id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.413 Rolnummer: A. 136037/VII-29623 Zaak: Arrest 163413 - - 11/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-01 06:25 Fiche Arrest nr 163.413 van 11 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 163.413 van 11 oktober 2006 in de zaak A. 136.037/VII-29.623 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. BAHRAMI, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 229 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 25 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 26 maart 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 16 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-29.623-1/6 Gelet op de beschikking van 26 juli 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 27 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat A. BAHRAMI, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.
- De feiten. 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 6 maart 2000 en verklaarde zich op 7 maart 2000 vluchteling. 1.
- Op 12 april 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 25 maart 2003 bevestigt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : “A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger afkomstig uit Teheran, verklaarde ter staving van uw asielaanvraag het volgende: uw vrouw slaagde in het jaar 1376 (Perzische kalender, komt overeen met 1997/1998 volgens de Gregoriaanse kalender) voor haar ingangsexamen aan de universiteit van Teheran. Uw echtgenote maakt deel uit van een politiek-actieve Koerdische familie en zij ontplooide politieke activiteiten op de universiteit. Haar politieke activiteiten bestonden erin, voor zover u weet, politieke pamfletten te verspreiden. Deze politieke activiteiten verstoorden uw huwelijk en jullie besloten gescheiden te gaan leven. Op 20/4/1378 (11 juli 1999) werd uw vrouw gearresteerd. Sindsdien vernam u niets meer van haar en weet u niet waar ze is. Vijf dagen later, op 25-04-1378 (16 juli 1999) werd u gearresteerd door de ordedienst Nirouyé Entezami. U werd vier weken vastgehouden. U werd mishandeld en ondervraagd omtrent uw politieke activiteiten. Enkele weken na uw vrijlating werd VII-29.623-2/6 u opnieuw gearresteerd en twee weken vastgehouden. U werd ervan beschuldigd dat u politieke activiteiten had, dat u uw vrouw hielp en dat u zelf pamfletten verspreidde. Als borg, in afwachting van uw verschijning voor de rechtbank, diende u bij uw vrijlating de eigendomsakte van uw huis af te geven. Nadien werd uw huis gesurveilleerd, uw telefoon gecontroleerd en uw bankrekeningen geblokkeerd. Na een gesprek met uw advocaat besloot u Iran te verlaten, waarop u onmiddellijk onderdook. Rond 15/11/1378 (4 februari 2000) verliet u Iran en op 6 maart 2000 kwam u in België aan, alwaar u op 7 maart 2000 asiel aanvroeg. B. Motivering Er werden verschillende tegenstrijdigheden vastgesteld tussen uw opeenvolgende verklaringen (gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en gehoor in dingend beroep het op Commissariaat-Generaal). Zo verklaarde u, omtrent de politieke activiteiten van uw vrouw, op het Commissariaat-generaal, dat uw vrouw Iran nooit verliet (zie gehoorverslag CGVS, p.21) en dat zij, voor zover u weet, enkel pamfletten verspreidde (zie gehoorverslag CGVS, p.11). Op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde u daarentegen dat uw vrouw in het kader van haar politieke activiteiten geregeld naar Iraaks Koerdistan reisde (zie gehoorverslag DVZ, p.12). Daarnaast vertelde u, omtrent uw vrijlating, op het Commissariaat-Generaal, dat u de eigendomsakte van uw eigen huis als waarborg gaf (zie gehoorverslag CGVS, p.17&20). Op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde u echter het eigendomsbewijs van de flat van uw grootmoeder gebruikt te hebben (zie gehoorverslag DVZ, p.12). Verder beweerde u, omtrent uw gezinssituatie, op het Commissariaat-Generaal alle leden van uw gezin (waaronder uw vader, moeder en broer), behalve uzelf in 1364 (1985/1986) Iran verlieten (zie gehoorverslag CGVS, p.9). Dit is in tegenspraak met uw verklaring op de Dienst Vreemdelingenzaken, namelijk dat u en uw broer door uw grootmoeder werden opgevoed, toen uw ouders Iran hadden verlaten (zie gehoorverslag DVZ, p.12). Op de Dienst Vreemdelingenzaken vertelde u, omtrent het overlijden van uw grootmoeder, dat u haar overlijden vernam, toen u vanuit België naar de arts van uw grootmoeder belde en deze het u mededeelde (zie gehoorverslag DVZ, p.13). Op het Commissariaat-Generaal verklaarde u dat u via een vriend uit Teheran die in België een asielaanvraag deed, hoorde dat uw grootmoeder overleden was (zie gehoorverslag CGVS, p.17). Al deze elementen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze. Voorts is het zeer opmerkelijk dat u op het Commissariaat-Generaal een belangrijk deel van uw asielrelaas niet vermeldde (zie gehoorverslag CGVS, p.17&22). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u na uw tweede vrijlating nog in het ziekenhuis werd opgenomen en daar nogmaals ondervraagd werd door veiligheidsagenten (zie gehoorverslag DVZ, p.13). De omissie van dit gegeven op het Commissariaat-Generaal ondermijnt eveneens uw geloofwaardigheid. Tenslotte dient vastgesteld te worden dat u geen enkel document heeft aangebracht ter staving van uw asielrelaas. De documenten die u aanbracht in het kader van uw asielaanvraag (uw boekje van burgerlijke stand en uw rijbewijs) kunnen enkel uw verklaringen omtrent uw identiteit staven. Dit staat niet ter discussie. Op grond van bovenstaande dient besloten te worden dat er in uw hoofde geen sprake is van een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève van 28 juli
- C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving VII-29.623-3/6 van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Dit is de bestreden beslissing.
