id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.381 Rolnummer: A. 140995/XIV-16562 Zaak: Arrest 163381 - - 10/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-06 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 06:25 Fiche Arrest nr 163.381 van 10 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.381 van 10 oktober 2006 in de zaak A. 140.995/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Opperstraat 95 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 13 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 februari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 30 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.562-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. LAUWERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 16 januari 2002 en zich op 17 januari 2002 vluchteling verklaart; dat op 1 februari 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 20 juni 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U beweerde afkomstig te zijn uit Afghanistan. Uw vader was communist en werkte in het Afghaanse leger. Hij streed tegen de Mudjahedin. U woonde met uw familie in Kaboel tot
- Toen besloot uw vader, nadat zijn broer was omgekomen in de strijd tegen de Mudjahedin, om u op internaat te sturen in Moskou. U bleef in het internaat tot
- In dat jaar had u ook voor het laatst telefonisch contact met uw vader in Afghanistan. Hij raadde u aan nooit terug te keren naar Afghanistan. In 1987 verhuisde u van het internaat naar het huis van Galina Guzikova, een oudere dame die zich over u ontfermde. Na haar dood, en na uw middelbare studies verhuisde u naar St Petersburg, waar u geneeskunde studeerde. U studeerde af in 1999, de studies waren betaald door de Russische overheid. Na 1999 werd uw verblijfsvergunning niet meer verlengd. U vond geen mogelijkheid om asiel aan te vragen in Rusland. U bleef nog tot 2002 illegaal in Rusland. U werd in deze periode meermaals opgepakt door de politie, maar telkens vrijgelaten na het betalen van geld. Ook werd u soms lastiggevallen door extreem rechtse groepen omwille van uw niet-Russisch uiterlijk. Dit werd u tenslotte te veel en u verliet Rusland op 13 januari
- U vroeg asiel aan in België op 17 januari
- U vreest bij een terugkeer naar Afghanistan vervolgd te worden omdat uw vader destijds tegen de huidige machthebbers (de Mudjahedin) heeft gestreden. Ook bent u na al die jaren gewend geraakt aan een Westerse cultuur en levensstijl. U hebt geen familiale banden meer met Afghanistan. B. Motivering Vooreest dient opgemerkt dat u nergens in uw verhaal aannemelijk maakte dat u alle middelen hebt uitgeput om een legaal verblijfsstatuut te verkrijgen in Rusland. Zo verklaarde u dat het onmogelijk is om in Rusland asiel aan te vragen. Deze verklaring komt ongerijmd over, daar volgens informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, de Russische Federatie één van de landen is die zowel partij is bij de Conventie van 1951 als bij het aanvullend Protocol van
- In dit kader is het ook opmerkelijk dat u slechts in tweede instantie verklaarde ooit navraag te hebben gedaan naar de mogelijkheid asiel aan te vragen. In uw antwoord op de vraag hoe u te weten was gekomen dat asielaanvragen in Rusland onmogelijk is bleef u eerst vaag (gehoorverslag CGVS 1 maart 2002, p.7) Daarna verklaarde u dat u het wel ooit aan de politie had gevraagd (gehoorverslag CGVS 1 maart 2002, p.7). Pas later, toen er expliciet naar gevraagd werd, verklaarde u dat u het ook ooit op “OVIR” hebt nagevraagd. Deze aarzeling in uw antwoorden brengt de geloofwaardigheid van uw verklaringen in het gedrang (gehoorverslag, CGVS 1 maart 2002, p.7). U slaagt er in uw verklaringen niet in aannemelijk te maken dat u de optie om asiel aan te vragen ooit werkelijk hebt onderzocht of overwogen. Het is immers niet aannemelijk dat u als universitair, die vloeiend Russisch spreekt en reeds jaren in Rusland verbleef, niet in staat was om op de hoogte te komen van de juiste procedures aangaande asielaanvragen. XIV-16.562-2/6 Ten tweede dient opgemerkt dat u aangaande de mogelijkheid op een andere manier dan via een asielaanvraag een legaal verblijfsstatuut te krijgen in de Russische Federatie gelijkaardige bedenkingen te maken zijn. U verklaarde dat u in geen geval terugkon naar Afghanistan (gehoorverslag CGVS 27 maart 2003, p.5). Gezien deze achtergrond is het