id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.590 Rolnummer: Zaak: Arrest 163590 - - 13/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-01 06:42 Fiche Arrest nr 163.590 van 13 oktober 2006 - Beslissing : Bevolen Samenvoeging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.590 van 13 oktober 2006 in de zaken A. 171.251/XII-
- A. 171.286/XII-
- A. 173.342/XII-
- In zake : Roger TIJS, die woonplaats kiest bij advocaat H. Sebreghts, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 27 tegen : de STAD ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roger Tijs op 21 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : “a. Het besluit van het college van Burgemeester en Schepenen van de Stad Antwerpen van 23 september 2005 tot stopzetting van de lopende selectieprocedure en de uitbesteding hiervan aan jobpunt Vlaanderen en, voor zover dit een andere beslissing zou zijn, de beslissing van ongekende datum om de functie van stadsbouwmeester opnieuw vacant te verklaren. b. De beslissing van 23 januari 2006 van Jobpunt Vlaanderen in opdracht van stad Antwerpen waarin gesteld werd dat de kandidatuur van verzoekende partij niet verder in aanmerking genomen wordt in de selectie. c. De beslissing van het college van Burgemeester en schepenen van Antwerpen van 3 maart 2006 waarin bij hoogdringendheid (HD) kennis werd genomen van de eindeverslagen aangaande de selectieprocedure van stadsbouwmeester, waarbij de stadsbouwmeester werd aangesteld (beslissing cryptisch omschreven als ‘Selectieprocedure stadsbouwmeester. Kennisname eindverslagen. Aanstelling. Goedgekeurd mits het agendapunt en het arbeidscontract worden aangepast aan de opmerkingen van de stadsadvocaat’). d. De uit de voornoemde beslissing voortvloeiende impliciete niet benoeming van de verzoekende partij e. Alle andere eventueel thans nog ongekende beslissingen van het college van Burgemeester en schepenen of van de gemeenteraad van Antwerpen die verband houden met de selectieprocedure aangaande de stadsbouwmeester”; Gezien het verzoekschrift dat Roger Tijs op 22 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : XII-4674-1/16 “a.
(1)Het besluit van het college van Burgemeester en Schepenen van de Stad Antwerpen van 23 september 2005 tot stopzetting van de lopende selectieprocedure en de uitbesteding hiervan aan jobpunt Vlaanderen en
(2)de beslissing van het college van Burgemeester en Schepenen van 25 november 2005 (jaarnummer 13695) ‘selectieprocedure contractueel stadsbouwmeester (A10). Samenstelling selectiejury . Openverklaring. Goedkeuring’. b.
(1)Het besluit van de gemeenteraad van de stad Antwerpen van 18 oktober 2003 tot herziening benoemings- en bevorderingsvoorwaarden van stadsbouwmeestèr (jaarnummer 2432) en
(2)Het besluit van de gemeenteraad van de stad Antwerpen van 18 oktober 2003 (jaarnummer 2438) Reglement betreffende de selectieprocedure bij benoemingen, bevorderingen, mandaten en contractueel personeel voor invulling van vacatures van onbepaalde duur. c. De beslissing van 23 januari 2006 van Jobpunt Vlaanderen in opdracht van stad Antwerpen waarin gesteld werd dat de kandidatuur van verzoekende partij niet verder in aanmerking genomen wordt in de selectie. d. De beslissing van het college van Burgemeester en schepenen van Antwerpen van 3 maart 2006 waarin bij hoogdringendheid (HD) kennis werd genomen van de eindeverslagen aangaande de selectieprocedure van stadsbouwmeester, waarbij de stadsbouwmeester werd aangesteld (jaarnummer 2684)(beslissing cryptisch omschreven als ‘Selectieprocedure stadsbouwmeester. Kennisname eindverslagen. Aanstelling.’ In het verslag hierover wordt hieraan nog toegevoegd: ‘Goedgekeurd mits het agendapunt en het arbeidscontract worden aangepast aan de opmerkingen van de stadsadvocaat’). e. De uit de voornoemde beslissing voortvloeiende impliciete niet benoeming van de verzoekende partij f. Alle andere eventueel thans nog ongekende beslissingen van het college van Burgemeester en schepenen of van de gemeenteraad van Antwerpen die verband houden met de selectieprocedure aangaande de stadsbouw- meester”; Gezien het verzoekschrift dat Roger Tijs op 24 mei 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : “a. De beoordeling van de jury van ongekende datum (op een tijdstip na de vernietiging door de Raad van State op 27 januari 2006 van de beslissing van 8 juli 2005) aangaande de op 13 juni 2005 door de verzoekende partij afgelegde selectieproef in de selectieprocedure voor stadsbouwmeester, functie welke werd openverklaard bij collegebeslissing van 15 april
