← België

Arrest 163314 - - 10/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.314 Rolnummer: A. 171836/XIV-25213 Zaak: Arrest 163314 - - 10/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 06:19 Fiche Arrest nr 163.314 van 10 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.314 van 10 oktober 2006 in de zaak A. 171.836/XIV-25.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. GOOSSEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Quinten Matsijslei 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 6 april 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 februari 2006 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 14 april 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-25.213-1/7 Gelet op de beschikking van 7 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 september 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat M. GOOSSENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker, van Chinese nationaliteit, komt op 28 juli 2002 België binnen en verklaart zich de volgende dag vluchteling. De asielprocedure wordt op 9 december 2005 afgesloten met een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen waarbij aan verzoeker de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd. Verzoeker dient hiertegen een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing in bij de Raad van State. 1.
  4. Op 27 juni 2005 dient verzoeker een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  5. Op 7 februari 2006 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Deze beslissing luidt als volgt: “Mijnheer de Burgemeester, Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend op datum van 28/06/2005 door: XXX nationaliteit: China /Volksrep./ geboren te Samada op 18/03/1970 adres: A. ex-kandidaat vluchteling XIV-25.213-2/7 in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en) : De aangehaalde elementen vormen geen buitengewone omstandigheid waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene hier in België verblijft sedert 2002, geïntegreerd zou zijn, Nederlandse taallessen heeft gevolgd, lid zou zijn van een muziek- en dansgezelschap, zich ingeschreven heeft om een cursus maatschappelijke oriëntatie te volgen en een grote kennissen- en vriendenkring heeft, is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. Betrokkene wist dat zijn verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat hij bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. De duur van de procedure (namelijk iets minder dan 3 jaar en 6 maanden) vormt evenmin een uitzonderlijke omstandigheid. Het feit dat er een zekere behandelingsperiode is, geeft aan betrokkene ipso facto geen recht op verblijf. (Raad van State, arrest nr. 89980 van 02/10/2000) Betrokkene ontving op 20/01/2006 een negatieve beslissing van de Vaste Beroepscommissie waarmee zijn asielaanvraag werd afgesloten. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art 9, al 2 van de wet van 15/12/
  6. De vermelding van de artikels van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens: recht op vrijheid van meningsuiting; recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; verbod op foltering; recht op opvoeding; recht op een levensstandaard en recht op leven, en de bewering dat de rechten van de mens op verschillende manieren geschonden worden in Tibet, volstaan niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Betrokkene dient deze beweringen persoonlijk te staven. Aangezien hij de beweringen op geen enkele manier op zich persoonlijk staaft, kan ook dit argument niet weerhouden worden om zijn verblijf toe te staan. Er worden geen bewijzen van voorgelegd dat deze rechten geschonden zouden zijn. Bijgevolg kan de aanvraag in het land van herkomst gebeuren. De problemen in zijn land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Bijgevolg verzoek ik u door afgifte van het formulier B overeenkomstig het model van bijlage 13 van het K.B. van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. van 27 oktober 1981), gewijzigd door het K.B. van 22 november 1996 (B.S. van 6 december 1996) aan de betrokkene kennis te geven van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem bevel wordt gegeven om het grondgebied te verlaten binnen de 30 (dertig) dagen na de kennisgeving. Reden van de maatregel : - betrokkene verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. (Wet van 15 december 1980 - art 7, alinea 1, 2/). - betrokkene werd niet erkend als vluchteling (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 - art.
  7. Het bevel om het grondgebied te verlaten, moet worden opgesteld in drie exemplaren: het origineel wordt afgegeven aan de vreemdeling, een exemplaar wordt mij toegestuurd en het derde wordt door uw diensten bewaard. Elk exemplaar dient door de vreemdeling ondertekend te worden. Het attest van immatriculatie en/of de documenten die werden afgegeven op het ogenblik dat belanghebbende zich vluchteling verklaarde dienen te worden ingetrokken. Gelieve eveneens over te gaan tot intrekking van het ontvangstbewijs dat aan betrokkene zou zijn afgeleverd (überhaupt indien de afgifte onterecht is gebeurd, gezien de Omzendbrief van 19/02/2003 omtrent de toepassing van Artikel 9,3/ van de wet van 15/12/1980 dergelijke afgifte niet meer voorziet). XIV-25.213-3/7 Gelieve betrokkene mee te delen dat de onderhavige beslissing vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing bij de Raad van State, overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12.01.
