← België

Arrest 163620 - - 16/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.620 Rolnummer: A. 131295/XIV-13280 Zaak: Arrest 163620 - - 16/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-31 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 06:43 Fiche Arrest nr 163.620 van 16 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.620 van 16 oktober 2006 in de zaak A. 131.295/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 7 november 1950 en van Oekraïense nationaliteit, op 31 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 15 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 19 mei 2006 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 13 september 2006 om 10.00 uur; XIV-13.280-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS, die loco Advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 15 november 2000 en verklaart zich vluchteling op 21 november
  4. 1.
  5. Op 11 april 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 11 december 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Oekraïens staatsburger, verklaarde tijdens uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u een aanhanger bent van de ‘Ruch’ partij. U werkte als vrijwilliger voor deze partij. Sedert 1980 werkte u voor een staatswinkelketen als adviseur voor directeur Vengerski. Met hem had u geregeld discussies over politiek die uitmondden in ruzies. Niettegenstaande dit bleven jullie samenwerken totdat de winkels verkocht werden. Toen wilde u de winkel verkopen, maar V. weigerde dit en u werd ontslagen. V. verkocht de winkel door aan S. M. zijn schoonbroer. Op 1 juli 2000 begon u als verkoopster te werken voor Smal. In september 2000 kwam u te weten dat V. en S. familie van elkaar waren. Midden oktober 2000 legde u klacht neer bij de politie over de verkoop van de winkel. In de nacht van 15 op 16 oktober 2000 werd er ingebroken in de winkel. Er werd ongeveer voor twintig duizend dollar gestolen. U werd hiervoor verantwoordelijk gesteld omdat u die dag de zaak had geopend en gesloten. Een week voor de inbraak had u ruzie met Smal omdat hij uw loon niet had uitbetaald. Op 3 november 2000 vertelde Smal u dat u hem twintigduizend dollar diende te betalen. Hij verwees naar uw klacht van midden oktober 2000 en dreigde ermee dat u zou worden opgepakt. Op 11 november 2000 kwam Smal naar uw thuis u kreeg drie dagen om twintig duizend dollar XIV-13.280-2/5 te betalen. De volgende dag, 12 november 2000, verliet u Oekraïne. U reisde in de richting van België van België waar u op 21 november 2000 de status van vluchteling aanvraag onder de naam XXX. In het kader van uw asielaanvraag legde u volgende documenten voor: uw binnenlands paspoort en uw geboorteakte. Er dient te worden opgemerkt dat u op 21 november 2000 bij de Belgische autoriteiten asiel aanvroeg onder de naam XXX geboren op 7 november
  7. Later legde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken een geboorteakte voor op naam van XXX. Op 25 april 2002 legde u dan weer, eveneens voor de Dienst Vreemdelingenzaken, een paspoort voor dat stelt dat u XXX, een Oekraïens staatsburger, bent. Uit het feit dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken verschillende verklaringen aflegde in verband met uw identiteit, kan worden afgeleid dat u opzettelijk de Belgische staat wilde misleiden omtrent uw identiteit waardoor de algemene geloofwaardigheid van uw asielaanvraag wordt ondermijnd. Deze verklaringen zijn niet in overeenstemming te brengen met de verantwoordelijkheid die op de kandidaat-vluchteling rust doorheen de asielprocedure, met name dat van hem verwacht wordt zijn asielrelaas volledig en duidelijk uiteen te zetten en dat dit logischerwijze impliceert dat het afgelegde verhaal waarheidsgetrouw moet zijn. Bijgevolg kan er in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie. (...)”.