- (verder genoemd ‘het juryverslag’). b. De beslissing van 24 maart 2006 waarin het college van Burgemeester en schepenen van stad Antwerpen kennis nam van voornoemd juryverslag voor stadsbouwmeester en waarin opdracht werd gegeven aan de bedrijfseenheid personeelsmanagement om de uitslag aan R. Tijs mee te delen. (verder genoemd ‘beslissing tot kennisname’) c. Alle andere met de voorgaande beslissingen correlatieve beslissingen waarvan de verzoekende partij thans (nog) niet op de hoogte is”; Gezien de nota’s van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; XII-4674-2/16 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 19 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Sebreghts, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Van Der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De voorgaanden
- Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van Antwerpen op 13 mei 2005 beslist de functie van contractueel stadsbouwmeester vacant te verklaren; dat de kandidaten dienen te slagen in een vergelijkende selectieproef; dat de selectieproef in twee trappen georganiseerd wordt; dat de eerste trap een schriftelijk gedeelte behelst, gericht op de toetsing van vier vaktechnische competenties; dat er zich twee kandidaten aandienen, onder wie verzoeker; dat verzoeker de proef van de eerste trap op 13 juni 2005 aflegt; dat de jury hem op 21 juni 2005 ervoor 35 punten op 280 of 12,5 % toekent en, bij gebrek aan minstens 50 % van de punten, van verdere deelname aan de selectie uitsluit; dat de andere kandidaat 140 punten op 280 of 50 % behaalt, wel aan de proeven van de tweede trap mag deelnemen, maar zich uit de selectie terugtrekt;
- Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen op 15 juli 2005 de functie van contractueel stadsbouwmeester opnieuw vacant verklaart en besluit om via Jobpunt Vlaanderen geschikte kandidaten tot deelname aan de selectie aan te sporen; dat, naar aanleiding van het voorstel van Jobpunt Vlaanderen “om naast de search ook de eigenlijke selectieprocedure voor stadsbouwmeester via Jobpunt Vlaanderen te laten lopen”, het college op 23 september 2005 beslist de lopende selectieprocedure voor stadsbouwmeester stop te zetten en volledig uit te besteden aan Jobpunt Vlaanderen; dat tevens het college opdracht geeft om, eensdeels, XII-4674-3/16 het reglement betreffende de selectieprocedure bij benoemingen, bevorderingen madaten en, anderdeels, de toegangsvoorwaarden voor stadsbouwmeester aan te passen “zodat de selectieprocedure, voorgesteld door Jobpunt Vlaanderen, niet in strijd is met de stedelijke reglementen”; Overwegende dat op 18 oktober 2005 de gemeenteraad een aangepast reglement betreffende de selectieprocedure bij benoemingen, bevorderingen, mandaten en contractueel personeel voor invulling van vacatures van onbepaalde duur goedkeurt; dat artikel 21bis in de mogelijkheid voorziet om voor de functie van stadsbouwmeester te werken volgens het zogenaamde shortlist-principe, waarbij de selectiejury de kandidaten in drie groepen indeelt: zeer geschikt, geschikt, ongeschikt; dat eveneens op 18 oktober 2005 de gemeenteraad de toegangsvoorwaarden voor stadsbouwmeester wijzigt, in die zin dat de kandidaat niet meer nuttig gerangschikt dient te zijn in een vergelijkende selectieproef, maar geschikt of zeer geschikt moet zijn in een bekwaamheidsproef;
- Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen op 25 november 2005 voor de derde keer de functie van contractueel stadsbouwmeester vacant verklaart; dat de selectieprocedure bestaat uit een verkennend interview, een screening, een jurygesprek en een gesprek met een vertegenwoordiging van het schepencollege; dat verzoeker zich opnieuw kandidaat stelt; dat hem met een brief van 23 januari 2006 van Jobpunt Vlaanderen wordt meegedeeld dat zijn kandidatuur niet verder in aanmerking wordt genomen omdat het verkennend interview uitwees dat er te weinig overeenstemming was tussen zijn profiel en het gevraagde functieprofiel; Overwegende dat op 27 januari 2006 de Raad van State op vraag van verzoeker de beslissing van de jury van 21 juni 2005 om hem niet geslaagd te verklaren voor trap 1 van de vergelijkende selectieproef voor stadsbouwmeester vernietigt, evenals de collegebeslissing van 15 juli 2005 om de plaats van contractueel stadsbouwmeester opnieuw open te verklaren; dat het arrest de materiële