← België

Arrest 163450 - Dienst Vreemdelingenzaken - 11/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.450 Rolnummer: A. 177448/XIV-26848 Zaak: Arrest 163450 - Dienst Vreemdelingenzaken - 11/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 06:28 Fiche Arrest nr 163.450 van 11 oktober 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 163.450 van 11 oktober 2006 in de zaak A. 177.448/XIV-26.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 november 1980 en van Russische nationaliteit, op 8 oktober 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 oktober 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 3 oktober 2006; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 oktober 2006 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-26.848-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, dat overeenkomstig artikel 3, lid 2, 5/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten dient te bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochte akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat de verzoekende partij in principe gegevens dient aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat ze ondergaat of kan ondergaan, hetgeen betekent dat zij aanduidingen zal moeten geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; dat er dient op te worden gewezen dat bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient rekening te worden gehouden met het feit dat het nadeel specifiek en rechtstreeks moet voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing als zodanig; dat hieruit volgt dat moet worden aangetoond dat het besluit waarvan de schorsing wordt gevraagd aan de oorsprong ligt van het nadeel, met andere woorden dient er een causaal verband te bestaan tussen de bestreden beslissing en het vermeende moeilijk te herstellen ernstig nadeel; Overwegende dat de verzoekende partij voor wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft aanvoert wat volgt: “ERNSTIG EN MOEILIJK TE HERSTELLEN NADEEL De bestreden beslissing zal bij toepassing ervan een ernstige en moeilijk te herstellen schade toebrengen aan verzoekende partijen; XIV-26.848-2/5 In feite zal deze de verzoekende partijen verhinderen te kunnen genieten van de hoedanigheid van kandidaat politieke vluchtelingen in België, waarop zij nochtans zouden moeten kans maken gelet op de staat van hun dossier in huidige stand van zaken; Dat de European Counci on Refugees and exiles ( ECRE), in zijn verslag dd. Juni 2005 punt o. m. 13 , uitdrukkelijk voorziet in zijn aanbevelingen, dat met betrekking tot aanvragen van terugname van Tsjetsjeense asielzoekers, die binnengekomen zijn via de ‘nieuwe’ staatsleden, de staatsleden zouden gebruik moeten maken van art 3 en van artikel 15 van de Dublin 2 overeenkomst; Dat hierbij ook heel duidelijk gesteld wordt dat dit juridisch mogelijk is en dat België niet automatisch tot de terugname en de overdracht dient te concluderen en over te gaan, van zodra blijkt dat de asiel aanvrager eerder reeds asiel heeft aangevraagd in Polen; Dat hierbij ook duidelijk voorkomt dat het moeilijk te herstellen nadeel dat verzoekers aanvoeren, niet voortvloeit van de toepassing van de verordening 343 /
  2. doch wel van de beslissing die door de DVZ wordt getroffen; Dat hoger uiteengezet werd dat de sanitaire toestand in Polen in de vluchtelingen kampen het niet toelaat te denken dat verzoekers leven in Polen, niet in gevaar zou, kunnen worden gebracht; Dat het hoger ingelast verslag van T. I. hier als letterlijk weergegeven dient te worden geacht. Dat er een gegronde vrees bestaat dat verzoekers in Polen aan. praktijken zouden worden onderworpen die totaal in overtreding zijn met artikel. 3 van de Conventie van de rechten van de Mens en niet het doel van de Conventie van Genève;” Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hierop als volgt repliceert: “Verzoekende partij toont niet op basis van concrete gegevens aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden bij onmiddellijke uitvoering van de aangevochten admi- nistratieve beslissing. Verzoekster die het voordeel inroept van de behandeling van een asielaanvraag heeft niet alleen het recht op de behandeling van die aanvraag, doch anderzijds ook de plicht zich te gedragen naar de internationale en nationale regelgeving desbetreffend. Zowel haar zus als de andere leden van haar familie werden het voorwerp van gelijkaardige beslissing waardoor allen aan Polen worden overgedragen.”; Overwegende dat de verzoekende partij bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal worden teruggeleid naar Polen en dat haar asielaanvraag daar verder zal worden behandeld; dat dit echter een gevolg is van het feit dat de verzoekende partij oorspronkelijk zelf haar (eerste) asielaanvraag in Polen heeft ingediend; dat waar de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing haar zal verhinderen te kunnen genieten van de hoedanigheid van kandidaat politiek vluchteling in België, waarop zij nochtans zou moeten kans maken gelet op de staat van haar dossier in de huidige stand van zaken, uit de bestreden beslissing blijkt dat Polen heeft ingestemd met de vraag tot terugname van verzoekende partij; dat bijgevolg de bestreden beslissing de mogelijke erkenning van de verzoekende partij als vluchteling niet in de weg staat; dat zij alleen bepaalt dat de asielaanvraag in Polen dient te worden behandeld; dat Polen een volwaardig lid van de Europese Unie is en door dezelfde internationale verdragen als België is gebonden, zodat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat de verzoekende partij voor de behandeling van haar asielaanvraag minder waarborgen in Polen dan in België zou genieten; dat als de verzoekende partij in aanmerking zou komen voor bescherming op basis van het Vluchtelingenverdrag, zij de door dit verdrag gewaarborgde bescherming ook in Polen kan krijgen; dat in dit opzicht de verzoekende partij geen concrete aanwijzingen XIV-26.848-3/5 bijbrengt, laat staan bewijzen, die aantonen dat haar asielaanvraag niet met de nodige zorg en garanties in Polen kan behandeld worden; Overwegende dat de beweringen van de verzoekende partij dat de sanitaire toestand in de vluchtelingenkampen in Polen het niet toelaat te denken dat haar leven er niet in gevaar zou kunnen worden gebracht, en dat er een gegronde vrees bestaat dat de verzoekende partij in Polen aan praktijken zou worden onderworpen die in strijd zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) en met het doel van de Conventie van Genève, louter hypothetisch zijn en door geen enkel concreet element worden gestaafd; dat immers, waar de verzoekende partij een inbreuk op artikel 3 van het E.V.R.M. aanvoert, wordt opgemerkt dat deze bepaling eist dat de verzoekende partij doet blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat immers de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een blote bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij zich in haar betoog beperkt tot de blote bewering dat “er een gegronde vrees bestaat dat verzoekers in Polen aan praktijken zouden worden onderworpen die totaal in overtreding zijn met artikel 3 van de Conventie van de rechten van de Mens en met het doel van de Conventie van Genève”; dat in zoverre de verzoekende partij zich in deze context steunt op het verslag van T. I., daargelaten de vraag in hoeverre dit verslag kan worden beschouwd als een officieel en relevant document, zij hieruit evenwel geen concrete, op haar persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengt ter adstruering van deze kritiek; dat de verzoekende partij derhalve niet aantoont dat ze een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat evenmin de loutere bewering dat ze in Polen aan praktijken zal worden onderworpen die totaal in overtreding zijn met het doel van de Conventie van Genève, wordt gestaafd met enig concreet gegeven of overtuigend argument; dat de verzoekende partij bijgevolg niet aannemelijk maakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar een ernstig, laat staan een moeilijk te herstellen nadeel zal veroorzaken; Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, XIV-26.848-4/5 BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf oktober tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-26.848-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.450 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.