  8. Dit beroep en dit verzoek dienen ingediend te worden binnen de dertig dagen na kennisgeving van de beslissing. Het verzoek tot schorsing dient ingediend bij afzonderlijke akte en ten laatste met het annulatieverzoek. Het beroep tot annulatie en het verzoek tot schorsing dienen gedateerd, getekend door de verzoeker of een advocaat, bij aangetekend schrijven aan de heer Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapstraat 33, 1040 Brussel, overgemaakt te worden. Het indienen van een beroep tot nietigverklaring, noch van een beroep tot schorsing heeft de schorsing van de onderhavige beslissing tot gevolg. Tevens dient hem een afschrift van deze brief overhandigd te worden nadat hij voor kennisname heeft getekend. Een afschrift dient aan mijn diensten te worden teruggestuurd. Gelieve te gepasten tijde ter plaatse na te gaan of betrokkene nog in Uw gemeente verblijft en mij onmiddellijk schriftelijk in kennis te stellen van het resultaat van Uw bevindingen. (...).”. Verzoeker krijgt eveneens een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten dat als volgt wordt gemotiveerd: “(...) REDEN VAN DE BESLISSING Verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. (Wet van 15 december 1980 - artikel 7, alinea 1, 2/). Werd niet erkend als vluchteling. (K.B. van 8 oktober 1981 - art. 77) (...).”.
  9. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1.
  10. Overwegende dat verzoeker als eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde middel aanvoert: “
  11. Schending van artikel 19 van de Universele Verklaring van 10 december 1948 van de Rechten van de Mens (B.S. 31 maart 1949): vrijheid van meningsuiting Het verzoek zoals ingediend door verzoeker op grond van artikel 9, alinea 3 van de Vreemdelingenwet wordt door verwerende partij onontvankelijk verklaard om reden dat geen buitengewone omstandigheden zouden zijn aangehaald waarom verzoeker de aanvraag tot verblijf niet zou kunnen indienen via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor zijn verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland. Nochtans blijkt uit het voorgaande relaas dat deze omstandigheden wel degelijk aanwezig zijn. Tibetanen hebben geen vrijheid van meningsuiting: nog steeds worden anti-Chinese activisten door de politie gearresteerd en gevangen genomen alwaar ze gefolterd en/of gedood worden. Nochtans bepaalt art. 19 van de Universele Verklaring van 10 december 1948 van de Rechten van de Mens (B.S. 31 maart 1949): “Eenieder heeft recht op vrijheid van mening en van uiting van zijn mening, wat het recht insluit niet verontrust te worden omwille van zijn meningen en het recht door om het even welk uitdrukkingsmiddel en, zonder inachtneming van grenzen, inlichtingen en ideeën op te zoeken, te ontvangen en te verspreiden”.
  12. Schending van artikel 18 van de Universele Verklaring van 10 december 1948 van de Rechten van de Mens (B.S. 31 maart 1949): vrijheid van godsdienst XIV-25.213-4/7 De Tibetaanse bevolking heeft geen vrijheid van godsdienst. De Chinese autoriteiten hebben systematisch de religieuze instellingen bezet met politieagenten in een poging om de Tibetaanse cultus en het Tibetaanse nationalisme uit te roeien. In het bezit zijn van een afbeelding van de Dalai Lama is verboden en wordt bestraft met gevangenschap en/of de dood. Nochtans bepaalt art. 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: “Eenieder heeft het recht op vrijheid van gedachte, van geweten en van godsdienst; dit recht sluit de vrijheid in van godsdienst of van overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid, zijn godsdienst of zijn overtuiging te belijden, alleen of gemeenschappelijk, zowel in het openbaar als in eigen kring, door middel van onderwijs, praktijk, eredienst en ritus”.