motiveringsplicht kennelijk geschonden bevindt; dat het college op 17 februari 2006 van het vernietigingsarrest kennis neemt en aan de betrokken examenjury opdraagt “overeenkomstig het voornoemde arrest, passende beslissingen te treffen en een nieuw verslag in te dienen”; dat tijdens dezelfde zitting het college de delegatie samenstelt voor het gesprek met de kandidaten in het kader van de selectieprocedure die op 25 november 2005 gestart werd; XII-4674-4/16 Overwegende dat het schepencollege op 3 maart 2006 besluit Kristiaan Borret aan te stellen als contractueel stadsbouwmeester en met hem een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur voor bedienden te sluiten die ten laatste op 31 maart 2011 verstrijkt; dat de overeenkomst nog dezelfde dag ondertekend wordt; dat bij beschikking van 16 maart 2006 de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op eenzijdig verzoekschrift van verzoeker verbiedt aan het contract verdere uitvoering te geven op straffe van een dwangsom van 100.000 euro “tot op het ogenblik dat uitspraak zal zijn gedaan door de Raad van State over een verzoekschrift tot schorsing hetwelk verzoeker eerstdaags zal neerleggen”;
- Overwegende dat op 15 maart 2006 de jury van de eerste selectieprocedure kennis neemt van het vernietigingsarrest van 27 januari 2006 van de Raad van State en beslist “zijn activiteiten te hervatten op het punt waar de Raad Van State de selectieprocedure heeft vernietigd”; dat hij opnieuw aan verzoeker 35 punten op 280 en aan de andere kandidaat 140 punten op 280 toebedeelt; dat hij vervolgens een beschrijvende beoordeling uitbrengt; dat het schepencollege op 24 maart 2006 kennis neemt van het betreffende “nieuw verslag”; Samenhang
- Overwegende dat de feitelijke en juridische gegevens van de besproken vorderingen tot schorsing zodanig nauw samenhangen dat er reden is de vorderingen met het oog op een goede rechtsbedeling samen te voegen; De ontvankelijkheid
- Overwegende dat de collegebeslissing van 3 maart 2006 tot aanstelling van K. Borret als contractueel stadsbouwmeester zich voordoet als de eindbeslissing van een complexe administratieve verrichting, waartoe ook alle beslissingen behoren die specifiek genoemde eindbeslissing voorbereiden; dat in het kader van de vordering tegen de eindbeslissing elke onwettigheid kan worden aangevoerd die aan de voorbereidende handelingen kleeft en die een beslissende invloed op de eindbeslissing hebben gehad; dat, anders dan verzoeker lijkt te menen, dit niet uitsluit dat wanneer de voorbereidende beslissingen met een afzonderlijk beroep (kunnen) worden bestreden, het beroep binnen de gestelde zestig-dagentermijn moet worden ingediend; XII-4674-5/16 Overwegende dat daar in de onderhavige zaken niet aan is voldaan wat het collegebesluit van 23 september 2005 betreft tot stopzetting van de tweede selectieprocedure en tot uitbesteding van de derde selectieprocedure aan Jobpunt Vlaanderen; dat het besluit blijkbaar aan verzoeker is ter kennis gebracht met een brief van, reeds, 28 september 2005 (zaak A.173.342, stuk 29A van verzoeker); Overwegende dat dezelfde conclusie moet gelden voor de collegebeslissing van 25 november 2005 om de plaats van contractueel stadsbouwmeester voor de derde keer vacant te verklaren; dat verzoeker in elk geval sinds december 2005 van de openverklaring weet heeft; dat hij zich, zoals door de beslissing vereist, vóór 20 december 2005 uitdrukkelijk kandidaat heeft gesteld voor de vacant verklaarde functie en reeds met een brief van 22 december 2005 werd uitgenodigd voor het eerste gedeelte van de nieuwe selectieprocedure;
- Overwegende dat te betwijfelen valt of ook de gemeenteraads- besluiten van 18 oktober 2005 tot, eensdeels, goedkeuring van het reglement betreffende de selectieprocedure bij benoemingen, bevorderingen, mandaten en contractueel personeel voor invulling van vacatures van onbepaalde duur en, anderdeels, herziening van de benoemings- en bevorderingsvoorwaarden van stadsbouwmeester, mee tot de vermelde complexe rechtshandeling mogen worden gerekend; dat het gelet op hun reglementair karakter niet belet dat de onwettigheid van de gemeenteraadsbesluiten ook buiten de beroepstermijn ertegen, kan worden aangevoerd ter vernietiging van de collegebeslissing van 3 maart 2006; dat wel de gemeenteraadsbesluiten slechts ontvankelijk zélf tot voorwerp van een vordering tot schorsing kunnen worden gemaakt op voorwaarde dat die vordering binnen de zestig- dagentermijn blijkt