id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.476 Rolnummer: A. 74435/XII-3163 Zaak: Arrest 163476 - - 12/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 06:31 Fiche Arrest nr 163.476 van 12 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.476 van 12 oktober 2006 in de zaak A. 74.435/XII-
- In zake : de VZW GAIA, met zetel te 1030 Brussel, Paleizenstraat 90 tegen : de GEMEENTE MAASMECHELEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW GAIA op 22 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 maart 1997 van de gemeenteraad van Maasmechelen waarbij de voorwaarden worden bepaald waaronder de inwoners van de gemeente gemachtigd worden voor het islamitisch Offerfeest de rituele slachtingen aan huis uit te voeren; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 26 juni 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 17 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Mosselmans, die loco advocaat G. Adant verschijnt voor verzoekster; XII-3163-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gemeenteraad van Maasmechelen op 25 maart 1997 de voorwaarden bepaalt waaronder de inwoners gemachtigd worden voor het islamitisch Offerfeest de rituele slachtingen aan huis uit te voeren; dat onder meer is voorgeschreven : “Artikel 2 Iedereen die een rituele slachting aan huis wenst uit te voeren, moet daartoe gemachtigd worden door het gemeentebestuur door middel van een slachtvergunning. Artikel 3 Per te slachten dier moet men in het bezit zijn van een slachtvergunning. Bij deze vergunning hoort er één plastic zak om het slachtafval en één plastic zak om het schapenvel in te deponeren. Er is een waarborg verschuldigd per te slachten dier. Artikel 4 De slachtvergunning kost 50 fr. De kosten voor de twee plastic zakken bedraagt 50 fr. De waarborg bedraagt 400 fr. Artikel 5 Het personeel van de dienst landbouw wordt gemachtigd om voor de financiële dienst de vergunningen en de plastic zakken voor rituele slachtingen af te leveren aan de inwoners van Maasmechelen en om de waarborgen terug te betalen. Het lokaal Integratiecentrum kan instaan voor de centralisatie van de aanvragen. Artikel 6 Het slachtafval en het schapenvel wordt in de plastic zak gedaan door de persoon die de slachting uitvoerde. Deze staat ook in voor het deponeren van het slachtafval en het schapenvel. Zowel het slachtafval als het schapenvel dienen uit de plastic zak gedaan te worden, in de containers, die staan opgesteld aan het slachthuis te Eisden Maasmechelen ingang parking, Vredestraat te Maasmechelen, volgens de aanwijzingen gegeven door de toezichter. Artikel 7 Na het reglementair storten volgens Artikel 6, van het schapenvel en het slachtafval wordt de slachtvergunning afgestempeld door de toezichter. De aangestelde van de dienst landbouw betaalt de waarborg terug op voorlegging van de afgestempelde slachtvergunning. Artikel 8 Aan de personen, die deelnemen aan de rituele slachtingen, is het verboden om het slachtafval te deponeren op een andere manier dan is voorgeschreven in artikel 6”;
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 16 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren en van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 11 XII-3163-2/5 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen, doordat “de bestreden beslissing voorziet in thuisslachtingen van de door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen, terwijl dergelijke slachtingen enkel in een slachthuis mogen plaatsvinden en slechts door welbepaalde personen mogen worden uitgevoerd”; dat verzoekster in een eerste onderdeel schrijft wat volgt : “Overwegende dat artikel 16 § 2 van de dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986 uitdrukkelijk voorziet dat de Koning de methoden van slachten en bedwelmen kan bepalen volgens de omstandigheden van het slachten en de diersoort. ‘De Koning kan bepalen dat sommige slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst moeten worden uitgevoerd in erkende slachthuizen of in inrichtingen erkend door de Minister tot wiens bevoegdheid de landbouw behoort na overleg met de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort, door offeraars die daartoe zijn gemachtigd door de vertegenwoordigers van de eredienst’. Dat artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 11 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen, gewijzigd door het K.B. van 12 april 1988, uitdrukkelijk stelt : ‘De door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen van runderen, schapen en geiten mogen slechts in een openbaar slachthuis of in een particulier slachthuis plaatsvinden’. Overwegende dat de bestreden beslissing duidelijk de slachtingen viseert in het kader van de islamitische ritus waar het offerfeest plaatsvond tussen 17 en 18 april
- Dat immers de bestreden beslissing uitdrukkelijk vermeldt dat het gaat over ‘thuisslachtingen naar aanleiding van het islamitisch offerfeest 1997’. Dat eveneens de datum waarop de beslissing werd genomen, zijnde drie weken voor de aanvang van dit religieus offerfeest, aantoont dat de beslissing de verwachte rituele slachtingen viseert. Dat de bestreden beslissing, die voorziet in thuisslachtingen van de door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen, dan ook artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 11 februari 1988 schendt”;
- Overwegende dat krachtens artikel 16, § 2, tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, de Koning kan bepalen dat sommige slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst moeten worden uitgevoerd in erkende slachthuizen of in erkende inrichtingen, door offeraars die daartoe zijn gemachtigd door de vertegenwoordigers van de eredienst; dat de Koning ook effectief van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt; dat de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 11 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen -zoals zij ten tijde van de bestreden beslissing luidden- bepalen dat de door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen van runderen, schapen en geiten slechts in een openbaar slachthuis of in een particulier slachthuis mogen plaatsvinden en dat slachten XII-3163-3/5 voorgeschreven door de islamitische ritus slechts door offeraars mag geschieden die daartoe door het representatief orgaan van de islamieten in België gemachtigd zijn; Overwegende dat uit de wet van 14 augustus 1986 en het koninklijk besluit van 11 februari 1988 volgt dat het verboden is runderen, schapen en geiten thuis te slachten ter gelegenheid van het islamitisch Offerfeest; dat wat verboden is, ook niet nader georganiseerd mag worden; Overwegende dat de bestreden gemeenteraadsbeslissing bepaalt onder welke voorwaarden de gemeentenaren ter gelegenheid van het islamitisch Offerfeest tot thuisslachtingen van schapen mogen overgaan; dat zij zodoende een verboden praktijk regelt en er in bewilligt, en zelf ook de in het middel aangevoerde bepalingen schendt; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 25 maart 1997 van de gemeenteraad van Maasmechelen waarbij de voorwaarden worden bepaald waaronder de inwoners van de gemeente gemachtigd worden voor het islamitisch Offerfeest de rituele slachtingen aan huis uit te voeren. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-3163-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3163-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.476 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.