  13. Schending van artikel 5 van de Universele Verklaring van 10 december 1948 van de Rechten van de Mens (B.S. 31 maart 1949): verbod van foltering Tibetaanse gevangenen worden zeer regelmatig gefolterd. Art. 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bepaalt echter: "Niemand zal aan folteringen noch aan wreedaardige, onmenselijke of vernederende straffen of behandelingen onderworpen worden".
  14. Schending van artikel 5 van de Universele Verklaring van 10 december 1948 van de Rechten van de Mens (B.S. 31 maart 1949): verbod van foltering Tibetaanse gevangenen worden zeer regelmatig gefolterd. Art. 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bepaalt echter: "Niemand zal aan folteringen noch aan wreedaardige, onmenselijke of vernederende straffen of behandelingen onderworpen worden".
  15. Schending van artikel 26 van de Universele Verklaring van 10 december 1948 van de Rechten van de Mens (B.S. 31 maart 1949): vrijheid van onderwijs en opvoeding De toegang tot het onderwijs alsook tot medische verzorging wordt aan vele Tibetaanse kinderen geweigerd. Uit een verslag van mevrouw Carol Bellamy, de uitvoerende directeur van Unicef, blijkt dat slechts 31 % van de Tibetaanse kinderen toegang heeft tot de verplichte 9- jarige opleiding lager onderwijs. Meer dan 70% van de Tibetanen leeft beneden de armoedegrens. Art. 26 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bepaalt nochtans: “Eenieder heeft recht op opvoeding. De opvoeding moet kosteloos zijn, tenminste wat het lager en fundamenteel onderwijs betreft. Het lager onderwijs is verplicht. Het technisch en beroepsonderwijs moet veralgemeend worden, de toegang tot de hogere studiën moet in volledige gelijkheid mogelijk zijn voor allen in verhouding tot hun verdienste”. Art. 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bepaalt: “Ieder mens heeft recht op een levensstandaard die voldoende is om zijn gezondheid, zijn welzijn alsmede deze van zijn familie te verzekeren, inzonderheid wat betreft voeding, kleding, huisvesting, medische zorgen, zomede de noodzakelijke sociale diensten; hij heeft recht op zekerheid ingeval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, weduwschap, ouderdom, of in de andere gevallen van verlies van zijn bestaansmiddelen, ten gevolge van omstandigheden buiten zijn wil".
  16. Schending van artikel 3 van de Universele Verklaring van 10 december 1948 van de Rechten van de Mens (B.S. 31 maart 1949): recht op leven, vrijheid en veiligheid Tibetaanse vrouwen worden verplicht onderworpen aan sterilisatie, contraceptie en abortus hoewel dit lijnrecht ingaat tegen hun eigen overtuiging. Art. 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt: “Elk individu heeft recht op het leven, de vrijheid en de veiligheid van zijn persoon”.”; 2.1.
  17. Overwegende dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens geen juridisch bindende kracht heeft; dat de eerste zes middelen niet ontvankelijk zijn; XIV-25.213-5/7 2.2.
  18. Overwegende dat verzoeker als zevende middel aanvoert: “
  19. Schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen Uit de voorafgaande middelen is gebleken dat de motivatie van de beslissing strijdig is met de realiteit, en dus foutief en niet afdoende. Ten onrechte wordt gesteld dat verzoeker zonder problemen zou kunnen terugkeren naar zijn land van oorsprong om aldaar met toepassing van artikel 9, 2 Vreemdelingenwet, rekening houdende met de omschreven omstandigheden, een nieuwe aanvraag in te dienen. Dit is manifest in strijd met de realiteit: dit is onmogelijk gelet op de situatie van verzoeker, met name de bedreiging en vervolging door de Chinese autoriteiten. De motivering is dan ook niet afdoende, en zelfs strijdig met de realiteit. Het middel is gegrond.”; 2.2.
  20. Overwegende dat het zevende middel gesteund is op de vorige zes onontvankelijke middelen; dat het zevende middel derhalve evenmin ontvankelijk is; 2.
  21. Overwegende dat, aangezien het beroep geen ontvankelijk middel bevat, het zelf niet ontvankelijk is;
  22. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  23. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  24. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-25.213-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien oktober tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-25.213-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.314 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.