ingesteld; Overwegende dat die termijn op 22 maart 2006, toen verzoeker een vordering tot schorsing van de gemeenteraadsbesluiten indiende, reeds verstreken was; dat verzoeker uit de brief van 28 september 2005 van de verwerende partij wist dat de besluiten er zaten aan te komen en nodig waren om de nieuwe selectieprocedure, zoals gewenst door Jobpunt Vlaanderen, mogelijk te maken; dat hij die voorgenomen aanpassingen in een brief van 30 september 2005 aan verwerende partij “nooit gezien” noemde, en meedeelde genoodzaakt te zijn ze aan te vechten; dat hij vervolgens uit de “informatiebrochure contractueel stadsbouwmeester”, december 2005 gedateerd, (zaak A.173.342, stuk 32 van verzoeker) moet hebben opgemaakt dat de selectieprocedure en de benoemingsvoorwaarden effectief gewijzigd XII-4674-6/16 waren; dat, ten slotte, niet wordt beweerd dat de besluiten ten tijde van verzoekers vordering ertegen pas zestig dagen voordien, of nog later, waren bekendgemaakt;
- Overwegende dat, op zich, de collegebeslissing van 25 november 2005 tot vaststelling van de selectiejury verzoeker geen direct nadeel doet lijden; dat de beslissing op het eerste gezicht louter voorbereidend is en als zodanig niet vatbaar is voor vernietiging en dus schorsing;
- Overwegende dat de beslissing van 23 januari 2006 van Jobpunt Vlaanderen om verzoekers kandidatuur niet verder in aanmerking te nemen wel tijdig is ingesteld én wel voorkomt voor annulatie en dus schorsing vatbaar te zijn; dat echter op grond van verzoekers uitdrukkelijke verklaring ter terechtzitting moet worden aangenomen dat hij geen belang erbij heeft ze afzonderlijk geschorst te zien worden; dat hij ter zitting immers uiteenzet en herhaalt dat, anders dan in zijn verzoekschriften tot schorsing gesteld, het hem er nog uitsluitend om te doen is “het volledige examenprogramma af te kunnen werken in de procedure eerste vacantverklaring”; dat een schorsing van de beslissing om geen rekening meer met verzoeker te houden in de derde selectieprocedure, daarvoor nodig noch zelfs maar nuttig is;
- Overwegende dat op 3 maart 2006 het schepencollege kennis neemt van de eindverslagen in de derde selectieprocedure en K. Borret als contractueel stadsbouwmeester aanstelt; dat de “impliciete niet benoeming van de verzoekende partij” die verzoeker daaruit afleidt, voorkomt niet meer dan een loutere bevestiging te zijn van de expliciete weigering van 23 januari 2006 om in de betreffende selectieprocedure nog met zijn kandidaatstelling rekening te houden; dat de zogenaamde “impliciete niet benoeming” niet voor vernietiging en dus schorsing vatbaar is;
- Overwegende dat ook in zoverre verzoeker beslissingen bestrijdt die voor hem “nog ongekend” zijn of waarvan hij “niet op de hoogte” is, en die hij -dan ook- niet nader identificeert en omschrijft, zijn vorderingen ratione materiae onontvankelijk zijn; XII-4674-7/16
- Overwegende bijgevolg dat, zo nodig ambtshalve, moet worden vastgesteld dat verzoekers vorderingen tot schorsing alleen ontvankelijk zijn wat de beslissing betreft: 1/ van 15 maart 2006 van de selectiejury om hem niet geslaagd te verklaren voor trap 1 van de vergelijkende selectieproef waaraan hij op 13 juni 2005 deelnam, 2/ van 24 maart 2006 van het college van burgemeester en schepenen tot bekrachtiging van de beslissing van de selectiejury, en 3/ van 3 maart 2006 van hetzelfde college om K. Borret tot contractueel stadsbouwmeester aan te stellen; dat de schorsing van die beslissingen in voorkomend geval er toe zal bijdragen voor verzoeker de mogelijkheid te vrijwaren om (mede) op grond van de door hem op 13 juni 2005 afgelegde proef tot stadsbouwmeester aangesteld te worden; dat zijn belang bij de schorsing ervan niet “onduidelijk” is, zoals verwerende partij meent; De grondvoorwaarden voor de schorsing
