id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.339 Rolnummer: A. 174917/XII-4821 Zaak: Arrest 163339 - - 10/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 06:25 Fiche Arrest nr 163.339 van 10 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.339 van 10 oktober 2006 in de zaak A. 174.917/XII-
- In zake : Bruno AGNEESSENS, die woonplaats kiest bij advocaat E. Jacubowitz, kantoor houdende te 1160 Brussel, Tedescolaan 7 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bruno Agneessens op 14 juli 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 17 mei 2006 van de minister van Binnenlandse Zaken om hem geen identificatiekaart uit te reiken voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten; Gezien het verzoekschrift dat Bruno Agneessens eveneens op 14 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissing te vragen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring, op grond van artikel 94 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State en over de vordering tot schorsing, opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 15 september 2006, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2006; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4821-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Jacubowitz, die verschijnt voor verzoeker, en van attaché E. Hoffer, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten
- Overwegende dat op 2 februari 2004 de bewakingsonderneming NV Reko een aanvraag indient tot het verkrijgen van een identificatiekaart voor verzoeker voor een uitvoerende functie; dat een veiligheidsonderzoek wordt uitgevoerd; dat verzoeker met een brief van 2 juni 2005 wordt gemeld op grond van welke “feiten” de minister overweegt de aangevraagde kaart te weigeren, dat hij inzage mag nemen van het administratief dossier, dat hij zich evenwel voor raadpleging van de vermelde processen-verbaal tot het parket van de procureur des Konings dient te wenden, en dat hij verweermiddelen mag toesturen; dat verzoeker zijn verweermiddelen meedeelt met een brief van 22 augustus 2005; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken op 17 mei 2006 de aangevraagde identificatiekaart weigert, in essentie op grond van de volgende motieven : “Overwegende dat u door het Hof van Beroep te Gent opschorting van uitspraak hebt verkregen voor feiten van opzettelijke slagen en verwondingen te Zomergem op 20 april
- Opschorting van uitspraak houdt in dat de rechter de feiten bewezen acht maar geen veroordeling uitspreekt. Het staat dus wel degelijk vast dat u deze feiten gepleegd heeft, ook al bent u niet veroordeeld; Dat de opzettelijke slagen en verwondingen die u aan het slachtoffer toebracht arbeidsongeschiktheid tot gevolg hadden; [...] Overwegende dat u tevens meerdere andere feiten van opzettelijke slagen en verwondingen ten laste worden gelegd en dat deze feiten, temeer daar zij zich in de uitoefening van uw functie als bewakingsagent hebben voorgedaan, wijzen op een ingesteldheid van uwentwege die niet overeenstemt met de ingesteldheid die beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector; XII-4821-2/7 Dat het proces-verbaal GE.43.44.105700/98 dd. 11/10/1998 melding maakt van slagen gegeven bij het verwijderen van een aantal personen uit de dancing waar u op dat ogenblik bewakingsactiviteiten uitoefende, Dat de feiten vermeld in het proces-verbaal AN.43.16.100202/96 dd. 15/01/1996 als volgt kunnen samengevat worden: U gaf volgens het slachtoffer slagen en stampen toen u had gemerkt dat deze volgens u geld probeerde weg te nemen. Dit wederom tijdens de uitoefening van bewakingsactiviteiten. Dat deze feiten van opzettelijke slagen en verwondingen voldoende ernstig zijn om met reden te twijfelen aan Uw geschiktheid om uw taak als bewakingsagent uit te oefenen met het nodige respect voor de rechten van medeburgers en dat dit doorslaggevende elementen zijn in het vormen van een oordeel met betrekking tot de moraliteit van een persoon die een gereglementeerd en delicaat beroep wenst uit te oefenen; [...] Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op geweld of bedreiging; Dat echter uit de feiten blijkt dat u reeds meerdere malen Uw toevlucht zocht tot het gebruik van geweld daar waar van een bewakingsagent, zeker zij die hun activiteiten uitoefenen aan dancings of in het portiersmilieu, verwacht wordt om in conflictsituaties hun kalmte en zelfbeheersing te bewaren; Dat er met reden twijfel bestaat of een persoon die in het verleden meerdere keren geweld gebruikte, meerbepaald slagen en verwondingen toebracht, over de vereiste ingesteldheid beschikt om het beroep van bewakingsagent uit te oefenen, hetgeen inhoudt dat hij tijdens de uitoefening van de bewakingsactiviteiten en specifiek tijdens de activiteit van persoonscontrole de nodige beheersing aan de dag moet leggen; Dat voornoemde feiten in uwen hoofde wijzen op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector; Om deze redenen, stel ik vast dat u niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet”; De vordering tot nietigverklaring