toch opmerkelijk dat u nadat uw verblijfsvergunning niet meer werd verlengd geen verdere stappen hebt ondernomen om hiertegen in beroep te gaan of om een regularisatie van uw verblijfsstatuut te bekomen. De enige stap die u beschrijft is dat u ooit nadat u was opgepakt bij OVIR navroeg of u asiel kon aanvragen. U maakt geen melding van andere pogingen om de beslissing van OVIR uw vergunning niet meer te verlengen aan te vechten of ongedaan te maken (gehoorverslag CGVS 27 maart 2003, p.5) Door uw vaagheid op dit punt doet u op ernstige wijze afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Daarenboven zijn er tegenstrijdigheden tussen uw verschillende verklaringen die de geloofwaardigheid van uw asielrelaas nog verder in het gedrang brengen. Zo kon u zich tijdens uw laatste interview op het Commisariaat-generaal de naam van de wijk waar u destijds hebt gewoond in Kaboel niet meer herinneren (gehoorverslag CGVS 27 maart 2003, p.3) en dit terwijl u het zich in een eerder interview nog wel herinnerde (gehoorverslag CGVS 01 maart 2002, p.1) Ook omtrent het intrekken van uw verblijfsvergunning legde u tegenstrijdige verklaringen af. Zo zei u in het eerste interview op het Commissariaat-generaal dat het was ingehouden door de directie van de universiteit (gehoorverslag CGVS 1 maart 2002, p. 8) terwijl u later verklaarde dat het werd ingehouden door OVIR (gehoorverslag CGVS 27 maart 2003, p.5). U verklaarde ook eerst dat de smokkelaar naast uw diploma ook nog en kopie van uw tijdelijke Russische verblijfsvergunning had ingehouden (gehoorverslag CGVS 1 maart 2002, p.8) terwijl u later beweerde dat de smokkelaar enkel uw diploma en een soort bewijs van goed gedrag en zeden, uitgeschreven door de universiteit inhield (gehoorverslag CGVS 27 maart 2003, p.8). Ook beweert u tijdens uw laatste interview op het Commissariaat- Generaal dat er ‘apatride’ op uw tijdelijke vergunning stond (gehoorverslag CGVS 27- maart 2003, p.4). Het is opmerkelijk dat u nergens in eerdere interview melding maakte van dit feit, aangezien het statuut dat u had in Rusland, en daarna verloor, een cruciaal punt is in uw asielrelaas. Bovendien blijkt uw ongeloofwaardigheid uit het feit dat u geen stukken voorlegt met betrekking tot uw identiteit, herkomst, nationaliteit, of de door u aangehaalde feiten. Tijdens het eerste gehoor op het Commissariaat-generaal werd u gewezen op het belang van het bekomen van stukken die uw verblijf in Rusland kunnen bewijzen (gehoorverslag CGVS, 01- 03-2003, p.8) Gezien de tijd die u hebt gehad tussen het eerste en het tweede gehoor op het Commissariaat-generaal (ruim een jaar) en gezien uw langdurig verblijf in Rusland (van 1984 tot 2002) is het niet geloofwaardig dat u niet staat bent geweest enige stukken te vinden die uw langdurig verblijf in Rusland kunnen bevestigen. In uw geval kan immers redelijkerwijze verwachten dat u contact kunt opnemen met uw universiteit, uw internaat, uw middelbare school, de familie van de vrouw bij wie u destijds hebt ingewoond, kennissen die u na een dergelijk langdurig verblijf nog hebt, professoren aan uw universiteit, artsen of ziekenhuizen bij wie u eventueel stage hebt gelopen, enzoverder. Uw uitleg toen u gevraagd werd naar uw inspanningen om deze documenten te bekomen was niet afdoende om uw geloofwaardigheid op dit punt te herstellen. De documenten die u wel voorlegde, oud Afghaans geld en een artikel over Rusland, kunnen uw identiteit of asielrelaas niet staven en kunnen aldus de bovenvermelde conclusies niet in postieve zin ombuigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat het op dit ogenblik vanuit humanitair oogpunt aangewezen is om in geval van gedwongen terugkeer zo nodig het bekomen van opvang of humanitaire hulp mogelijk te maken.”; XIV-16.562-3/6 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 1, A, 2) van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) en van artikel 6 van het E.V.R.M. opwerpt; dat zij aanvoert dat met “vluchteling” in de Vluchtelingenconventie wordt bedoeld degene die “met rede vreest vervolgd te worden”, dat daarin zowel een objectief als een subjectief element vervat zit, dat de verzoekende partij aan beide voorwaarden voldoet, dat de diverse fracties in Afghanistan volgens internationale rapporten nog altijd overhoop liggen en de burgerbevolking daarbij niet ontzien, dat er arbitrair moorden worden gepleegd, dat