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoeker in zijn verzoekschrift in de zaak A.173.342 tegen de beslissing om hem voor trap 1 van de vergelijkende selectieproef niet geslaagd te verklaren, de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheids-, het evenredigheids-, het zorgvuldigheids- en het gelijkheidsbeginsel, van het verbod tot machtsafwending en van het verbod tot schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 154.223 van 27 januari 2006; dat hij onder meer toelicht dat er niet kan worden uitgemaakt op welke wijze hij niet voldeed “in vergelijking met” de andere, wel geslaagde kandidaat, dat er niet gemotiveerd wordt waarom pas na de aanstelling van een nieuwe stadsbouwmeester motieven gevonden konden worden om hem te “buizen” voor trap 1 van het examen, dat er geen motieven zijn om hem te “buizen”, laat staan met 12,5 %, voor zijn eigen specialiteit nog wel, dat de motieven in het juryverslag totaal uit de lucht gegrepen zijn en met de werkelijkheid geen verband houden, dat hij geantwoord heeft op de gestelde vraag op een wijze die kennelijk geen beoordeling als onvoldoende verantwoordt, dat, om zijn quotering en de beoordeling marginaal te kunnen toetsen, het antwoord van de geslaagde kandidaat ter inzage moet XII-4674-8/16 worden voorgelegd, dat hij heeft geantwoord op de gestelde vraag “en niet specifiek in functie van criteria die de jury achteraf beoordeelt”, dat indien de jury een specifieke kennis wil testen, zij een kennisvraag moet stellen op basis waarvan aan de hand van een modelantwoord kan nagegaan worden of het antwoord correct is of niet, dat kennis testen op basis van een “visievraag” teveel ruimte laat voor een subjectieve beoordeling die bij kennisvragen net kan uitgeschakeld worden door een modelantwoord op te stellen, dat de motivering totaal ongeloofwaardig is gelet op de omstandigheden waarin zij tot stand is gekomen, dat hij veel strenger en anders is beoordeeld dan de kandidaat die net 50 % behaalde;
- Overwegende dat verwerende partij daarop in de nota in essentie antwoordt dat het juryverslag uitvoerig gemotiveerd is zowel wat verzoeker als de andere kandidaat betreft, dat de kennis en kunde van verzoeker niet bewijzen dat de beslissing van de selectiejury kennelijk onredelijk is en niet beletten dat de beantwoording van de vraag onvoldoende is, dat het de jury toekomt om te beslissen op welke wijze zij de vaktechnische competenties zal beoordelen, dat indien verzoeker meende dat de vraagstelling de vaktechnische competenties niet kon meten, hij ter zake, vooraleer de proef af te leggen, vragen om toelichting aan de jury had kunnen stellen, dat uit niets blijkt dat de selectiejury een grotere welwillendheid heeft betoond ten opzichte van de andere kandidaat, dat het niet verwonderlijk is dat de andere kandidaat slaagde en verzoeker niet, nu die andere kandidaat ook behoorde tot de twee laureaten die door Jobpunt Vlaanderen als stadsbouwmeester werden voorgesteld en verzoeker geen laureaat was, dat de beoordeling van de examens omtrent de geschiktheid van de kandidaten alleen aan de selectiejury toekomt en de Raad van State geen beroepsinstantie ter zake is;
- Overwegende dat de besproken schriftelijke proef tot doel heeft vier vaktechnische competenties te testen: kennis van de organisatie stad Antwerpen en haar werking, kennis van de werking van de overheid op het vlak van ruimtelijke ontwikkeling, kennis van actualiteit en maatschappelijke evoluties, en kennis van stedelijke ontwikkelingen/ontwikkelingsstrategieën; dat de jury die kennis heeft getoetst middels één zogenaamde “open vraagstelling”: “Motiveer het belang en de rol van de stadsbouwmeester in de stad Antwerpen en motiveer hoe u deze functie in samenwerking met interne en externe partners zou invullen in de stad Antwerpen”; dat de jury de “open vraagstelling” aldus verantwoordt : “Met deze vraagstelling kon worden nagegaan in hoeverre de kandidaten, die vanzelfsprekend wisten welke items er getoetst werden, kennis hadden van de verschillende items die in trap 1 diende te worden getoetst. De kandidaten konden XII-4674-9/16 via hun inzicht in de rol en functie van de stadsbouwmeester hun concrete en parate kennis onder de verschillende items tonen. In die optiek opteerde de jury niet om zeer concrete punctuele vragen te stellen, doch wel een open vraag waaruit de ruime kennis van de verschillende items kon worden geëtaleerd. Met verwijzing naar de toekomstige invulling van de functie werd aan de kandidaat een vrijheid gegeven die het mogelijk maakte om de kennis van de actuele en maatschappelijke evolutie en van de stedelijke ontwikkelingsstrategieën te tonen”;
