id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.478 Rolnummer: A. 118978/XII-3510 Zaak: Arrest 163478 - - 12/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 06:32 Fiche Arrest nr 163.478 van 12 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.478 van 12 oktober 2006 in de zaak A. 118.978/XII-
- In zake : de VZW GAIA, die woonplaats kiest bij advocaat J. Verstraeten, kantoor houdende te Leuven, Vaartstraat 70 tegen : de STAD GENT. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW GAIA op 29 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Gemeenteraadsbesluit [van de stad Gent] van 28 januari houdende ‘Organisatie Islamitisch Offerfeest 2002 op 22 en 23 februari’”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 9 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 3 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-3510-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Verstraeten, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat B. Van Lee, die loco advocaat H. Van Burm verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gemeenteraad van de stad Gent op 29 januari 2002 met betrekking tot het punt “Organisatie van het islamitisch offerfeest 2002 op 22 en 23 februari.- Vervroegde terbeschikkingstelling van kredieten.- Goedkeuring”, besluit : “Enig artikel : De vervroegde terbeschikkingstelling van kredieten in het kader van de organisatie van het islamitisch offerfeest 2002 goed te keuren : 7400 euro te verrekenen op G.U.’02, art. 8420100/12248 7984 euro te verrekenen op G.U.’02, art. 8420100/12204 16 049 euro te verrekenen op G.U.’02, art. 8420100/12506 375 euro te verrekenen op G.U.’02, art. 8420100/12412 26 065 euro te verrekenen op G.U.’02, art. 8420100/12448”; Overwegende dat in het motiverend gedeelte onder meer wordt uiteengezet dat op 22-25 februari 2002 het jaarlijks islamitisch Offerfeest plaatsheeft, dat het gebruikelijk is dat moslims dan een schaap slachten, dat het stadsbestuur een aantal maatregelen kan nemen om het hoge aantal slachtingen tijdens deze dagen “in goede banen te leiden”, en dat, hoewel het de bedoeling is van het stadsbestuur om particuliere slachtingen te vermijden, er toch “regelingen [worden] getroffen ten behoeve van het hoge aantal aangiftes voor het voltrekken van een particuliere slachting ten huize”: “Voor particuliere slachtingen ten huize wordt een aangiftebewijs uitgereikt tegen betaling van een waarborg van 25 euro. De particulier betaalt 5 euro als tussenkomst in de kosten voor de verwerking van het slachtafval. Er worden per schaap twee zakken meegegeven, één voor het afval en één voor de huiden. De waarborg wordt terugbetaald na inlevering van het dierlijk afval. De kosten voor de organisatie hiervan worden geraamd op 27.865 euro. Op basis van samen- spraak met Ivago wordt voorgesteld de factuur te verrekenen in de bijdrage die het stadsbestuur betaalt aan Ivago”; XII-3510-2/6
- Overwegende dat verwerende partij in een eerste ontvankelijk- heidsexceptie doet gelden dat zij geen gemeenteraadsbesluit van 28 januari houdende “Organisatie Islamitisch offerfeest 2002 op 22 en 23 februari” kent en dat het bestreden besluit “formeel niet bestaat”; Overwegende dat verwerende partij spijkers op laag water zoekt; dat de bewoordingen van het verzoekschrift en het erbij gevoegde stuk 1 (“De bestreden beslissing”) er geen twijfel over laten dat het beroep de gemeenteraads- beslissing betreffende de “Organisatie van het islamitisch offerfeest 2002 op 22 en 23 februari.- Vervroegde terbeschikkingstelling van kredieten.- Goedkeuring” viseert; dat die beslissing niet minder reëel is omdat verzoekster verkeerdelijk meent dat zij op 28 januari 2002 tot stand kwam, in plaats van op 29 januari 2002; dat de exceptie ongegrond is;
- Overwegende dat het beroep volgens een tweede exceptie laattijdig is, aangezien het verzoekschrift tot nietigverklaring pas op 2 april 2002 werd neergelegd; Overwegende dat als datum van indiening van het beroep in beginsel de datum geldt waarop het verzoekschrift met een ter post aangetekend schrijven aan de Raad van State is toegestuurd; dat die datum te dezen 29 maart 2002 is; dat het beroep aldus de 59ste dag na de bestreden beslissing ingesteld zijnde, bijgevolg tijdig is; dat de exceptie grond mist;
- Overwegende dat in een derde ontvankelijkheidsexceptie wordt opgeworpen dat verzoekster zonder actueel belang is doordat het bestreden besluit “reeds was uitgedoofd” bij het indienen van het verzoekschrift; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord reageert dat het rechtens vereiste belang niet teloor gaat door het enkele feit dat de bestreden beslissing is uitgevoerd en heel haar effect heeft gehad, dat zo niet vrijwel alle annulatieberoepen, zeker deze met een in de tijd beperkte uitwerking of geldingskracht, bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk zouden worden en dat er trouwens geen aanwijzingen voor zijn dat de wetgever bestuurshandelingen met in de tijd beperkte duur uit de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State heeft uitgesloten; XII-3510-3/6 Overwegende dat de Raad van State het standpunt van verzoekster bijvalt; dat de exceptie verworpen wordt;
