id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.605 Rolnummer: A. 167101/XIV-23851 Zaak: Arrest 163605 - - 16/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-31 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 06:43 Fiche Arrest nr 163.605 van 16 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.605 van 16 oktober 2006 in de zaak A. 167.101/XIV-23.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. VERHEYEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan van Rijswijcklaan 64 bus 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 maart 1983 en van Russische nationaliteit, op 5 oktober 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 september 2005 om aan de verzoekende partij een nieuwe termijn toe te staan om het grondgebied te verlaten, van 7 september tot 12 september 2005, vermeld op het bevel van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 juli 2005 om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 28 juni 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 10 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 13 september 2006 om 10.00 uur; XIV-23.851-1/4 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. VERHEYEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 9 september 2001 en verklaart zich vluchteling op 10 september
- 1.
- Op 15 september 2003 neemt de Vaste beroepscommissie voor vluchtelingen de beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. Bij arrest van de Raad van State nr. 137.490 van 23 november 2004 werd het beroep tegen deze beslissing verworpen. 1.
- Op 3 november 2003 werd aan de verzoekende partij bevel gegeven om het grondgebied te verlaten. 1.
- Op 9 december 2004 werd de verzoekende partij opgepakt in Frankrijk en overgedragen aan België in het kader van Verordening 343/
- 1.
- Op 12 juli 2005 werd aan de verzoekende partij een bevel van 11 juli 2005 om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. 1.
- Op 11 augustus 2005 deelde de Advocaat van de verzoekende partij aan het Centrum voor Illegalen te Merksplas mee dat op 29 mei 2005 voor de verzoekende partij een aanvraag was ingediend om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 5 september 2005 besliste de minister van Binnenlandse Zaken dat aan deze aanvraag geen gunstig gevolg kon worden gegeven omdat de verzoekende partij de aanvraag niet volgens de wettelijke voorschriften had ingediend. XIV-23.851-2/4 1.
- Op 7 september 2005 werd de verzoekende partij in vrijheid gesteld en werd haar een nieuwe termijn toegestaan, tot 12 september 2005, om het grondgebied te verlaten. Deze vermelding werd aangebracht op het bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en vrijheidsberoving te dien einde van 11 juli
- De beslissing van 7 september 2005 is de bestreden beslissing.
- Over de ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat de nieuwe termijn die aan de verzoekende partij werd toegestaan om het grondgebied te verlaten, van 7 september tot 12 september 2005, louter een uitvoeringsmodaliteit is van het bevel om het grondgebied te verlaten van 11 juli 2005; dat deze uitvoeringsmodaliteit niet kan worden beschouwd als een beslissing met specifieke rechtsgevolgen of een beslissing die de rechtstoestand van de verzoekende partij wijzigt; dat het beroep gericht tegen deze uitvoeringsmodaliteit onontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat, in de mate dat de verzoekende partij het bevel om het grondgebied te verlaten van 11 juli 2005 zou willen aanvechten, dient te worden vastgesteld dat dit beroep laattijdig is; dat dit bevel aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 12 juli 2005, en dat het beroep werd ingediend op 5 oktober 2005; dat overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 3 en 20 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het beroep op straffe van niet-ontvankelijkheid moet worden ingediend binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing; dat de laatst nuttige dag om het verzoekschrift aangetekend te versturen donderdag 11 augustus 2005 was, zodat het verzoekschrift laattijdig werd ingediend; dat het beroep dat gericht zou zijn tegen het bevel van 11 september 2005 niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-23.851-3/4 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien oktober tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-23.851-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.