- Overwegende dat reeds in het arrest nr. 154.223 de Raad van State vaststelde, eensdeels, dat de examenopgave van die aard is dat de beoordeling van het antwoord een aanzienlijke appreciatiemarge inhoudt en, anderdeels, dat het de overheid toekomt om aan te tonen die ruime beoordelingsvrijheid naar behoren te hebben gebruikt en voor haar oordeel op deugdelijke motieven te kunnen steunen; dat juist omdat dergelijke motieven kennelijk niet bewezen waren, genoemd arrest de beslissing van 21 juni 2005 van de jury om verzoeker niet geslaagd te verklaren voor trap 1 heeft vernietigd volgens een verkorte procedure; dat op het eerste gezicht mag worden aangenomen dat die vernietiging de jury ertoe moet aanzetten om, bij de herbeoordeling van verzoeker, een bijzondere (voor)zorg aan de dag te leggen met betrekking tot de motivering van zijn resultaat; Overwegende dat de jury de eisen op het stuk van de motivering te dezen nog méér verzwaard moest weten doordat een eventuele nieuwe, ongunstige beoordeling verzoeker -begrijpelijk- a priori verdacht, niet onbevangen, zou toeschijnen; dat immers de nieuwe beoordeling plaats had nádat het schepencollege reeds op 3 maart 2006 tot de aanstelling van een stadsbouwmeester was overgegaan, zulks niettegenstaande het wist dat verzoekers examen van 13 juni 2005 nog opnieuw beoordeeld moest worden én dat verzoeker net de vernietiging van zijn eerste uitslag had gevorderd en verkregen om alsnog op grond van de door hem op 13 juni 1995 afgelegde proeven tot stadsbouwmeester te kunnen worden gekozen (arrest nr. 154.223, overwegingen sub 5); Overwegende dat de jury er in die concrete en precieze omstandigheden op het eerste gezicht niet buiten kon om, met het oog op een draagkrachtige motivering en overigens ook op een gelijke behandeling van de kandidaten, vooraleer de beoordeling aan te vatten een modelantwoord op te stellen en te bepalen hoe zij het nagekeken antwoord zou quoteren; dat dit niet gebeurd is;
- Overwegende dat het verslag van 15 maart 2006 de vereiste van een standaardantwoord en van scoringsregels alleen maar lijkt te bevestigen; XII-4674-10/16 Overwegende dat verzoekers antwoord zeven met de hand geschreven bladzijden beslaat; dat verwerende partij niet het antwoord van de andere kandidaat voorlegt; dat zij ter terechtzitting zegt dit “niet nodig” te vinden; dat verzoeker voor de vier te testen competenties respectievelijk 5 op 40, 10 op 40, 10 op 100 en 10 op 100 scoort; dat de tweede kandidaat respectievelijk 20, 20, 50 en 50 punten krijgt, hetzij precies de helft van de punten; Overwegende dat de algemene teneur van de beschrijvende beoordeling van het examenwerk van verzoeker lijkt te zijn dat hij onvoldoende zijn kennis met betrekking tot de verschillende te toetsen items heeft “geëtaleerd” : “De kandidaat gaat helemaal niet in op de rol van de stadsbouwmeester in de complexe stedelijke organisatie, niettegenstaande de kandidaat weet dat zijn kennis van de organisatie van de Stad Antwerpen en haar werking wordt getoetst, werking en organisatie waar hij niet naar verwijst, waardoor de kandidaat de jury de kans ontneemt om haar te overtuigen van een voldoende kennis van de organisatie van de Stad Antwerpen en van haar werking”, “Een kennis van ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkeling in de stedelijke multiculturele en diverse context lijkt evenmin aanwezig te zijn daar ze niet wordt opgenomen in de beantwoording van de open vraagstelling en dit terwijl de kandidaat wist dat de kennis van de actualiteit en de maatschappelijke evolutie werd getoetst”; dat wat verzoeker concréét dan wel had dienen te etaleren, op het eerste gezicht niet met een minimum aan nauwkeurigheid wordt meegedeeld; Overwegende dat het ook niet a contrario uit de beoordeling van de andere kandidaat lijkt te kunnen worden opgemaakt; dat, meer nog, die beoordeling van de andere kandidaat (als net geslaagd) de vraag naar het waarom van verzoekers extreem lage cijfers alleen maar méér acuut lijkt te maken; Overwegende dat aldus bijvoorbeeld, wat de kennis van de organisatie stad Antwerpen en haar werking betreft, ten gunste van de tweede kandidaat in aanmerking wordt genomen dat hij blijk geeft “van een besef dat de functie zich afspeelt in een complexe organisatie en realiteit”, weze het dat hij er niet dieper op ingaat; dat het voor verzoeker nochtans vrij eender luidt: “Rutger Tijs stelt weliswaar dat de ganse functie zich zal afspelen in een zeer complexe organisatie en realiteit en dat de stadsbouwmeester een actieve en aanjagende rol moet spelen, doch deze algemene stelling wordt niet onderbouwd door de concrete invulling en de complexiteit van organisatie en realiteit”; dat de tweede kandidaat voorts ten goede wordt gerekend dat hij zijn rol “terecht als regisseur en facilitator [ziet]”; dat verzoeker XII-4674-11/16 zich evengoed met een “dirigent” blijkt te vergelijken; dat niettemin de tweede kandidaat vier keer