id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.379 Rolnummer: A. 121325/XIV-10086 Zaak: Arrest 163379 - - 10/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 06:25 Fiche Arrest nr 163.379 van 10 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.379 van 10 oktober 2006 in de zaak A. 121.325/XIV-10.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. ANTHONIS, kantoor houdende te 2200 HERENTALS, Lierseweg 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 21 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 maart 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-10.086-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. BREPOELS, die loco advocaat J. ANTHONIS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 15 februari 2000 en zich vluchteling verklaart op 18 februari 2000; dat op 23 maart 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 18 april 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is: “Volgens uw verklaringen bent u een Rom-zigeuner afkomstig uit Kosovo, meerbepaald uit Mitrovica. Na de NAVO-bombardementen in Servië en Kosovo (in maart-juni 1999) vertrok u met de hele familie naar Podgorica (Montenegro). Een week later keerde u terug naar uw woning, die echter afgebrand bleek. U logeerde bij andere mensen, maar besloot om terug te keren naar Podgorica. Daar verbleef u gedurende meerdere maanden in een UNICEF- vluchtelingenkamp. Omwille van de oncomfortabele levensomstandigheden in het kamp (het was er koud, er was veel volk) vertrok u richting België, waar u op 18 februari 2000 asiel aanvroeg. U beschikt over een Joegoslavische identiteitskaart, een lidkaart van een Rom-vereniging en de geboorteakte van uw zoon Osman. Ter staving van uw asielaanvraag legde u een beslissing neer van de gemeentelijke rechtbank van Mitrovica, dd. 01/02/2002, in verband met een vraag door u aan de autoriteiten gesteld om bewijzen aan te brengen in verband met uw afgebrande en door onbekenden ingenomen woning. U zou niet kunnen terugkeren naar Kosovo, omdat uw woning vernield is en omdat u Albanezen en Serviërs vreest. U zou ook niet terug willen naar Montenegro, omdat u daar geen bezittingen hebt en omdat u ziek bent. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende feiten of elementen hebt aangebracht waaruit blijkt dat u uw land van herkomst (Joegoslavië) verlaten hebt omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, of dat u bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst een dergelijke vrees zou dienen te koesteren. U kon immers voor uw vertrek naar België gedurende meerdere maanden in Montenegro verblijven, waar u volgens uw verklaringen geen problemen kende met de autoriteiten noch met de bevolking (gehoorverslag Commissariaat-generaal 03/04/2002, p. 4). De oncomfortabele omstandigheden, het feit dat u, er geen bezittingen hebt en uw ziekte zijn problemen van socio-economische en medische aard, die als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Geneefse Conventie ressorteren. Het door u neergelegde document van de rechtbank van Mitrovica doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen, aangezien het enkel aantoont dat uw woning afgebrand en ingenomen werd. Deze feiten zijn niet relevant voor wat betreft uw vrees ten opzichte van Montenegro. Ten slotte wijs ik er nog op dat ik ook ten aanzien van uw zonen Hilmi (O.V. 4.917.934), Bajram (O.V. 4.775.265) en Fahrudin (O.V. 4.775.264) een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heb genomen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij twee middelen aanvoert die als volgt luiden: “Middel afgeleid uit de schending van de Artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf , de vestiging en de verwijdering XIV-10.086-2/5 van vreemdelingen; de Artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli betreffende de motivering van bestuurshandelingen en het algemeen beginsel van motiveringsplicht. Doordat de C.G.V.S. in de bestreden beslissing stelt dat de gegronde vrees voor vervolging niet bewezen is omdat verzoekende partij meerdere maanden probleemloos in Montenegro kon verblijven en dit landsdeel om redenen vreemd aan de criteria van de Conventie van Genève heeft verlaten. Terwijl de CGVS niet motiveert waarom hij, zoals dit toch gebruikelijk is, in casu niet Kosovo als het land van herkomst van verzoekende partij aanmerkt. Uiteenzetting van het middel: De mensen afkomstig van Kosovo die omwille van de oorlog aldaar asiel hebben aangevraagd zijn zeer talrijk. Zeer vele van deze vluchtelingen dienden Kosovo te verlaten via één van de omringende