld. Hier anders over oordelen zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel verwoord in de art. 10 en 11 van de Grondwet. Het verzoekschrift tot voortzetting van de heer DE NIJS is derhalve op een ontvankelijke wijze ingediend. V. Ondergeschikt, vraagt verzoekende partij dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan de Algemene Vergadering van de Afdeling Administratie met toepassing van artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : ‘Schenden de artikelen 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement, geïnterpreteerd in de zin dat het recht van i 175 moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en dat wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot voortzetting indient, zelfs indien hij daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, geacht moet worden ratione temporis een niet ontvankelijk verzoek tot voortzetting te hebben ingediend, en derhalve van het geding afstand te hebben gedaan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, terwijl dat recht niet noodzakelijk moet worden gekweten binnen de termijn van zestig dagen voorgeschreven door artikel 4, derde lid, van het Algemeen Procedurereglement, voor wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoek- schrift tot nietigverklaring indient doch daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, om zodoende ratione temporis een ontvankelijk verzoekschrift in te dienen; en terwijl dat recht niet noodzakelijk moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen voorgeschreven door artikel 21bis, § 1, vierde lid van de gecoördineerde wetten en artikel 4, vierde lid, van het Algemeen Procedurereglement, voor wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoek- schrift tot tussenkomst indient doch daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, om zodoende ratione temporis een ontvankelijk verzoekschrift tot tussenkomst in te dienen ?’ VI. De stelling van de heer DE NIJS is de enige interpretatie (die) in overeen- stemming met het gelijkheidsbeginsel valt te brengen. In geval van een verzoek tot voortzetting van de procedure na een arrest houdende de verwerping van de vordering tot schorsing, ingesteld door de verzoekende partij, wordt in de rechtspraak van Uw Raad en in het Vademecum - geheel ten onrechte - veronachtzaamd dat een verzoekende partij eveneens de Staat, een provincie, een gemeente of een openbare instelling in de zin van art. 68, tweede lid van het Procedurereglement kan zijn. Indien deze zgn. administratieve overheden als verzoekende partij voor Uw Raad optreden, dan moeten zij de zegelrechten bedoeld in art. 70 van het Procedurereglement, niet enkel niet kleven op het verzoekschrift, maar zelfs niet begroten. De griffier van Uw Raad doet het nodige. De griffier van Uw Raad zal de zegelrechten immers in debet begroten. IX-3691-6/11 Voor de zgn. administratieve overheden geldt de betaling van het zegelrecht binnen de 30-dagen termijn derhalve niet als een ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het verzoek tot voortzetting. Voor anderen dan administratieve overheden - zoals voor de verzoekende partij - wordt de betaling van het zegelrecht binnen een termijn van 30-dagen echter wel als een ontvankelijkheidsvoorwaarde gesteld, en vormt het derhalve een bijkomende drempel inzake de toegang tot de rechter. Er valt echter, minstens in het licht van de doelstelling van het verzoek tot voortzetting, nl. een maatregel ter ontlasting van de werkdruk bij Uw Raad, geen enkele redelijke verantwoording te bedenken voor dit gestelde onderscheid. Zodoende noopt ook om deze reden een grondwetsconforme interpretatie van het Procedurereglement ertoe het verzoek tot voortzetting van de heer DE NIJS ontvankelijk te bevinden. Ondergeschikt, vraagt verzoekende partij dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan de Algemene Vergadering van de Afdeling Administratie met toepassing van artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : ‘Schenden de artikelen 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement, geïnterpreteerd in de zin dat het recht van i 175 moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en dat wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot voortzetting indient, zelfs indien hij daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, geacht moet worden ratione temporis een niet ontvankelijk verzoek tot voortzetting te hebben ingediend, en derhalve van het geding afstand te hebben gedaan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet terwijl dat de Staat, een provincie, een gemeente of een openbare instelling de in art. 70 van het algemeen procedurereglement bedoelde rechten, bij toepassing van de artikelen 68, tweede lid, van het algemeen procedure- reglement niet tijdig hoeven te voldoen noch te begroten, zodat de toepassing van art. 