zoveel punten krijgt als verzoeker; Overwegende, aangaande de kennis van stedelijke ontwikkelingen/ontwikkelingsstrategieën, dat de medekandidaat geacht wordt op de hoogte te zijn van de stedelijke ontwikkeling, maar verweten wordt dit niet te plaatsen “binnen internationale context”, ofschoon de voorbeelden voor de hand liggen; dat hetzelfde verzoeker lijkt te gelden die krijgt tegengeworpen dat hij op geen enkel moment internationale voorbeelden gebruikt die zijn kennis aantonen met betrekking tot stedelijke ontwikkeling en strategieën voor stedelijke vernieuwing, ofschoon ze nochtans voor de hand liggen; dat het voor hem dan wel meteen verder gaat: “Op basis van het antwoord blijkt dat de kandidaat onvoldoende op de hoogte is van de ruimtelijke en maatschappelijke actualiteit, waarmede geen rekening wordt gehouden om in te gaan op de uitdagingen en de inhoud van de stadsbouwmeesterfunctie”; dat, in verband met dezelfde kennis, het verslag van 15 maart 2006 uiteenzet dat de concurrent van verzoeker zijn rol ten opzichte van andere partners realistisch en correct invult, maar de sturende, inhoudelijke rol bij het ontwikkelen van stedelijke strategieën achterwege laat; dat bij verzoeker die sturende rol dan weer minder positief gewaardeerd wordt, aangezien híj het verwijt krijgt zich “met dirigent en scenograaf [te vergelijken] terwijl de functie essentiële onderhandelings- en adviescapaciteit vereist omdat de functie zich juist afspeelt binnen de context van de stedelijke ontwikkeling” - iets wat, overigens, verzoeker niet ontgaan lijkt waar hij in zijn tekst schrijft dat de stadsbouwmeester “uit elke onderhandeling een hogere waarde [moet] weten te slepen zodanig dat het stedelijk imago daar toekomstgericht continu aan wint”; dat finaal de tweede kandidaat voor de betrokken competentie vijf keer zoveel punten krijgt als verzoeker;
- Overwegende, samenvattend, dat tenminste in de huidige stand van de procedure met verzoeker wordt aangenomen dat niet blijkt dat de beslissing van de jury “redelijk verantwoord” is en op deugdelijke motieven steunt; dat het middel tenminste in die mate ernstig is;
- Overwegende, met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde, dat verzoeker in zijn verzoekschrift in de zaak A.173.342 onder andere betoogt dat hij “op schandaleuze wijze, nadat gedurende negen maanden, zelfs op vraag van het auditoraat in een eerdere procedure geen motieven voor de beslissing konden worden voorgelegd, bedeeld [wordt] met exact dezelfde punten en een motivering die werkelijk elke ernst en correctheid mist”, dat hij hierdoor “in het diepste van zijn trots en XII-4674-12/16 eergevoel” geraakt wordt, dat verwerende partij doet blijken van de vaste en doorgedreven wil om hem niettegenstaande zijn ervaring op de dienst stedenbouw in Antwerpen en zijn wetenschappelijke publicaties in verband met bouwtrant en bouwbeleid, inzonderheid in Antwerpen, “niet te waarderen op zijn merites”, dat de motivering is gevonden nadat de nieuwe stadsbouwmeester al was aangesteld, dat de reputatie die hij opbouwde manifest wordt aangetast, dat dit niet kan blijven duren;
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota tegenwerpt dat het onduidelijk is op welke wijze verzoekers score van 12,5 % voor hem nadelig kan zijn, dat indien het nadeel ernstig en moeilijk te herstellen zou zijn verzoeker geen onderhandelingen zou hebben gestart “zonder dat er maatregelen worden genomen die het ernstig en moeilijk te herstellen nadeel voorkomen”, dat de stad niet kan beoordelen of verzoeker in het diepste van zijn trots en eer is geraakt, maar hoe dan ook meent dat het nadeel niet door een schorsing kan worden weggenomen, dat verzoeker reeds vele keren aan een selectieproef deelnam en “daarenboven in de selectieprocedure ingericht door Jobpunt Vlaanderen evenmin als laureaat werd weerhouden”, dat het nadeel op bijzonder vage en algemene wijze wordt verwoord;