landen, o.m. Albanië, Montenegro etc... Hoewel Kosovo staatkundig mogelijk niet als een afzonderlijk land kan worden aangemerkt, want deel uitmakend van het Servische Joegoslavië, of wat hiervan overbleef na het afscheuren van o.m. Kroatië, Bosnië.., is dit landsdeel, door de concrete situatie (onhafhankelijkheidsstreven Albanezen (U.C.K.) )in feite wel als een afzonderlijk entiteit aan te merken zowel tijdens de oorlog als na het installeren van de KFOR-troepen. Dat er ter plaatse zelfs afzonderlijke verkiezingen werden georganiseerd. Dat de situatie in Kosovo in feite neerkwam op een burgeroorlog tussen verschillende bevolkingsgroepen (Serviërs en Abanezen). Dat indien Montenegro deelt uitmaakt van dezelfde overkoepelende entiteit, dit landsdeel evenzeer in feite als een afzonderlijk land dient te worden aanzien met een eigen gezag, eigen verkiezingen, eigen bestuur etc.. Dat verzoekende partij in Montenegro slechts tijdelijk heeft verbleven, in een tijdelijk onderkomen, nl. een vluchtelingenkamp van UNICEF. Dat verzoekende partij dan ook geenszins kan worden aanzien als zijnde afkomstig van Montenegro, waarmede hij niet de minste banden heeft. Dat zelfs indien Montenegro zou worden aanzien als een binnenlands vluchtalternatief, dient te worden vastgesteld dat dit geen ernstig alternatief is. Dat verzoekende partij alsdaar immers in precaire omstandigheden diende te leven, nl. een vluchtelingenkamp en hij hier slechts korte tijd kon verblijven. Dat men van een vluchteling niet kan verwachten dat hij zich alsdaar zou vestigen, temeer ook daar de toekomst van de Rom-zigeuners onzeker was. Dat in de gegeven omstandigheden de C.G.V.S. niet afdoende heeft gemotiveerd waarom hij in casu van oordeel is dat het land van herkomst van verzoekende partij Montenegro zou zijn i.p.v. Kosovo en waarom hij niet verder heeft onderzocht of het wel om een ernstig alternatief gaat. Dat dit middel gegrond is. Tweede middel: Afgeleid uit de schending van Artikel l,A,2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en Artikel 48 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat de C.G.V.S. heeft geoordeeld dat verzoekende partij afkomstig is van Joegoslavië en niet van Kosovo en dat de redenen waarom hij en zijn gezin Montenegro heeft verlaten, tevens dienen te bentwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie. Terwijl, zoals hoger uiteengezet, Montenegro en Kosovo hoewel staatkundig mogelijk geen afzonderlijkelanden vormen, zij als afzonderlijke landen dienen te worden aanzien in de zin van de vluchtelingenconventie en het tijdelijk en precaire verblijf van verzoekende partij in een vluchtelingenkamp niet belet dat hij afkomstig is van Kosovo en de redenen die hem genoodzaakt hebben om dit land te verlaten in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. Dat zelfs indien Montenegro zou worden aanzien als een binnenlands vluchtalternatief, dient te worden vastgesteld dat dit geen ernstig alternatief is. Dat verzoekende partij alsdaar immers in precaire omstandigheden diende te leven, nl. een vluchtelingenkamp en hij hier slechts korte tijd kon verblijven. Dat men van een vluchteling niet kan verwachten dat hij zich alsdaar zou vestigen, temeer ook daar de toekomst van de Rom-zigeuners onzeker was. Dat in de gegeven omstandigheden de C.G.V.S. de criteria van de Conventie van Genève heeft miskend. Dat het middel gegrond is.”; 2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing is gesteund op de vaststelling dat de verzoekende partij voor haar vertrek naar België “gedurende meerdere maanden in Montenegro (kon) verblijven”, waar zij volgens haar eigen verklaringen “geen problemen kende met de autoriteiten noch met de bevolking”; dat de erkenning van de hoedanigheid XIV-10.086-3/5 van vluchteling geweigerd kan worden wanneer men, alle omstandigheden in acht genomen, redelijkerwijze van de asielzoeker kan verwachten dat hij zijn toevlucht in een ander landsdeel zoekt; dat de verzoekende partij met het betoog dat Montenegro deel uitmaakt van dezelfde overkoepelende entiteit en in feite als een afzonderlijk land dient te worden aanzien met een eigen gezag, eigen verkiezingen , eigen bestuur etc...” niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat de twee middelen ongegrond zijn;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien oktober tweeduizend en zes, door: de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, XIV-10.086-4/5 M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-10.086-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.379 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.