  8. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt: “Verweerder is van mening dat de vordering niet-ontvankelijk is wegens afwezigheid van het vereiste belang. De Raad heeft reeds meerdere malen bevestigd dat ingevolge de toepassing van het ‘fraus omnia corrumpit’ beginsel verzoekers het rechtmatig belang op het instellen van een vordering gericht tegen de beslissing kunnen verliezen indien de intentie de Belgische autoriteiten te misleiden komt vast te staan (R.v.St. nr. 98.827 van 12 september 2001). In casu heeft verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken verschillende verklaringen afgelegd in verband met haar identiteit, waaruit redelijkerwijs kan afgeleid worden dat verzoekster opzettelijk de Belgische staat trachtte te misleiden omtrent haar identiteit waardoor de algemene geloofwaardigheid van haar asielaanvraag wordt ondermijnd. Uw Raad oordeelde reeds dat het beroep van een vreemdeling die de Belgische autoriteiten heeft willen misleiden door het opgeven van verschillende identiteiten, onontvankelijk is wegens ontstentenis van het wettelijk vereiste rechtmatig belang (R.v.St., nr. 106.486 van 8 mei 2002). De vordering is niet-ontvankelijk.”; Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende antwoordt: “Overwegende dat verzoekster zich gedraagt naar het verzoekschrift tot nietigverklaring neergelegd op datum van 31 december 2002 waarvan de inhoud hier integraal dient hernomen te worden beschouwd.”; Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel van het verzoekschrift ingaat op haar valse identiteit: “B) Tweede middel: = schending van het recht van de verdediging = schending van het beginsel van goed bestuur Het C.G.V.S. heeft zijn beslissing gerechtvaardigd door de omstandigheid dat verzoekster tijdens haar asielaanvraag aan de Belgische autoriteiten een verschillende identiteit dan haar werkelijke identiteit had gegeven. Ze heeft zo gehandeld, vermits ze vreesde dat uit haar land represailles zouden komen (zie het schrijven verzonden door de afgevaardigde R. Fournaux aan de Minister van Binnenlandse Zaken op 27 mei 2002: XIV-13.280-3/5 vous ai précisé, et aux raisons fondamentales pour lesquelles Madame Moskalenko ne voulait pas être établie en Belgique sous sa véritable identité, crainte de représailles venant de son propre pays>>). Het dossier van het C.G.V.S. bevat geen enkele aanduiding omtrent de motieven omwille van dewelke verzoekster haar werkelijke identiteit niet spontaan vermeld heeft aan de Belgische autoriteiten. Het C.G.V.S. heeft zich alleen gebaseerd op een schrijven van de D.V.Z. van 08 juli 2002 dat eenvoudigweg de uitgevoerde verbetering van identiteit meldde (zonder dat het D.V.Z. de redenen die werden ingeroepen door verzoekster overmaakte noch het schrijven dat door R. Fournaux aan de Minister van Binnenlandse Zaken werd verzonden). Alvorens de aangevochten beslissing te nemen, moest het C.G.V.S. dus, rekening houdend met de spontaneïteit van de demarche van verzoekster en met het feit dat het administratief dossier geen uitleg bevat die verzoekster heeft gegeven over het gebruik van een foute identiteit in plaats van de identiteit XXX, verzoekster toelaten uitleg te verschaffen over de juiste beweegredenen van haar daad. Het is slechts na zich omringd te hebben met alle nuttige elementen (beginsel van goed bestuur) dat het C.G.V.S. er de beslissing uit kon trekken die het trekt in de aangevochten beslissing. Elke persoon beschikt inderdaad over het recht uitleg te verschaffen over het gedrag dat men haar verwijt (respect van de rechten van de verdediging)- aangezien bepaalde houdingen gelegitimeerd kunnen worden door specifieke omstandigheden.”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij op 21 november 2000 in België asiel heeft aangevraagd onder de naam XXX; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de verzoekende partij bij haar aankomst in België uit angst een valse naam heeft gebruikt en dat haar echte naam XXX is; dat ze in dit verband een geboorteakte neerlegde bij de Dienst Vreemdelingenzaken; Overwegende dat na de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 april 2004, de verzoekende partij een paspoort indient bij de Dienst Vreemdelingenzaken waarin wordt vermeld dat zij XXX is, een Oekraïens staatsburger; Overwegende dat de verzoekende partij bijgevolg drie verschillende identiteiten heeft opgegeven aan de Belgische asielinstanties; dat de verzoekende partij in het verzoekschrift hierover stelt dat zij represailles vreesde vanuit haar land; Overwegende dat dit geen verklaring vormt voor het feit dat de verzoekende partij tot tweemaal toe een andere identiteit inriep; dat de verzoekende partij bewust de Belgische autoriteiten trachtte te misleiden; Overwegende dat overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” geen gunstig gevolg kan worden verleend aan het beroep van een vreemdeling die bedrog pleegt bij het indienen van een aanvraag; dat de verzoekende partij de autoriteiten op wiens bescherming zij een beroep wilde doen, heeft misleid; dat dan ook de onontvankelijkheid van het beroep dient te worden vastgesteld wegens het ontbreken van het wettelijk vereiste rechtmatig belang; XIV-13.280-4/5
  9. Overwegende het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen bij gebrek aan het wettelijke vereiste rechtmatig belang, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien oktober tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-13.280-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.620 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.