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel afleidt “uit de schending van artikel 6, 1ste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, de materiële motiveringsplicht, de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook uit de manifeste dwaling in de beoordeling en uit machtsoverschrijding”; Overwegende dat onder meer wordt toegelicht dat de bestreden weigeringsbeslissing op drie elementen steunt, te weten het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 januari 1999, een proces-verbaal van 11 oktober 1998 en een proces-verbaal van 15 januari 1996, dat, wat het arrest van het hof van beroep betreft, verwerende partij naliet de betrokken feiten en hun daadwerkelijk belang in het licht XII-4821-3/7 van de wettelijke criteria te onderzoeken, dat het proces-verbaal van 11 oktober 1998 akte neemt van de klacht van E. De Paepe, niet meer, dat de betreffende beschuldiging met klem betwist wordt, door geen enkel stuk daadwerkelijk ondersteund wordt en ruimschoots verjaard is, dat aangaande het proces-verbaal van 15 januari 1996 verzoeker inlichtingen heeft ingewonnen bij het parket te Antwerpen “alwaar men evenwel meedeelde dat het betrokken PV nummer onbestaande is”, dat verzoeker dat in zijn verweerschrift heeft doen gelden, maar verwerende partij daar niet op geantwoord heeft, dat het bestuur dat kennis krijgt van het feit dat een proces- verbaal naar alle waarschijnlijkheid niet bestaat en verder handelt alsof het wel bestaat en alsof de erin vermelde feiten bewezen zouden zijn, het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, dat er geen enkele grond was om tot het bestreden besluit te komen en verwerende partij de aanvraag van een identificatiekaart niet op wettige en behoorlijke wijze heeft onderzocht;
- Overwegende dat de verwerende partij reageert, samengevat, dat het arrest van het hof van beroep op zich een voldoende ernstig element vormt dat bij de beoordeling mee in aanmerking mocht worden genomen, dat terecht is geoordeeld dat de feiten waarvan sprake in het proces-verbaal van 11 oktober 1998 voldoende vaststonden, dat het proces-verbaal van 15 januari 1996 wel degelijk bestaat, dat de processen-verbaal geen deel uitmaken van het administratief dossier aangezien het gerechtelijke documenten zijn die niet onder de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken vallen, dat inlichtingen erover en inzage ervan aan de betrokken parketten dient gevraagd te worden, dat verzoeker reeds meermaals in aanraking met het gerecht kwam wegens daden van geweld jegens personen, dat dergelijke feiten bijzonder ernstig zijn in hoofde van personen die zouden instaan voor het verzekeren van de veiligheid, dat uit de formele motivering van de beslissing afdoende blijkt dat de feiten uitvoerig werden geanalyseerd en afgewogen en dat de beoordeling in concreto en met zorgvuldigheid is gebeurd;
- Overwegende dat de bestreden beslissing verzoeker de gevraagde identificatiekaart weigert vanwege feiten die wijzen “op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector”; dat die feiten inhouden dat hij “in het verleden meerdere keren geweld gebruikte”, meer bepaald op 20 april 1997, 11 oktober 1998 en 15 januari 1996; dat zulks moet blijken uit respectievelijk een arrest van het hof van beroep te Gent, een proces-verbaal van de rijkswacht te Drongen en een proces- verbaal van de politie te Antwerpen; XII-4821-4/7