- Beoordeling. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van het artikel 1 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” en van het recht op tegenspraak, alsook dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een manifeste beoordelingsfout heeft begaan. De verzoekende partij stelt dat de commissaris-generaal de asielaanvraag enkel bedrieglijk kan verklaren indien hij aantoont dat de verzoekende partij de wil heeft om de Belgische autoriteiten te misleiden. De beslissing van de commissaris-generaal is genomen op basis van vastgestelde tegenstrijdigheden tussen opeenvolgende verklaringen bij de onderscheiden asielinstanties. Volgens de verzoekende partij hebben deze tegenstrijdigheden betrekking op elementen die vreemd zijn aan de asielaanvraag of op bijkomende elementen, zodat de commissaris-generaal in de ontvankelijkheidsfase niet kan oordelen dat het volledige asielrelaas ongeloofwaardig is. Tenslotte stelt de verzoekende partij dat de commissaris- generaal haar niet de mogelijkheid heeft gegeven om de door hem vastgestelde tegenstrijdigheden te verklaren. De Conventie van Genève verbiedt niet dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring. De Belgische Staat heeft dit gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Er wordt niet aangetoond, noch aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met enige bepaling van voornoemd verdrag. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet laat de commissaris-generaal toe een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk zijn en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Van de kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak zijn van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig, coherent en geloofwaardig weergeeft aan de overheden, bevoegd VII-29.623-4/6 om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen zijn voor het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene verward, onsamenhangend of tegenstrijdig zijn of dat ze in strijd zijn met algemeen bekende feiten. De bewering van de verzoekende partij dat een asielaanvraag enkel bedrieglijk kan worden verklaard, indien kan worden aangetoond dat de asielzoeker de wil had om de Belgische autoriteiten te misleiden, kan dus niet worden bijgetreden. In het huidige geval heeft de commissaris-generaal op redelijke gronden vastgesteld dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de verzoekende partij ondermijnt. Deze tegenstrijdigheden, die geput werden uit de verklaringen van de verzoekende partij, werden in de bestreden beslissing weergegeven. De beslissing is bijgevolg naar behoren formeel gemotiveerd, nu zij de feitelijke en juridische elementen aangeeft waarop de commissaris-generaal zich heeft gesteund om de asielaanvraag bedrieglijk te verklaren. In de mate waarin de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, slaagt zij er niet in aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal niet correct zijn, noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zijn. Een verder onderzoek van het middel zou de Raad van State verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid. De Raad van State treedt, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Hij onderzoekt enkel of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. In het kader van de marginale toetsing wordt de aangeklaagde onwettigheid slechts dan gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is. De verzoekende partij slaagt er echter niet in de vastgestelde tegenstrijdigheden te weerleggen. Bovendien hebben deze tegenstrijdigheden betrekking op de kern van het asielrelaas en niet op elementen die vreemd zijn aan het asiel. De verzoekende partij toont bijgevolg niet aan dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld, noch dat de motieven kennelijk onredelijk zijn. Het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de beoordeling van de commissaris-generaal maakt op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uit. Het dringend beroep bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is een administratief en geen jurisdictioneel beroep. Bijgevolg is het recht van verdediging en dus ook het recht van tegenspraak niet van toepassing op dergelijke VII-29.623-5/6 beslissingen. Het volstaat dat de verzoekende partij nuttig voor zijn belangen is kunnen opkomen. Uit het administratief dossier blijkt dat dit in casu het geval is. De verzoekende partij voert aan dat “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” is geschonden, maar laat echter na aan te duiden om welk beginsel van behoorlijk bestuur het gaat. Het middel is, wat dit betreft, niet ontvankelijk.
- De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is dus grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-29.623-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div