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedure- i reglement, geïnterpreteerd in de zin dat het recht van 175 moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en dat wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot voortzetting indient, zelfs indien hij daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, geacht moet worden ratione temporis een niet ontvankelijk verzoek tot voortzetting te hebben ingediend, niet gelden voor de Staat, een provincie, een gemeente of een openbare instelling ?”; 4. Overwegende dat verzoeker ter zitting van 19 december 2005 onder verwijzing naar het arrest nr. 146.889 van 28 juni 2005 vraagt om aan het Arbitragehof dezelfde vraag te stellen zoals geformuleerd in voornoemd arrest; dat hij zulks schriftelijk bevestigt in een aanvullende memorie ten einde alle partijen toe te laten met kennis van zaken hun standpunt te doen kennen; IX-3691-7/11 5. Overwegende dat de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State zich in het arrest nr. 129.112 van 10 maart 2004 in zake NUYENS over de volgende prejudiciële vraag heeft gebogen: "Schenden de artikelen 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement, geïnterpreteerd in de zin dat het recht van 175 euro moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en dat wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot voortzetting indient, zelfs indien hij daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, geacht moet worden van het geding afstand te hebben gedaan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, terwijl dat recht niet noodzake- lijk moet worden gekweten binnen de termijn van zestig dagen voorgeschreven door artikel 4, derde lid, van het algemeen procedurereglement, en wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot nietigverklaring indient doch daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt wel op een uitspraak over zijn vordering aanspraak kan maken?"; dat een gedeelte van een van de vragen van verzoeker identiek is aan de vraag die aan de algemene vergadering van de Raad van State is gesteld; dat de algemene vergadering die vraag als volgt heeft beantwoord: “De artikelen 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement, geïnterpreteerd in de zin dat het recht van 175 euro moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op l2 januari 1973, en dat wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot voortzetting indient, zelfs indien bij daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, geacht moet worden van het geding afstand te hebben gedaan, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet”; dat dit gedeelte van de vraag bijgevolg niet meer moet worden gesteld aan de algemene vergadering van de Raad van State; 6. Overwegende dat het Arbitragehof bij arrest nr. 124/2006 van 28 juli 2006, in antwoord op de prejudiciële vraag gesteld door de algemene vergadering van de Raad van State in haar arrest nr. 146.889 van 28 juni 2005, voor recht heeft gezegd dat artikel 30, § 1, tweede lid, derde zin, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet niet schenden; dat er bijgevolg geen aanleiding meer is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; 7. Overwegende dat artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt : IX-3691-8/11 “Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding wanneer de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest”; dat krachtens artikel 30, § 1, tweede lid, van die wetten, het tarief der kosten en uitgaven, alsmede de rechten van zegel en registratie bij koninklijk besluit worden bepaald; dat luidens artikel 70, § 1, van het procedurereglement de verzoekschriften die een beroep tot nietigverklaring inleiden aanleiding geven tot de betaling van een recht van 175 euro (eerste lid, 2/) met dien verstande dat, wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, het recht slechts verschuldigd is bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure (tweede lid); dat artikel 71, eerste lid, van hetzelfde procedurereglement bepaalt dat de voormelde rechten worden betaald door middel van plakzegels aangebracht in hun geheel, naargelang van het geval “
  7. a)op het origineel van het verzoekschrift;