- Overwegende dat verzoeker, architect, ruimtelijk planner, doctor in de stedenbouw en de ruimtelijke ordening, auteur van talrijke boeken en artikelen, sinds ongeveer dertig jaar consulent stedenbouw is bij de stad Antwerpen; dat, op grond van zijn curriculum vitae (zaak A.173.342, stuk 1 van verzoeker), hij terecht een reputatie inzake architectuur en stedenbouw mag claimen; dat de beslissing om hem voor de op 13 juni 2005 afgelegde proef niet geslaagd te verklaren met 12,5 % van de punten, zwaar aan die reputatie afbreuk doet; dat per slot van rekening de proef alléén het testen van een aantal vaktechnische competenties betreft waaromtrent de jury ferm stelt dat verzoeker “[o]p geen enkel onderdeel” kan overtuigen van “een actuele, parate en concrete kennis”; dat met andere woorden verzoekers niet-geslaagd zijn als een attest van onbekwaamheid gepercipieerd kan en mag worden; Overwegende dat het morele nadeel dat verzoeker door het fiasco lijdt, niet te onderschatten is; dat precies omdat verwerende partij zich ook zelf rekenschap gaf van het delicate probleem van het gevaar van, en de vrees voor, reputatieschade bij de kandidaten voor de functie van stadsbouwmeester, zij ervoor gekozen heeft om de voorwaarde van nuttig gerangschikt te zijn voor een vergelijkende selectieproef, af te voeren; dat het in de collegebeslissing van 23 september 2005 daaromtrent luidt: “Het gaat hier om een zeer specifieke functie en profiel met, voor een stad als Antwerpen, slechts enkele potentiële kandidaten in Vlaanderen. Deze XII-4674-13/16 mensen hebben een opgebouwde reputatie in hun vakgebied en [...] zijn om die reden niet geneigd om deel te nemen aan een vergelijkend examen zoals normaal door de stad gevoerd”; Overwegende dat verwerende partij ten onrechte tracht de aantasting van verzoekers reputatie te banaliseren door een verwijzing naar het feit dat hij in het verleden reeds verschillende keren tevergeefs aan een selectieproef zou hebben deelgenomen en ook in de selectieprocedure voor stadsbouwmeester die op 23 september 2005 aan Jobpunt Vlaanderen werd uitbesteed, is geweerd; dat -zo goed als- niets geweten is van de precieze omstandigheden van de eerdere proeven en verzoeker doet gelden dat hij “nooit gebuisd werd wanneer aan de hand van objectieve criteria getoetst werd”; dat dan weer wél duidelijk is waarom verzoeker ook in de selectieprocedure ingericht door Jobpunt Vlaanderen niet “als laureaat werd weerhouden”; dat zijn echec in die procedure juist niets met zijn vaktechnische competentie te maken lijkt te hebben, integendeel; dat de enige kennis die in deze procedure bij hem werd getoetst, in een zogenaamd “verkennend interview”, de kennis van de werking van de overheid op het vlak van ruimtelijke ontwikkeling betrof; dat het verslag van het “verkennend interview” vermeldt: “Is nu consulent stedebouw in Antwerpen, hij kent Antwerpen en de Antwerpse problematiek”; Overwegende dat verzoekers morele nadeel des te minder samenvalt met de normale teleurstelling die elke niet-geslaagde kandidaat geacht kan worden te ondervinden, nu verzoeker zijn antwoord ook al eerder als volstrekt onvoldoende beoordeeld zag, ter zake een hele rechtsgang achter de rug heeft en die beoordeling uiteindelijk door de Raad van State vernietigd kreeg omdat zij kennelijk niet op deugdelijke motieven berustte; dat verzoeker met de beslissing van 15 maart 2006 opnieuw dezelfde bedroevende cijfers krijgt toebedeeld en die cijfers nog altijd willekeurig lijken;
- Overwegende dat, het voorgaande bij mekaar genomen, verzoeker aannemelijk maakt ten gevolge van de jurybeslissing van 15 maart 2006 een nadeel te lijden dat als ernstig en moeilijk te herstellen te beschouwen is; XII-4674-14/16
- Overwegende dat, zoals blijkt, de voorwaarden tot schorsing van de jurybeslissing van 15 maart 2006 vervuld zijn; dat ten gevolge van de schorsing van die beslissing ook de collegebesluiten van 24 maart 2006 en 3 maart 2006, respectievelijk tot bekrachtiging van de jurybeslissing en tot aanstelling van K. Borret als contractueel stadsbouwmeester, dienen geschorst te worden, BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. A. 171.251/XII-4674, 171.286/XII-4675 en 173.342/XII-4777 worden, wat betreft de vorderingen tot schorsing, gevoegd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de beslissing van 15 maart 2006 van de selectiejury van de stad Antwerpen om Roger Tijs niet geslaagd te verklaren voor trap 1 van de vergelijkende selectieproef voor stadsbouwmeester te Antwerpen, de bekrachtiging van die beslissing bij besluit van 24 maart 2006 van het college van burgemeester en schepenen van Antwerpen, en de beslissing van 3 maart 2006 van hetzelfde college tot aanstelling van Kristiaan Borret als contractueel stadsbouwmeester. Artikel
- De vorderingen tot schorsing worden voor het overige verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4674-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4674-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div