het Belgische leger het vliegveld van Kaboel moet bewaken, dat buiten Kaboel geen spoor van een internationale troepenmacht is te bekennen, dat de verzoekende partij in de onmogelijkheid verkeert om de bescherming van het land van herkomst in te roepen, dat de Belgische ambassadeur aldaar vraagt om geen vluchtelingen terug te sturen omwille van de instabiele toestand, dat uit die objectieve en subjectieve elementen een redelijke vrees voor vervolging in hoofde van de verzoekende partij blijkt en dat deze elementen niet toelaten tot het tegendeel te besluiten, dat er enkele contradicties in de verklaringen van de verzoekende partij voorkomen die wegsmelten in het licht van de overschrijding van de redelijke termijn, dat de verzoekende partij in januari 2001 in België aankwam en pas een definitieve beslissing kreeg in juli 2003, dat het niet redelijk is om de verzoekende partij drie jaar na haar aankomst terug op te roepen voor een interview en het resultaat daarvan uit te ziften op zoek naar contradicties, dat een overschrijding van artikel 6 van het E.V.R.M. niet betekent dat de verzoekende partij zich een politiek vluchteling mag noemen, dat de sanctie voor de overschrijding van de redelijke termijn ligt in een “zachtere” lezing waardoor de spons over zogenaamde contradicties moet worden geveegd en dat de bestreden beslissing eigenlijk helemaal niet os gemotiveerd doch op pure hypotheses van de verwerende partij zelf is gesteund; 2.
- Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op een gewone administratieve beslissingsprocedure zoals deze waarbij de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uitspraak moet doen over een dringend beroep tegen een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten; dat het enige middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij de motivering van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht en aldus de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het XIV-16.562-4/6 dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij stelt dat de toestand in Afghanistan helemaal niet stabiel is en dat de tegenstrijdigheden tussen de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij niet in aanmerking genomen mogen worden omwille van de lange duur tussen haar aankomst en het interview in 2003; dat de bestreden beslissing echter op meerdere motieven is gesteund, mat name het feit dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij alle middelen heeft uitgeput om een legaal verblijfsstatuut in de Russische federatie te verkrijgen, dat die bedenkingen ook gelden voor de mogelijkheid om op een andere manier dan via een asielaanvraag een legaal verblijfsstatuut in de Russische Federatie te krijgen, dat er tegenstrijdigheden zijn tussen de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij, die de geloofwaardigheid van het asielrelaas “nog verder in het gedrang brengen” en dat de verzoekende partij geen stukken met betrekking tot haar identiteit, herkomst, nationaliteit of de door haar aangehaalde feiten heeft neergelegd, alhoewel haar op het belang daarvan werd gewezen; dat die motivering in de bestreden beslissing omstandig is ontwikkeld en als een geheel moet worden gelezen, waarbij het niet is vereist dat ieder afzonderlijk element ervan die beslissing in haar geheel kan dragen; dat de verzoekende partij slechts ingaat op het motief betreffende de tegenstrijdigheden doch voorbijgaat aan de drie andere motieven; dat de verzoekende partij daarenboven op geen enkele concrete tegenstrijdigheid ingaat doch zich beperkt tot enkele algemeenheden; dat de tegenstrijdigheden die bestaan tussen de verklaringen van de verzoekende partij op het commissariaat-generaal in maart 2002 en in maart 2003 en niet tussen de aankomst in België en het laatste interview; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op onzorgvuldige of kennelijk onredelijke wijze of in strijd met de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de commissaris-generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt, is genomen; dat het enige middel in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-16.562-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien oktober tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.562-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.381 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.