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 16 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren en van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 11 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen, doordat “de bestreden beslissing voorziet in thuisslachtingen van de door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen, terwijl dergelijke slachtingen enkel in een slachthuis mogen plaatsvinden en slechts door welbepaalde personen mogen worden uitgevoerd”; dat verzoekster toelicht dat een organisatie van particuliere slachtingen ten huize op touw wordt gezet, waarbij twee zakken worden meegege- ven, één voor het afval en één voor de huiden, en dat die organisatie een weerslag op het budget heeft “aangezien de kosten geraamd worden op 27.865 euro, die conform het besluit vervroegd dienen ter beschikking gesteld te worden”; Overwegende dat de verwerende partij daar in de memorie van antwoord ten eerste tegen inbrengt dat het gemeenteraadsbesluit van 29 januari 2002 “niet voorziet in thuisslachtingen van de door een religieuze ritus voorgeschreven slachting” en dat het “enkel [handelt] over de financiering van het islamitisch offerfeest, noch min, noch meer”; dat in de tweede plaats wordt geantwoord dat het besluit “enkel” verwijst naar een systeem van aangifte “dat bestaat in toepassing van [...] KB van 3 maart 1953, betreffende slachtingen die particulier gebeuren overeenkomstig art. 4 van de wet van 5/9/1952”, en dat nergens wordt gesteld, rechtstreeks of onrechtstreeks, dat bij een thuisslachting de bepalingen van artikel 16, § 1, van de wet van 14 augustus1986 en van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 11 februari 1988 mogen worden geschonden;
- Overwegende dat volgens artikel 4 van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, degene die een slachtdier wil slachten of doen slachten daarvan vooraf aangifte moet doen, overeenkomstig de modaliteiten en termijnen van aangifte vastgesteld bij koninklijk besluit; dat het koninklijk besluit van 9 maart 1953 betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren, de gemeenten bevoegd maakt om te bepalen door wie, waar en wanneer deze slachtingsaangiften in ontvangst worden genomen; XII-3510-4/6 Overwegende dat krachtens artikel 16, § 2, tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, dan weer, de Koning kan bepalen dat sommige slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst moeten worden uitgevoerd in erkende slachthuizen of in erkende inrichtingen, door offeraars die daartoe zijn gemachtigd door de vertegenwoordigers van de eredienst; dat de Koning ook effectief van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt; dat de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 11 februari 1988 betreffende sommige door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen -zoals zij ten tijde van de bestreden beslissing luidden- bepalen dat de door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen van runderen, schapen en geiten slechts in een openbaar slachthuis, in een particulier slachthuis of in inrichtingen erkend door de minister tot wiens bevoegdheid de landbouw behoort, mogen plaatsvinden en dat slachten voorgeschreven door de islamitische ritus slechts door offeraars mag geschieden die daartoe door het representatief orgaan van de islamieten in België gemachtigd zijn;
- Overwegende dat uit de wet van 14 augustus 1986 en het koninklijk besluit van 11 februari 1988 volgt dat het verboden is runderen, schapen en geiten thuis te slachten ter gelegenheid van het islamitisch Offerfeest 2002; dat wat verboden is, ook niet “in goede banen” geleid mag worden, bijvoorbeeld door ter zake een zogenaamd “systeem van aangifte” te organiseren en te financieren; dat, alzo, de vermelde wet en het koninklijk besluit van aard zijn beperkingen op te leggen aan de bevoegdheid die de verwerende partij uit de wet van 5 september 1952 en het koninklijk besluit van 9 maart 1953 put; Overwegende dat de bestreden gemeenteraadsbeslissing voorziet in kredieten ten behoeve van de organisatie van het islamitisch Offerfeest 2002, welke organisatie onder andere de inrichting van particuliere slachtingen van schapen ten huize inhoudt; dat, zoals gezien, rituele thuisslachtingen van schapen evenwel verboden zijn; dat bijgevolg de gemeenteraadsbeslissing tot de organisatie van een verboden praktijk bijdraagt en, in die mate, zelf ook de in het middel aangevoerde bepalingen schendt; dat het middel gegrond is; Overwegende dat het middel volgens het auditoraatsverslag de vernietiging van het gehele gemeenteraadsbesluit van 29 januari 2002 moet meebrengen; dat de Raad van State dat bijvalt; dat verwerende partij noch in een laatste memorie -die zij niet indiende-, noch ter terechtzitting zelfs maar oppert dat XII-3510-5/6 de bestreden beslissing splitsbaar is en dat het middel alleen een gedeeltelijke vernietiging ervan kan verantwoorden, laat staan nog dat zij zulks aannemelijk maakt, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 29 januari 2002 van de gemeenteraad van de stad Gent met betrekking tot de “Organisatie van het islamitisch offerfeest 2002 op 22 en 23 februari.- Vervroegde terbeschikkingstelling van kredieten”. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf oktober 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3510-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.478 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.