- Overwegende, met betrekking tot het feit van 11 oktober 1998, dat het proces-verbaal van de rijkswacht te Drongen is opgesteld op klacht van E. De Paepe die verklaart dat hij naar aanleiding van een vechtpartij in een dancing te Zomergem, de dancing moest verlaten, dat hij daarbij met een portier van de trap gevallen is, onopzettelijk, en dat dan die portier begonnen is hem “af te kloppen”; dat verzoeker de slagen van meet af aan ten stelligste ontkend heeft; dat hij ook in zijn verweerschrift van 22 augustus 2005 de slagen “met de meeste klem” betwist; dat in de bestreden beslissing de verwerende partij ermee volstaat laconiek vast te stellen “[d]at het proces-verbaal GE.43.44.105700/98 dd. 11/10/1998 melding maakt van slagen gegeven bij het verwijderen van een aantal personen uit de dancing waar u op dat ogenblik bewakingsactiviteiten uitoefende”; Overwegende dat inderdaad het proces-verbaal melding maakt van slagen, met dien verstande evenwel dat de verbalisant zelf niet de slagen heeft vastgesteld en de verklaringen van de betrokkenen mekaar tegenspreken; dat niettemin verwerende partij de verklaring van de klager voor waar aanneemt, zonder de minste toelichting; dat alvast wat het feit van 11 oktober 1998 betreft de formele motivering van de beslissing allesbehalve doet blijken van een uitvoerige analyse en afweging; dat juist het tegendeel het geval is;
- Overwegende, met betrekking tot het feit van 15 januari 1996, dat het blijkens de bestreden beslissing wordt bewezen door een proces-verbaal van de politie van Antwerpen; dat verzoeker in zijn verweerschrift van 22 augustus 2006 tegenwerpt dat hij naar het proces-verbaal navraag heeft gedaan bij het parket van Antwerpen, dat het proces-verbaal er onbekend is en dat hij de hem ten laste gelegde feiten betwist; dat de verwerende partij, daar volkomen aan voorbijgaand, zich ermee vergenoegt in de aangevochten weigering te schrijven : “Dat de feiten vermeld in het proces-verbaal AN.43.16.100202/96 dd. 15/01/1996 als volgt kunnen samengevat worden: U gaf volgens het slachtoffer slagen en stampen toen u had gemerkt dat deze volgens u geld probeerde weg te nemen. Dit wederom tijdens de uitoefening van bewakingsactiviteiten”; Overwegende dat het proces-verbaal in kwestie door de verwerende partij is opgevraagd teneinde het “te gebruiken in het kader van de administratieve procedure gericht op de beoordeling van de naleving van de moraliteitsvoorwaarde”; dat verwerende partij zich voor die beoordeling en de erop gesteunde bestreden beslissing, ook effectief van het proces-verbaal heeft bediend, getuige de toevoeging XII-4821-5/7 van het proces-verbaal aan het administratief dossier (stuk 10); dat verwerende partij bijgevolg dwaalt wanneer ze doet gelden dat het proces-verbaal geen deel uitmaakt van het administratief dossier en om die reden niet ter inzage van verzoeker moest zijn gegeven, met het oog op het formuleren van zijn verweermiddelen; Overwegende, voorts, dat het proces-verbaal twee verklaringen bevat; dat volgens de eerste verklaring, van verzoeker, ene Ph. Cuypers in dancing Reeves te Antwerpen geld bij een andere klant trachtte weg te nemen en daarom werd buitengezet, zonder dat hij geslagen werd; dat genoemde Cuypers dan weer zegt zonder reden buitengezet te zijn, met een slag en stampen; dat, niettegenstaande verzoeker de beweerde slagen ook nog in zijn verweerschrift van 22 augustus 2005 ontkent, de bestreden beslissing met de versie van “het slachtoffer” meegaat; dat dit niet evident is; dat er evenmin enige tekst of uitleg bij gegeven wordt; dat, alweer, de formele motivering hoegenaamd niet doet blijken van een uitvoerige analyse en afweging;
- Overwegende dat in de gegeven omstandigheden verwerende partij klaarblijkelijk ten onrechte op basis van de besproken processen-verbaal, tegen verzoeker “feiten van opzettelijke slagen en verwondingen” gepleegd op 11 oktober 1998 en 15 januari 1996 in aanmerking heeft genomen; dat daar dan weer uit volgt dat de bestreden beslissing verzoeker ten onrechte verwijt “reeds meerdere malen” zijn toevlucht te hebben gezocht tot geweld en daarom niet over de juiste ingesteldheid te beschikken om het beroep van bewakingsagent uit te oefenen; dat, wat er ook zij van het feit waarover het arrest van het hof van beroep te Gent gaat, de bestreden beslissing kennelijk niet op goede grond berust; dat het middel in de aangegeven mate gegrond is; De vordering tot schorsing
- Overwegende dat de hierna uit te spreken vernietiging van de bestreden beslissing, de verwerping van de vordering tot schorsing dient mee te brengen wegens gebrek aan voorwerp, XII-4821-6/7 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 17 mei 2006 van de minister van Binnenlandse Zaken om Bruno Agneessens geen identificatiekaart uit te reiken voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien oktober 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4821-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.339 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.