  8. b)op het origineel van de vordering tot schorsing of de vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij artikel 70, § 1, tweede lid”; dat aldus de verplichting om een behoorlijk gezegeld verzoek tot voortzetting van de procedure binnen dertig dagen in te dienen, voortvloeit uit voormeld artikel 17, § 4ter, samengelezen met artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement; dat daaruit kan worden afgeleid dat, in principe, de vereiste zegels moeten zijn aangebracht wanneer het betrokken verzoekschrift bij de Raad van State wordt ingediend of uiterlijk voor het verstrijken van de termijn waarbinnen dat moet gebeuren; 8. Overwegende dat inzake de verzoekschriften tot tussenkomst de Raad van State toelaat dat voor het zegelen van een dergelijk verzoekschrift de verschuldigde zegels nog worden aangebracht binnen een redelijke termijn -vijftien dagen- na de aanmaning daartoe door de griffie, omdat in dat geval niet duidelijk is of de verzoekende partij in tussenkomst wist dat het plakken van de zegels in principe binnen de voorziene termijn diende te gebeuren; dat wanneer het echter gaat om een verzoek tot voortzetting zoals in het onderhavige geval, die mogelijkheid niet wordt geboden omdat verzoeker door de griffie vooraf wordt gewaarschuwd dat het verzoek tot voortzetting van de procedure gezegeld dient te zijn; dat zulks ook in dezen is geschied; 9. Overwegende dat ook de Staat, een provincie, een gemeente of een openbare instelling zich kan geroepen voelen om de voortzetting van de procedure te vragen en dat in dat geval, wat hen betreft overeenkomstig artikel 68, tweede lid, IX-3691-9/11 van het algemeen procedurereglement de in artikel 70 bedoelde rechten in debet worden begroot; dat voor voornoemde overheden dan ook geen verplichting bestaat om dergelijk verzoekschrift te zegelen; 10. Overwegende zodoende dat de artikelen 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement, gelezen in samenhang met artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ten aanzien van de termijn waarbinnen het recht van 175 euro moet worden gekweten anders worden geïnterpreteerd dan de artikelen 70, § 2, en 71, eerste lid, a), samengelezen met artikel 4, derde lid, en 68, tweede lid, van het algemeen procedurereglement; dat, zoals verzoeker het vraagt, dienaangaande dan ook de prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan de algemene vergadering van de afdeling administratie, overeenkomstig artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan de algemene vergadering van de afdeling administratie wordt de volgende prejudiciële vragen gesteld: I. Schenden de artikelen 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement, geïnterpreteerd in de zin dat het recht van 175 euro moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en dat wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot voortzetting indient, zelfs indien hij daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, geacht moet worden een laattijdig en bijgevolg een niet ontvankelijk verzoek tot voortzetting te hebben ingediend, en derhalve van het geding afstand te hebben gedaan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, terwijl dat recht niet noodzakelijk moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen voorgeschreven door artikel 21bis, § 1, vierde lid van de gecoördineerde wetten en artikel 4, vierde lid, van het algemeen procedurereglement, voor wie binnen die termijn een niet IX-3691-10/11 gezegeld verzoekschrift tot tussenkomst indient doch daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, en wel een ontvankelijk verzoekschrift tot tussenkomst indient ? II. Schenden de artikelen 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement, geïnterpreteerd in de zin dat het recht van 175 euro moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en dat wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot voortzetting indient, zelfs indien hij daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, geacht moet worden een laattijdig en bijgevolg een niet ontvankelijk verzoek tot voortzetting te hebben ingediend, en derhalve van het geding afstand te hebben gedaan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, terwijl de Staat, een provincie, een gemeente of een openbare instelling de in artikel 70 van het algemeen procedurereglement bedoelde rechten, bij toepassing van de artikelen 68, tweede lid, van het algemeen procedurereglement, niet hoeven te voldoen noch te begroten, zodat de toepassing van artikel 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement, geïnterpreteerd in de zin dat het recht van 175 euro moet worden gekweten binnen de termijn van dertig dagen bepaald in artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en dat wie binnen die termijn een niet gezegeld verzoekschrift tot voortzetting indient, zelfs indien hij daarop na het verstrijken ervan binnen een redelijke termijn de vereiste zegels aanbrengt, geacht moet worden een laattijdig en bijgevolg een niet ontvankelijk verzoek tot voortzetting te hebben ingediend, niet gelden voor de Staat, een provincie, een gemeente of een openbare instelling? Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen oktober 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-3691-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.304 Gerelateerde publicatie(
  9. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.868 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.329 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.876 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.