← België

Arrest 163475 - - 12/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.475 Rolnummer: A. 74434/XII-3164 Zaak: Arrest 163475 - - 12/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 06:30 Fiche Arrest nr 163.475 van 12 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.475 van 12 oktober 2006 in de zaak A. 74.434/XII-3164. In zake : de VZW GAIA, met zetel te 1030 Brussel, Paleizenstraat 90 tegen : de STAD GENT. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW GAIA op 22 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 27 maart 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent waarbij een “procedure m.b.t. huisslachtingen van niet aan keuring onderworpen dieren n.a.v. het Islamitisch Offerfeest 1997” wordt goedgekeurd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 26 juni 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-3164-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Mosselmans, die loco advocaat G. Adant verschijnt voor verzoekster, en van advocaat B. Van Lee, die loco advocaat F. Fazzi-De Clercq verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent op 27 maart 1997 beslist : “zijn goedkeuring te hechten aan volgende procedure m.b.t. huisslachtingen van niet aan keuring onderworpen dieren n.a.v. het Islamitisch Offerfeest 1997 :

  1. a)de aangifte van slachtingen kan gebeuren van 17 tot en met 20 april 1997 in het Migrantencentrum, de Buurcentra, de Dienstencentra en het Administra- tief Centrum Stad Gent (hiervoor wordt een taks aangerekend van 120 fr.);
  2. b)de aangever dient op de plaats van aangifte 2 afvalzakken (1 kleurloze en 1 gekleurde) aan te kopen aan 20 fr. per stuk en een waarborg van 1.000 fr. te betalen;
  3. c)het slachtafval (in de kleurloze zak) en het vel (in de gekleurde zak) van elke particuliere slachting wordt in de periode van 17 tot en met 20 april tussen 8 u. en 16 u. gedeponeerd in de daartoe bestemde containers opgesteld op het terrein van IVAGO aan de Gasmeterlaan;
  4. d)na inlevering van het slachtafval en het voorleggen van het waarborgbewijs wordt de waarborg ter plaatse terugbetaald.”; 2. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord tegenwerpt dat verzoekster zonder actueel belang is, omdat het bestreden besluit betrekking heeft op het islamitisch Offerfeest 1997, het feest plaats had van 17 tot 20 april 1997 en “de nuttige werking van het bestreden besluit reeds was uitgedoofd” bij het instellen van het vernietigingsberoep; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord reageert dat het rechtens vereiste belang niet teloor gaat door het enkele feit dat de bestreden beslissing is uitgevoerd en heel haar effect heeft gehad, dat zo niet vrijwel alle annulatieberoepen, zeker deze met een in de tijd beperkte uitwerking of geldingskracht, bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk zouden worden en dat er trouwens geen aanwijzingen voor zijn dat de wetgever bestuurshandelingen met in de tijd beperkte duur uit de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State heeft uitgesloten; XII-3164-2/6 Overwegende dat de Raad van State het standpunt van verzoekster bijvalt; dat de exceptie verworpen wordt; 3. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 16 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren en van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 11 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen, doordat “de bestreden beslissing voorziet in thuisslachtingen van de door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen, terwijl dergelijke slachtingen enkel in een slachthuis mogen plaatsvinden en slechts door welbepaalde personen mogen worden uitgevoerd”; dat verzoekster in een eerste onderdeel schrijft wat volgt : “Overwegende dat artikel 16 § 2 van de dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986 uitdrukkelijk voorziet dat de Koning de methoden van slachten en bedwelmen kan bepalen volgens de omstandigheden van het slachten en de diersoort. ‘De Koning kan bepalen dat sommige slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst moeten worden uitgevoerd in erkende slachthuizen of in inrichtingen erkend door de Minister tot wiens bevoegdheid de landbouw behoort na overleg met de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezond- heid behoort, door offeraars die daartoe zijn gemachtigd door de vertegen- woordigers van de eredienst’. Dat artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 11 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen, gewijzigd door het K.B. van 12 april 1988, uitdrukkelijk stelt : ‘De door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen van runderen, schapen en geiten mogen slechts in een openbaar slachthuis of in een particulier slachthuis plaatsvinden’. Overwegende dat de bestreden beslissing duidelijk de slachtingen viseert in het kader van de islamitische ritus waar het offerfeest plaatsvond tussen 17 en 18 april 1997. Dat immers de bestreden beslissing uitdrukkelijk vermeldt dat het gaat over ‘thuisslachtingen naar aanleiding van het islamitisch offerfeest 1997’. Dat eveneens de datum waarop de beslissing werd genomen, zijnde drie weken voor de aanvang van dit religieus offerfeest, aantoont dat de beslissing de verwachte rituele slachtingen viseert. Dat de bestreden beslissing, die voorziet in thuisslachtingen van de door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen, dan ook artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 11 februari 1988 schendt.”; Overwegende dat verwerende partij daar in de memorie van antwoord tegen inbrengt dat zij “bij de uitvaardiging van het bestreden besluit niets meer heeft toegelaten dan de wet zelf toelaat of verbiedt”; dat zij onder meer toelicht : “Ten onrechte stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing voorziet in thuisslachtingen. XII-3164-3/6 Het bestreden besluit voorziet enkel in de reglementering van slachtingsaang- iften, dit in uitvoering van art. 4 van de Wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de Vleeshandel en art. 4 van het KB van 9 maart 1953 betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren. Het bestreden besluit bepaalt hoegenaamd niet dat thuisslachtingen toegelaten zijn en dat art. 16 van de dierenbeschermingswet niet dient te worden nageleefd, wel integendeel. Art. 16 van de Wet stelt dat het slachten van een dier slechts mag plaatsheb- ben na bedwelming van het dier of, in geval van heirkracht, volgens de minst pijnlijke methode. Welnu, uit de bewoordingen van het bestreden besluit kan op geen enkele wijze, noch expliciet, noch impliciet worden afgeleid dat door welke persoon ook afbreuk mag worden gedaan aan deze bepaling. Tot nader order gaat de concluante ervan uit dat deze wettelijke bepaling wordt nageleefd”; Overwegende dat in de laatste memorie verwerende partij nog verduidelijkt : “- De situatie is dus als volgt : - indien een slachting gebeurt overeenkomstig een bepaalde religieuze ritus dient zij te gebeuren op de plaatsen en door de personen, aangewezen door het KB van 11 februari 1988. De bepalingen van hoofdstuk VI van de wet betreffende de dierenbescherming zijn dan niet toepasselijk (met uitzonde- ring van § 2, 2e lid); - indien een slachting gebeurt overeenkomstig artikel 4 van de wet van 5 september 1952, dient een voorafgaande aangifte te worden gedaan. Dergelijke slachting gebeurt onder toepassing van hoofdstuk VI van de wet betreffende de dierenbescherming. In antwoord op het verslag van de heer Auditeur moet derhalve vastgesteld worden dat er noch van enig onwettig handelen, noch van enige machtsover- schrijding sprake kan zijn bij het bepalen van een aangifteprocedure : het stadsbestuur (in casu het College van Burgemeester en Schepenen) put haar bevoegdheid om een aangifteprocedure te bepalen i.v.m. slachtingen n.a.v. het Islamitisch Offerfeest, rechtstreeks uit de formele bepalingen van de wet van 5/9/1952 en het KB van 9/3/1953. Waar rituele slachtingen (in de werkelijke betekenis van het woord) ten huize inderdaad niet zijn toegelaten, zijn slachtingen ten huize wel toegelaten voor zover aan de aangifteplicht werd voldaan (en met dien verstande dat dergelijke slachtingen dienen te gebeuren in overeenstemming met de wet op de dierenbe- scherming)”; 4. Overwegende dat volgens artikel 4 van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, degene die een slachtdier wil slachten of doen slachten daarvan vooraf aangifte moet doen, overeenkomstig de modaliteiten en termijnen van aangifte vastgesteld bij koninklijk besluit; dat het koninklijk besluit van 9 maart 1953 betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren, de gemeenten bevoegd maakt om te bepalen door wie, waar en wanneer deze slachtingsaangiften in ontvangst worden genomen; XII-3164-4/6 Overwegende dat krachtens artikel 16, § 2, tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, dan weer, de Koning kan bepalen dat sommige slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst moeten worden uitgevoerd in erkende slachthuizen of in erkende inrichtingen, door offeraars die daartoe zijn gemachtigd door de vertegenwoordigers van de eredienst; dat de Koning ook effectief van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt; dat de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 11 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen -zoals zij ten tijde van de bestreden beslissing luidden- bepalen dat de door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen van runderen, schapen en geiten slechts in een openbaar slachthuis of in een particulier slachthuis mogen plaatsvinden en dat slachten voorgeschreven door de islamitische ritus slechts door offeraars mag geschieden die daartoe door het representatief orgaan van de islamieten in België gemachtigd zijn; 5. Overwegende dat uit de wet van 14 augustus 1986 en het koninklijk besluit van 11 februari 1988 volgt dat het verboden is runderen, schapen en geiten thuis te slachten ter gelegenheid van het islamitisch Offerfeest 1997; dat wat verboden is, ook niet nader georganiseerd mag worden; dat, alzo, de vermelde wet en het koninklijk besluit van aard zijn beperkingen op te leggen aan de bevoegdheid die de verwerende partij uit de wet van 5 september 1952 en het koninklijk besluit van 9 maart 1953 put; Overwegende dat ter gelegenheid van het islamitisch Offerfeest inzonderheid schapen, geiten en runderen worden geslacht; dat dan ook de bestreden collegebeslissing, door in een “procedure m.b.t. huis-slachtingen van niet aan goedkeuring onderworpen dieren n.a.v. het Islamitisch Offerfeest 1997” te voorzien, wezenlijk ertoe strekt en meebrengt een zogenaamd “systeem van aangifte” te installeren met betrekking tot verboden thuisslachtingen; Overwegende dat verwerende partij weliswaar bijvalt dat “rituele slachtingen (in de werkelijke betekenis van het woord) ten huize inderdaad niet zijn toegelaten”, maar zulks geen bezwaar vindt voor de bestreden beslissing omdat “slachtingen ten huize wel toegelaten [zijn] voor zover aan de aangifteplicht werd voldaan (en met dien verstande dat dergelijke slachtingen dienen te gebeuren in overeenstemming met de wet op de dierenbescherming)”; dat dit geen steek houdt; dat, in zoverre de wet betreffende de bescherming en het welzijn der dieren thuisslachtingen verbiedt, het zinledig en zonder grond is een onderscheid te maken XII-3164-5/6 tussen eensdeels thuisslachtingen die verboden zijn en, anderdeels, thuisslachtingen die toegelaten zijn op voorwaarde dat de voornoemde wet wordt nageleefd; Overwegende dat te dezen verwerende partij met de aangevochten beslissing een praktijk heeft geregeld die de in het middel aangevoerde bepalingen verbieden; dat zij daardoor die bepalingen ook zelf geschonden heeft; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 27 maart 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent waarbij een “procedure m.b.t. huisslachtingen van niet aan keuring onderworpen dieren n.a.v. het Islamitisch Offerfeest 1997” wordt goedgekeurd. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3164-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.475 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.